•  



    Een wereld vol verbeelding

    Over het schoolplein van de Paradijsvogel kronkelt een geelgroene buis. Hij begint keurig recht, maar schiet dan de lucht in en neemt de vorm van een basketball-korf aan, duikt omlaag en verandert in twee spiraalvormige zitelementen en zo gaat het verder: van stang naar bank, van bank naar pijp, naar voetbalgoal en klimrek om zich vervolgens door een buitenmuur heen te boren. Eenmaal binnen, in de aula van de school, dient de buis als gordijnstang maar ook als frame voor enkele krukjes. Zo moet er naar schatting een kilometer buis zijn gelast en gebogen, speciaal voor de Paradijsvogel.
    Het idee van de op hol geslagen buis ontleende het kunstenaarsduo KapteinRoodnat (Marleen Kaptein en Stijn Roodnat) aan een scène uit de film Mon Oncle van Jacques Tati, waarin een buizenfabrikant zijn producten presenteert aan belangstellenden. Dat gaat goed totdat een buis ‘wild wordt’ en allerlei vormen aanneemt. Bij de opening van het kunstproject toonde burgemeester Deetman van Den Haag zich zo enthousiast over het resultaat dat hij in de huid van de buizenfabrikant uit de film kroop. Maar ja, Deetman bekende dan ook een Tati-liefhebber te zijn.
    De op hol geslagen buis voor de Paradijsvogel is een van de voorlopig zestien kunstprojecten voor scholen in de gemeente Den Haag die de afgelopen twee jaar zijn gerealiseerd. In de tweede fase volgen er nog een twintigtal, waarmee alle nieuwe of gerenoveerde scholen kunnen pronken met een eigen kunstwerk, dat kan variëren van een beeld tot een fotocollage, van een audiovisueel ‘magazine’ tot een hekwerk.

    prikkelend

    Het initiatief en resultaat mogen opmerkelijk genoemd worden; want buiten Den Haag is er geen gemeente die een deel van het bouwbudget reserveert voor kunst. En dat is jammer want het is een voor de hand liggende manier om kinderen die dat van huis uit niet zo gewend zijn, te laten kennis maken met kunst. Dat het ook de tongen losmaakte, ondervond Gijs Assmann op de J.C. Pleysierschool, een lagere- en middelbare school die deel uitmaakt van de Psychiatrische Instelling De Jutter. Omdat het werk voor de Adhd’ers niet te prikkelend mocht zijn maar anderzijds voor de autistische kinderen weer genoeg stimulans moest veroorzaken, organiseerde Assmann een workshop op de school om de grenzen van de mogelijkheden te verkennen. Dit leidde tot gedurfde keramische beelden To go up and down waarbij Assmann beeld met landschap liet vervloeien. In het bijbehorende boekje toonde Assmann zijn inspiratiebronnen die liggen in erotische of macabere beelden. Een Roodkapje bijvoorbeeld dat veel minder onschuldig lijkt dan het sprookje ons wil doen geloven. De angst dat kinderen hier slecht op zouden reageren, bleek niet bewaarheid. Integendeel, het sprak hen zeer aan en leidde tot discussies toen de kunstenaar zijn project aan de hand van dia’s kwam toelichten.
    In eerste instantie staat voor Corinne Groot die in opdracht van Stroom de kunst op scholen begeleidt, de kwaliteit van de kunstwerken voorop. Naast de educatieve aspecten vormen de kunstwerken ook een bijdrage aan de openbare ruimte– want de school houdt nu eenmaal niet op bij het hek van het plein. Een hele buurt kan ‘meegenieten’ van een beeld, zoals het geval is met de reusachtige jas met visgraatmotief waaruit allemaal kleurrijke kinderhoofdjes steken (en onder even zoveel kinderbeentjes). Deze keramische figuur van Paul de Reus, voortgekomen uit een kinderboek dat hij voor de uitgeverij Van Waveren maakte, is in al zijn vrolijkheid een traktatie voor de saaie straat waarin de school De Jonge Wereld staat.
    In het proces dat moet leiden tot een kunstwerk, benadert Groot de school liefst in een fase dat het architectonisch ontwerp grotendeels vast staat. Het gebouw is het uitgangspunt en dat is bij scholen lang niet zo gemakkelijk. Goed beschouwd zijn niet veel ruimtes geschikt voor de plaatsing van een sculptuur, waardoor de kunstenaar wel moet uitwijken naar het schoolplein of de aula. De ene architect toont zich ook bereidwilliger dan de andere omdat kunst wel eens gezien wordt als inbreuk op de ruimtelijke kwaliteit.
    Alle disciplines kunnen, alle uitingen ook, met uitzondering van sex en geweld. Om te voorkomen dat het kunstwerk uiteindelijk niet wordt geaccepteerd, gaat Groot als adviseur het overleg aan met een speciaal geformeerde kunstcommissie bestaande uit een kleine groep vertegenwoordigers van de school ( directie-leden, docenten, leden van de 0.R, bij middelbare scholen soms leerlingen ) en de architect. Dat verloopt de ene keer makkelijker dan de andere. De kunstcommissie van de Shri Vishnu-school, een hindoe-school aan de van Beyerenstraat, ontworpen door Ashok Bhalotra, gaf te kennen bij voorkeur een traditioneel religieus beeld te willen. Groot wist als alternatief de kunstenaar Hans van Bentem voor te stellen, wiens werk dankzij uitbundige en kleurrijke aspecten vermoedelijk wel in de smaak zouden vallen bij de gebruikers. Dat klopte. Van Bentem verbeeldde de tien incarnaties van Vishnu op een uiterst inventieve en gevarieerde manier. De school veranderde in een Grande Parade die leidt langs een everzwijn met de wereld tussen zijn slagtanden, een half mens/half leeuw die in neon gaat schijnen als je hem passeert of de jonge Krishna als verleider. Scholieren werpen hem een kushandje toe in het voorbijgaan.
    Van Bentems ontdekkingsreis door het verhaal van Vishnu leverde keramische beelden op (gemaakt in Nederland), maar ook kristallen lampen uit Tsjechië en aluminium en bronzen beelden uit India. Uit een klein houten kistje springt een opgeblazen blauwe reus te voorschijn, zodra het deksel wordt geopend: zo is verbeeld hoe een dwerg plotseling in een reus kan veranderen. Uit niets blijkt meer hoe moeizaam het proces was. Integendeel. Eindelijk kunst voor ons geloof, sprak een leerlinge, trots hoe hun school was verrijkt.
    Opvallend aan het project kunst op scholen is dat de uitgevoerde kunstwerken niet kinderachtig zijn, geen poging doen op de hurken te gaan zitten. Het hekwerk van de Haagse kunstenaar Rachel Bacon kent bijvoorbeeld een universele boodschap. In het grillige patroon van de smeedijzeren spijlen zijn de contouren van landen te herkennen waarmee Bacon wil aangeven hoe de politieke grenzen in de wereld lopen – en hoe territoria gescheiden maar ook verbonden kunnen worden. Atlas 2004 laat de paradoxale eigenschap van geografische grenzen zien, soms bepaald door de ligging maar soms ook door afspraken – in die zin zet het hekwerk aan tot denken.
    Toch ontkomt kunst op scholen er niet aan rekening te houden met de gebruikers. De modulaire objecten van Claus Wiersma en Guido Marsille zijn afgestemd op de zeer moeilijk opvoedbare kinderen die op de Pleysierschool aan de Heilbronstraat verblijven. In hun vroegere school hadden de leerlingen zelf hun eigen plekken geschapen, met enorme asbakken bij de entree waaromheen het prettig ‘hangen’ was of met een spontane werkplaats waar ze konden sleutelen aan een auto. Dat informele karakter hebben de kunstenaars opgepakt in de vorm van stoere, verplaatsbare zit- en hangmeubelstukken, die uitnodigen tot allerlei soort performances: een modeshow, een rommelmarkt, een tribune of als ding waarin gekerfd of op gekliederd mag worden. Ook dat kan de betekenis van kunst zijn, dat het geen autonome en passieve schilderijen zijn, maar dat het de gebruikers inspireert en stimuleert. Op de Paschalisschool heeft Jeroen Allart zo een lichtbak achtergelaten met een keur aan (lichtdoorlatende) afbeeldingen waarmee de leerlingen combinaties kunnen vormen. Dat nu eens het voetbal de overhand heeft en daarna weer eens het dier – dat is inherent aan de regie die aan de leerlingen (en docenten) zelf wordt overgelaten.
    Natuurlijk moet de kunst tegen een stootje kunnen, en dat is ook de boodschap die aan de kunstenaar wordt meegegeven. Compromissen lijken niet te hoeven worden gesloten, met als gevolg dat het plichtmatige beeld ontbreekt. Elke kunstenaar heeft zijn eigen idioom ingebracht, maar dan wel zo dat het past bij het gebouw. Robert Zandvliet, die voor het eerst in zijn loopbaan een opdracht kreeg, freesde de deuren van de lockers in het Lyceum Ypenburg in de voor hem kenmerkende stijl: een fel aangezet landschap met snelwegen en racebanen dat op verschillende etages van de school doorloopt, te vergelijken met een bas-reliëf in een Egyptische tempel. Imposant en nimmer in een oogopslag waarneembaar.
    Controverses zijn evenmin gemeden. Zoals Assmann de onderhuidse menselijke driften in een boekje naar voren haalde (maar dan wel eerst verstopt achter een ‘klapdeurtje’), zo stelden Hewald Jongenelis en Sylvie Zijlmans een fotocollectie samen van de leerlingen van De Vuurtoren in Scheveningen. Jongenelis en Zijlmans fotografeerden de leerlingen staand en knielend en monteerden op grond daarvan teams met onderscheidende uiterlijke kenmerken, zoals haardracht, huidskleur, houding en vorm van de mond. Achterliggende gedachte is dat een school nu eenmaal wordt beheerst door groepsvorming maar ook uitsluiting. Daarbij werd op voorhand rekening gehouden met commentaar van de ouders – hoe zouden zij reageren op zo’n rubricering met een fysieke grondslag?
    Het fotowerk werd gecombineerd met een monumentale prijzenkast waarop een blozend mannetje troont, terwijl de gefotografeerde teams terug te vinden zijn in het trappenhuis en de gymzaal.
    Zoals befaamde architecten zich uitgeleefd hebben op de scholen (DP6, Vera Yanovsthchinsky, Marlies Rohmer, Jeroen Geurst en Ashok Bhalotra om enkele te noemen), zo hebben zestien kunstenaars hun stempel gedrukt op het interieur en het schoolplein. Het resultaat is dat geen een school hetzelfde is, dat elk gebouw een eigen identiteit heeft gekregen dankzij een toegevoegd element dat meer is dan een kleurrijk beeld. Het draagt bij aan de trots van de leerling op zijn school. Babette Wagenvoort die voor De Buutplaats spreekwoorden verzamelde en daarop associeerde met een cartoon-achtige tekening, wist een schatkist aan creatieve teksten aan te boren. Daaronder was ook deze: ‘Leerlingen openen de deur, maar je moet zelf naar binnen gaan.’ Om je binnen te laten betoveren door een nieuwe wereld.