•  
    • Opslagplaats annex museum in Basel
    • Stadion van FC Basel

    Het zesde zintuig van Herzog & De Meuron

    Als het licht aanfloept, staan daar ineens de reusachtige zwarte ratten van Katharina Fritsch die ik enkele jaren geleden op de Dokumenta van Kassel heb gezien. Net als in Kassel een dreigende installatie, ratten opgesteld in een cirkel, hun staarten in het midden van de ring met elkaar verknoopt. Dus hier zijn de beesten naar toe verhuisd, is de eerste gedachte die opkomt. Hier, dat wil zeggen een ondergrondse ruimte in een pakhuis aan de rand van Basel. Het is een vraag die je je eigenlijk nooit stelt: wat gebeurt er met grote kunstobjecten en installaties na manifestaties als de Biennale of de Dokumenta? Soms vind je ze terug in musea, meer veel vaker verdwijnen ze uit het beeld, ontmanteld of opgeslagen bij de kunstenaar zelf – zeker nu het de laatste jaren gewoon is dat een kunstenaar groot werkt. Het idee dat ze bij een particuliere verzamelaar zijn ondergebracht, komt niet eens in je op.
    Het Schaulager is van een particuliere verzamelaar, de puissant rijke familie Hoffmann die elders in Basel het geld verdient met een imposante farmaceutische fabriek. Maja Hoffmann-Stehlin zette in 1933 een stichting op ter nagedachtenis aan haar echtgenoot Emanuel Hoffmann die bij een verkeersongeluk was omgekomen. Haar doel was ‘werk te verzamelen van kunstenaars die de blik gericht hebben op de toekomst en daarom in het hier en nu niet altijd begrepen worden’. De collectie hedendaagse kunst omvat inmiddels 650 werken van alle belangrijke internationale kunstenaars. Maar waar stal je die kunst als het om meer gaat dan een schilderij? Musea, zoals het Kunstmuseum Basel of het door de Hoffmanns zelf gebouwde Museum für Gegenwartskunst, hebben in de regel weinig ruimte voor installaties. Zo rees het plan om een Schaulager te stichten, de kruising tussen een depot (‘Lager’) en een museum. Openbaar is het niet: vijf maanden per jaar (vanaf 30 april) gaat het atrium open voor een gelegenheidsexpositie, die dit jaar gewijd is aan het fotografisch werk van Jeff Wall. Verder kunnen alleen groepen er met een gids in.
    We lopen door de eindeloze gangen van gladgestreken beton en slaan een etage over die nog leeg is en eruitziet als een parkeergarage. De conservator opent een deur, knipt de tl-verlichting aan, en zie daar: een hele zaal vol Julian Schnabel, reusachtige doeken met stevige verf waarin scherven zijn gedrukt. Als twee gangen verderop een deur wordt opengeschoven, treedt een installatie van Bruce Nauman in werking. Uiterst traag duiken mannenfiguren op vier wanden het water in. En zo gaat het maar door, de ene depotruimte met Joseph Beuys wisselt de andere af, met Ilya Kabakov. Thomas Ruff, Georg Baselitz, Anselm Kiefer, het houdt maar niet op. Waarom al die prachtkunst niet aan iedereen tonen?, vraag ik onze gids. Minzaam geeft hij antwoord: ‘Het is geen museum, zoals U ziet. De kunst hangt boven elkaar, wordt met andere kunst gecombineerd, waardoor je niet van een museale compositie of museaal concept kunt spreken. De belichting is zakelijk, meer niet.’ De opzet was dan ook geen nieuw museum te bouwen, maar een magazijn waar (video)installaties intact kunnen blijven, in ideaal geklimatiseerde omstandigheden, zonder daglicht. Daarnaast wordt er in Schaulager aan research en restauratie gedaan. Reusachtige hefplateaus en meterslange/hoge deuren zijn de voorzieningen om kunstwerken van formaat naar hun plaats te brengen. Rustplaats, ben je bijna geneigd te zeggen. Want Schaulager heeft oneerbiedig gezegd iets van een mausoleum voor de hedendaagse kunst.
    Voor de architectuur zijn Jacques Herzog en Pierre de Meuron verantwoordelijk die een bureau drijven in de Baselse binnenstad. Dat is een bijenkorf van jonge hippe architecten en stagiaires die in een kleine gemeenschap van herenhuizen ontspannen met elkaar overleggen – een laboratorium voor vindingen en vondsten, zoals Jacques Herzog wil. Herhaling is de dood in de pot, en architectuur is meer dan een gebouw alleen, dat is zo ongeveer de filosofie van het bureau. In de gang van een kantoor hangt een lamp in de vorm van een gevulde condoom, spermatozoide heet ie dan ook: de voorstudie naar een nieuwe verlichting voor Artemide.
    Zo experimenteel als opzet en functie van Schaulager zijn, zo vernieuwend is ook de architectuur. Het hart is nog betrekkelijk conventioneel, een veelhoekig atrium, het Schaulager-cafe daarentegen is met niets te vergelijken. Witte gewolkte wanden en plafonds waarin kopspiegellampen hangen geven de ruimte het aanzien van een vrolijk spelonk. Maar het verbluffendste is wel de buitenmuur van Schaulager. Daarvoor is puin, gravel en grint gebruikt dat uit de bouwplaats zelf is gedolven. De ramen zijn als het ware uit die meterdikke buur geboord, waardoor er rauwe horizontale openingen zijn ontstaan.
    Als ik later aan Herzog de vraag stel, hoe hij op het idee van die dikke huid komt, is zijn antwoord nuchter. ‘We zijn behoorlijk pragmatisch. Zo konden we het materiaal van de bouwplaats hergebruiken. En we hadden alle steun van de opdrachtgever. Als die een grens durft te overschrijden, gaan wij erin mee.’ Schaulager is dan ook weer een stap verder in de ontwikkeling van Herzog & De Meuron. Waren ze eerst zoals zoveel Zwitserse architecten aanhangers van het zuivere minimalisme omdat volgens Herzog niemand zich daar in een periode van postmodernisme en deconstructivisme mee bezig hield, tegenwoordig hebben ze alle dogma’s van zich afgeschud. Geen gebouw is hetzelfde. Dat was ook het aantrekkelijke aan het verzoek een Schaulager te ontwerpen. Iets dergelijks bestond er nog niet. Het was een kolfje naar de hand van Herzog die graag samenwerkt met beeldend kunstenaars, zoals Matthew Barney en Remy Zaugg. ‘Een tijd geleden vond ik dat kunstenaars zich meer vernieuwden dan architecten. Ze benutten hun vrijheid beter. Tegenwoordig is dat verschil minder groot, hoewel we nu weer samenwerken met de Chinese videokunstenaar Ai Weiwei. Die wisselwerking heeft een egoïstische grondslag. We hopen erop dat het onze architectuur zal beïnvloeden.’ Daarmee wijkt Herzog af van een andere beroemde Zwitser, Le Corbusier, die de kunst van de architectuur loskoppelde.
    De expressieve huid van een gebouw lijkt een rode draad in het werk. Ruw, zoals Schaulager, keien gevangen in een staalkorset, als bij de Dominus Winery in Napa, of glasglad, zoals veel kantoren van hen in en rond Basel. Tegen de dominantie van de gevel bestaan in Nederland enige bedenkingen. Daardoor lijkt het alsof de architectuur is teruggebracht tot plaatjesmakerij zonder inhoud. Herzog vindt die kritiek niet van toepassing op zijn gebouwen. ‘Ik weet dat architecten het interieur te veel uit handen geven aan commerciële ontwerpers of speciale bureaus. In dat geval hebben ze er zelf schuld aan als ze alleen nog de huid mogen ontwerpen. Voor ons vallen binnen en buiten samen. In Basel hebben we voor een flat uit de jaren zestig een losse glazen gevel gezet en de oude betonnen pui laten staan. Maar achter die pui zitten ook weer een nieuwe indeling. Dat is juist het verrassende.’ Het besluit over welk soort materiaal voor de buitenkant valt niet als laatste in het proces. ‘Het is net als met koken. Wanneer voeg je de kruiden toe, wanneer maak je de saus? Alles verloopt gelijktijdig, zo is het ook met ontwerpen.’
    Tate Modern bezorgde Herzog & De Meuron wereldfaam en een doorbraak in hun internationale carriere. Tot zijn eigen verbazing is het bezoek aan Tate na de verbouwing verdubbeld, zegt Herzog. Met enig cynisme. ‘Een trekpleister voor massatoerisme.’ Vervolgens regenden de opdrachten binnen voor musea in Milwaukee en San Francisco, maar ook voor een Prada flagshipstore in Tokio en niet te vergeten het Olympisch Stadion voor de Spelen van Peking. Extra large of small, het maakt Herzog niet uit, mits er maar ruimte blijft om te experimenteren. Grote opdrachten staan de innovatie niet in de weg. Integendeel. ‘Dat is het paradoxale, daardoor krijg je juist meer gelegenheid tot vernieuwing.’ Daarbij hoort de lancering van het parfum Rotterdam ter gelegenheid van de expositie in het NAi. De geur – gelimiteerde oplage – bestaat uit een melange van Rijnwater, hasj, hond, algen, bont en mandarijn – en zo worden een binnen- en buitenhaven met elkaar verbonden. ‘Het heeft me altijd verbaasd dat architecten geen geur ontwierpen, want als iets je herinnering stimuleert aan een omgeving, is het wel de geur. We gebruiken de neus veel te weinig. Via de reuk dringt een gebouw het sterkst bij een mens binnen.’
    Maar ook via de handen. De wanden van Schaulager nodigen uit tot aanraken om te inspecteren waaruit ze nu eigenlijk zijn opgebouwd. Tegenover die rauwe leemkleurige wand staat dan een strak gestuukte witte muur als contrast. Uit dat Schaulager is de expositie afkomstig die nu in verkleinde versie in Rotterdam is te zien. Ze wordt begeleid met een parfum. In Basel daarentegen spraken Herzog & De Meuron een ander zintuig aan: de smaak. Ze presenteerden er sugarpieces als kleine landschapjes, Ricola-snoepjes, waarvoor ze een fabriek over de grens in Frankrijk hadden ontworpen. Ogen, neus, tong en huid – alleen de oren zijn door de Baselse architecten nog niet gewassen. ‘Ik vaar liever op mijn instinct dan op mijn intellect’, heeft Herzog als motto. Dat levert tenminste onvoorspelbare architectuur op.