•  

    De zilvervloot van ’s-Hertogenbosch

    De overkant van het spoor, dat is in veel gevallen het muurbloempje van de stad. Vanuit de coupé kijken we op onaanzienlijke woonwijken, groezelige bedrijfsterreinen of slaperige veldjes, die erop wachten om wakker gekust te worden. De verkeerde kant van het station, zou je het kunnen noemen, afgewend van de binnenstad. Zo is in het Heerlen of Dordrecht en zo was het in Amersfoort en ’s-Hertogenbosch. Want er is iets aan het veranderen. Amersfoort en ’s-Hertogenbosch hebben passarelles over het spoor geslagen, en zo hun stationsgebouwen tot viaducten gepromoveerd.
    Neem ’s-Hertogenbosch. Toen een kleine tien jaar geleden besloten werd daar een nieuw paleis van justitie te bouwen, alsmede het hoofdkantoor van de deftige Van Lanschot Bank, werd meteen duidelijk dat de hoofdstad van Brabant niet over een nacht ijs wenste te gaan. De Franse aanduidingen lieten bovendien niets aan het misverstand over. La Gare, Le Coin. De Belgische architect Charles Vandehove, belast met de rechtbank, staat bekend om gedistingeerde architectuur, die past bij de ambities. Dat justitieel complex straalt een zekere Franse grandeur uit, niet in de laatste plaats vanwege het zinken mansardedak.
    Het is niet bij die ene geste gebleven. Het paleis van justitie is de opmaat geworden voor het Paleiskwartier, waarvoor de van oorsprong Indiase architect Khandekhar het stedenbouwkundig plan heeft getekend. In het hart daarvan ligt een langwerpige vijver waar bollende appartementsblokken staan, alsof er een zeilvloot is uitgevaren. En dat in Den Bosch! Hoe is dat zo gekomen? De Britse architect Anthony McQuirk, voor Nederland tot dusver onbekend, bezocht de locatie nadat een oude kazerne en enkele bedrijfjes gesloopt waren. De wind blies hem bijna uit de sokken. Wie storm zaait, zal storm oogsten, moet hij gedacht hebben. Hoe het ook zij die typische Nederlandse omstandigheid bracht hem op het idee van tallhouses en longhouses met een bollende pui. Die gevel is ook nog eens in glanzend aluminium uitgevoerd. Het is dus met recht een zilvervloot, terwijl de naam van de blokken herinnert aan een tegenstander waar de Nederlandse admiraals in de 17e eeuw wel raad mee wisten: Armada.
    Het is architectuur waar je niet omheen kunt; het is een drukte van belang ook, omdat de hoge blokken zijn bekleed met een baksteen patroon in de zijgevel en de lage met red cedar-hout. Uit de dikbuikige gevels steken de balkons als betroffen het loopplanken. Hier is het met windstil weer goed toeven, hoewel de voorbuurman dichtbij is. De voordeuren van de tallhouses liggen aan een galerij die het formaat heeft van een wintertuin, met schuin geplaatste glazen gevels, zodat de bewoners desgewenst een beschut terrasje aan die kant kunnen inrichten. Daarnaast plaatste McQuirk noodtrappenhuizen in verschillende kleuren – een beetje minder vertoon, was ook geen bezwaar geweest.
    Dat neemt niet weg dat het Paleiskwartier ongehoord luxueus overkomt, een wijk op stand voor het ‘Haagje’ van Brabant. De deftige advocatenkantoren, brasseries en banken bevestigen dat beeld. Hier zul je vergeefs een snackbar zoeken. Bij een ander woningblok, Huis den Bosch, hebben de architecten Mulleners en Mulleners hun inspiratie uit de nette Londense wijken gehaald door de woningen een souterrain (plus plaatsje) te geven, zodat de bezoekers over een bruggetje naar de voordeur moeten. Huis den Bosch ligt rondom een – besloten – binnenhof, de Armada ertegenover baadt in een ‘onder architectuur aangelegde tuin’.
    Veiligheid was een van de belangrijkste troeven bij de verkoop van de appartementen. In de praktijk wordt dat gewaarborgd door camera’s waarmee de bewoners het bezoek bij de voordeur kunnen controleren, maar sterker nog manifesteert het thema zich in de openbare ruimte. De tuinen zijn niet publiek toegankelijk, de parkeerhavens geschikt voor hooguit vier bezoekers terwijl de garages onder het waterbassin alleen bedoeld zijn voor bewoners en kantoorpersoneel. De eerste stappen naar een gated community (de omheinde gemeenschap) zijn in het Bossche Paleiskwartier gezet.
    Natuurlijk, de rauwe werkelijkheid van junks in portieken en zwervers in het trappenhuis dwingt gemeenten tot een gecontroleerde vorm van stedenbouw, maar het leidt in ’s-Hertogenbosch tot een aangeharkte stadswijk, waar niets aan het toeval is overgelaten. De bomen zijn gevangen in bakken, de straten bedekt met Portugese keitjes en de ingangen naar de garage gemarkeerd met metalen borden waarin het adres is uitgestanst. Wie door het Paleiskwartier loopt, hoeft niets te vrezen, zelfs de Armada niet. Dat er in de vijver een dode duif ronddreef, moeten we dan ook maar beschouwen als een ‘aanloopprobleempje’.