• Gouden Piramide 2006

    De klant is koning, ook voor de architect

    31-10-2006 / Prullenbak

  •  

    Is de Nederlandse architectuur in afwachting van betere tijden of beleeft ze misschien een nieuw hoogtepunt? Dat is de klemmende vraag die aan de orde komt bij de tweede editie van de rijksprijs De Gouden Piramide die in het teken staat van de architectuur. In de jaren hiervoor werden het meso- en macroniveau in the spotlight geplaatst. Er is alle reden voor om de stand van de Nederlandse architectuur tegen het licht te houden omdat er vanuit verschillende hoeken wordt gezegd dat het feest voorbij is, dat een economische crisis en de christelijk-liberale regering van de laatste jaren de angel uit de creativiteit hebben gehaald. Dat feest betreft dan het glorieuze fin-de-siècle van de 20e eeuw dat zulke getalenteerde bureaus en ontwerpers op het toneel heeft gebracht als Rem Koolhaas (OMA), MVRDV, Mecanoo (en alle afsplitsingen daarvan), Benthem Crouwel, UN Studio (Ben van Berkel en Caroline Bos) en Jo Coenen. De lijst kan naar willekeur worden uitgebreid met een dozijn meer talenten.
    Het is niet zo moeilijk aan te geven waarom het talent zo tot bloei heeft kunnen komen. Natuurlijk, er was geld, en er waren ook opdrachtgevers die bereid waren hun budget in goede gebouwen te steken, maar er bestond ook behoefte aan een kentering in het soort architectuur. Te lang dicteerde het modernisme en wel in schrale variant het Nederlandse landschap. Het leek erop alsof er in betrekkelijk korte tijd moest worden afgerekend met een ‘staatsarchitectuur’: tegelijk met het vallen van de Muur ging er in Nederland een creatieve scheidingswand omlaag. Bijna vanuit het niets kwam het idee op om particulieren meer vrijheid te gunnen bij de bouw van hun villa’s – en het wilde wonen was een feit.
    De bloei uit de jaren negentig werd aangewakkerd door rijksinitiatieven zoals de stichting van het Nederlands Architectuurinstituut en daaraan gelieerde instellingen – en door de internationalisering van de disciplines. Plotseling werden Nederlandse architecten gevraagd voor opdrachten in Duitsland en Hongarije, in China en Portugal, en omgekeerd gingen de grenzen open voor het buitenlandse talent. Dat heeft Nederland geweten. Dankzij veel buitenlandse architecten ontstonden er ineens folkloristisch getinte nieuwbouwwijken (Brandevoort bij Helmond en Broekerpolder bij Heemskerk) en semi-pittoreske ingrepen in de binnensteden van Den Haag en Groningen. Alsof Italiaanse, Duitse en Amerikaanse architecten Nederland een spiegel voorhielden van onze eigen geschiedenis met de boodschap: ‘kijk eens wat jullie verleerd hebben en wat er nog steeds kan.’
    Opvallend aan de artistieke bloei van de jaren negentig is de grote verscheidenheid. Anything goes, en daarbij was de sky ook nog eens the limit. Geen stijl was dominant, hoewel het deconstructivisme en postmodernisme even een poging daartoe waagden. Stijlloos zou daarom eerder het etiket kunnen zijn. Hoewel het tijdperk nog maar kort achter ons ligt, laat het zich bekijken en beoordelen als een ongehoord rijk decennium waarin bijzondere en niet uitwisselbare gebouwen tot realisatie werden gebracht. Nederland ontpopte zich daardoor tot een pelgrimsoord voor (buitenlandse) studenten en architectuurtoeristen die zelf wilden waarnemen hoe de Villa VPRO eruit zag, of het Educatorium op de Uithof (trouwens de hele Uithof), het Ceramique-terrein in Maastricht en het Groninger Museum, of anders wel het laboratorium dat Rotterdam van zichzelf heeft gemaakt. Interessant was dat de architectuur zich niet gedroeg als een stand-alone discipline maar liaisons aanknoopte met landschapsarchitectuur, design, film en zelfs mode. Dat maakte de rijkdom nog breder en diepgaander dan we ooit waren gewend.

    Geen ego’s
    Is het allemaal voorbij? Moeten we de rekening opmaken en concluderen dat het saldo ontoereikend is in 2006, dat de kansen verkeken zijn voor nieuwe talenten en dat er misschien geen uitdagingen meer zijn? Wie de nominaties voor de Gouden Piramide overziet, kan daaruit deze klip-en-klare conclusie niet direct trekken. Zeker is dat de Mona Lisa’s en de Nachtwachten ontbreken, de geheide en onbetwiste topstukken, maar betekent dat ook dat we in een guur klimaat verkeren? Laten we daar alvast als antwoord op geven dat de architectuur zich de nuance heeft aangemeten, waarbij het niet langer gaat om eyecatching en egotripperij maar juist om dienstbaarheid aan het verleden en de context. Dat is geen aantrekkelijk werkterrein voor iemand als Rem Koolhaas. Die ontbreekt dan ook in de lijst van genomineerden. Het is al evenmin een uitdaging voor stars met een neiging tot ijdeltuiterij, reden waarom ook Erick van Egeraat niet in de lijst voorkomt. De Gouden Piramide 2006 staat, met andere woorden, in het teken van de nederigheid, van de architectuur die zijn voeten weer op de aarde heeft geplant en zich heeft begeven in het misschien niet zo poëtische maar wel realistische spel van vraag-en-aanbod. Wat wil de klant en hoe daarop te reageren? Dat is een terugkerend element in de gerealiseerde opdrachten. Deze houding is te vergelijken met andere tendensen in de samenleving. Zoals de politiek zich meer gelegen wil laten liggen aan de burger in de post-Fortuynachtige verhoudingen, zo richten managers met hun servant leadership zich op de behoeften van de afnemers en zo houden ook supermarktconcerns meer rekening met hun consument. Want die klant is kritischer en mondiger geworden.

    Wild en semi-wild
    In zekere zin is dat een verheugende ontwikkeling want dat impliceert dat architecten weliswaar nog steeds hun Ding willen doen, maar niet zo ver meer voor de troepen uitlopen. Of kunnen uitlopen. Ze hebben in de jaren negentig mogen vlammen en gloriëren, nu dienen ze onder ogen te zien dat burgers (ander vreselijk woord: de woonconsument) zich eveneens hebben geëmancipeerd. Die heeft ontdekt dat hij eisen kan stellen omdat hij een eigen smaak heeft ontwikkeld. Een van de sprekendste inzendingen voor de Gouden Piramide betreft dan ook een modern woonhuis in het Groningse Adorp waarvan de bewoners zeggen dat ze belangstelling hebben gekregen voor architectuur en daarvoor de nodige verkenningen hebben ondernomen. Die hebben geleid tot een kubistisch object met veel glas en staal in het platte Groningse land, weliswaar pal aan de spoorlijn Groningen-Delfzijl, geluidsoverlast dat ze voor lief hebben genomen. Wat ze vermoedelijk nog meer hebben moeten slikken is dat voor de buren het gordijn van de nieuwe tijd nog niet is opengeschoven. Die wonen in (catalogus)woningen met mansardekappen, replica’s uit de jaren twintig en dertig. Holland op zijn smalst.
    Er valt dus nog een wereld te winnen. Of is die al gewonnen? De architectuur heeft zich zo’n solide positie verworven dat kwaliteit gemeengoed is geworden en dat het peil over een breed vlak is verhoogd, concludeerde ex-rijksbouwmeester Wytze Patijn bij zijn vertrek in 2000. De piramidale opbouw van de architectuur is geleidelijk aan uitgedijd tot een breed, plat vlak met een veelheid van talenten, stromingen en stijlen. Die tendens is ook waar te nemen bij de editie van de Gouden Piramide 2006. Over een breed terrein hebben opdrachtgevers, architecten en aannemers hun beste beentje voorgezet, van renovatie en herstructurering tot volkshuisvesting en eigen woningbouw. Er is een handvol theaters en concertzalen gebouwd, Orpheus Apeldoorn, de Toneelschuur Haarlem, de Spiegel in Zwolle en het Muziekgebouw aan het IJ Amsterdam, en minstens zoveel scholen, van Goirle, Almelo tot Rotterdam. Het architectuurlandschap is gevarieerd, verrassend, alleen…..waar is dat ene hoogtepunt, of wat is de alleroverheersende koers waarin de Nederlandse architectuur zich beweegt?

    Retro?
    Terwijl de jury voor het Architectuur Jaarboek jaarlijks op eigen gezag een selectie maakt van de oogst, is de Gouden Piramide een weerspiegeling van de smaak van de opdrachtgevers. Er staan dus twee opvattingen tegenover elkaar; om het even scherp te stellen die van de ‘deskundigen’ en die ‘van de basis’. Dat ze van elkaar afwijken ligt voor de hand, maar toch hebben ze een aspect gemeen. Kennelijk hechten ze beide geen waarde aan de retro-beweging in de Nederlandse architectuur. Die wordt wel gesignaleerd maar niet passend genoeg bevonden om in te zenden voor de Gouden Piramide. Dus ontbreken zogenaamde jaren dertig-woningen, Frank Lloyd Wright-replica’s, nagebootste grachtenhuizen, fort-imitaties en wat er niet allemaal op het Nederlandse platteland is verrezen. Wie eerlijk is, moet toegeven dat de Gouden Piramide in dat opzicht geen representatief beeld geeft, omdat Haverley, Brandevoort, de kade van Doesburg, de Laak in Vathorst, de Parade in Nootdorp of het Horapark in Ede niet voorkomen bij de piramide-gegadigden. Komt dat voort uit een voorgevoel dat de deskundigen dergelijke projecten toch niet serieus nemen? Of is het misschien het tegenovergestelde, een houding die als volgt valt samen te vatten: ‘we worden op waarde geschat door de opdrachtgever en de consument, maar we hebben deze erkenning niet eens nodig’. De enige retro-voorbeelden (of althans wat daar voor moet doorgaan) betreffen het Centre Court in Den Haag, het Olympisch Kwartier in Amsterdam en het Van Gogh-kwartier, een herbouwde wijk in Dordrecht.
    Als de nostalgie-architectuur een duidelijke stroming in de architectuur van dit moment is – ook al ontbreekt zij bij de selectie –, wat zijn dan de andere significante richtingen? Er zijn er drie, die ik als volgt zou willen rubriceren:
    1. Kousevoeten-architectuur
    2. Het brutalisme
    3. Het folklorisme.

    Kousevoeten-architectuur is de samenvatting van een breed scala aan ontwerpers die zich bewegen op het terrein van de herstructurering, renovatie, stedelijke invulling en uitbreidingen of metamorfoses van bestaande complexen. Het is veruit de belangrijkste opgave in deze tijd nu gemeenten en ontwikkelaars steeds meer oog krijgen voor de mogelijkheden van de bestaande voorraad. Omdat slopen vaak te kostbaar is, besluiten corporaties (bijvoorbeeld) de jaren zestig-flats uit te breiden met glazen vliesgevels, er een extra laag toe te voegen (voor penthouses) of appartementen aan elkaar te koppelen. De herstructurering heeft net zo’n omvang als de stadsvernieuwing uit de jaren tachtig en is waarschijnlijk nog ingrijpender van aard, omdat hele stukken stad uit de jaren vijftig, zestig en zeventig worden ingewisseld voor nieuwbouw die beter aansluit op de behoeften van de moderne mens. Maar dat niet alleen; er schuilt ook een onmiskenbare drang tot sturing van de samenleving in: zo hopen corporaties en gemeenten de eenzijdige demografische samenstelling van de wijk te doorbreken. Om de breuk met het verleden niet te schril te laten zijn, zijn de ingrepen soms voorzichtig. De honingraatflat Florijn in de Bijlmer werd voorzien van aanbouwsels op het maaiveld die de plint vriendelijker maken: kousevoeten-architectuur om het zo maar eens te typeren.
    Gemeenschappelijke deler is het respect voor het bestaande: architecten in dit genre gehoorzamen aan de stedelijke setting waarin het gebouw staan, hoeven niet zo nodig hun eigen ei te leggen en zijn zeer bekwaam in het scheppen van ruimtes. Want de herstructurering en renovatie omvatten meer dan de upgrading van galerijflats. Hieronder valt ook de ondergrondse hogeschool voor de kunsten, Artez, van Hubert-Jan Henket in Arnhem, en de vorming van het stadskantoor in Den Bosch door Dirk-Jan Postel die enkele historische panden heeft samengevoegd en verbonden door een imposant atrium. Ruimte afdwingen op plaatsen waar dat soms moeilijk is, is hun verdienste, bescheidenheid is een andere troef. Want alleen mensen met een geoefend oog kunnen waarnemen waar de gedaanteverwisseling in Vreewijk van Granpré Molière in Rotterdam heeft plaatsgevonden. Meer dakkapellen, om een detail te noemen. Het object zelf is leading, de architect is volgend en niet zelden zegt hij dan ook ‘luister naar het gebouw’. Op deze manier is toegewerkt naar een herbestemming en herindeling van industriële complexen als de Mediacentrale in Groningen of pakhuis De Zwijger in Amsterdam.
    Architecten die zich met deze opgaven bezig houden, spelen zich gewoonlijk niet in de kijker; het lijkt er eerder op dat ze zich een sociale opdracht hebben eigen gemaakt en anders wel een schakel willen zijn in de historie. Ze zetten de lijn voort door hun architectuur te laten vervloeien met heden en verleden. Een van de grootste opgaven van de afgelopen jaren en tegelijk een van onzichtbaarste heeft zich voltrokken in Den Haag, waar Niek van Vugt het Shell-complex aan de C. van Bijlandtlaan door ondergrondse verbindingen, parkeergarages en atriums tot een geheel heeft gesmeed: een operatie zonder weerga maar vreemd genoeg verstoken van enige ruchtbaarheid. Het is tekenend voor het ontwerpklimaat in deze tijd dat zo’n betekenisvol project zo’n low profile geniet.
    Hoe anders is dat met de brutalisten, die de neiging hebben een statement neer te zetten, waar je niet omheen kunt. De gebouwen staan op strategische plaatsen en dingen mee naar het predikaat icoon. Begin 2000 was het eerste gebouw-icoon het ING-House van Meyer en Van Schooten langs de A10 in Amsterdam, daarvoor de Erasmusbrug van Ben van Berkel in Rotterdam. Wat zijn de iconen van 2006? Onmiskenbaar is dat het Scheepvaart- en Transportcollege van Neutelings Riedijk aan de Mullerpier in Rotterdam, een toren die zich als een periscoop boven het maaiveld verheft en die als uitkijkpost zich zo draait naar de rivier dat de toekomstige stuurlieden het beste zicht vanaf de wal hebben. De periscoop, of de uitkragende/uitstekende of gedraaide top, is sowieso een item voor de brutalisten, een gadget dat we tegenkomen in het Bouwhuis van Klunder in Zoetermeer, in het Torentje van DAAD aan het gedempte Zuiderdiep in Groningen maar ook in de torens van het stadshart Almere. Alsof de architect wil zeggen dat je niet alleen het maaiveld moet bezetten maar ook het panorama moet veroveren. Als televisieschermen richten deze glazen topetages zich naar de buitenwereld.
    Onmiskenbaar brutalistisch is het karakter van het stadshart van Almere dat zich in de vorm van een heuvel boven het platte polderland verheft. Letterlijk brutalistisch is het gebruik van een gepigmenteerde betonnen gevel waarin reliëfs voorkomen – het suggereert rotsachtigheid en ouderdom en dat nota bene in de nieuwste stad van Nederland. Alsof er schilderijen van Tapiès zijn verwerkt tot gevelpanelen. De provocatie vervolgt haar tournee aan de waterkant waar elk object aandacht vraagt, of liever gezegd schreeuwt, de grijs-gewelfde Wave van Rob van Zuuk en de klomp van William Alsop in het bijzonder. Hier wordt een symfonie ten gehore gebracht met louter solopartijen. Hoewel veel terughoudender van vorm en expressie hoort ook het Muziekgebouw aan het IJ thuis in deze categorie, omdat het gebouw zich niet laat wegcijferen aan de waterkant dankzij zijn enorme volume en ver uitstekende luifel. Zeker gezien vanaf de pont over het IJ is het Muziekgebouw van Kim Nielsen niet te missen. Maar brutalisme is niet voorbehouden aan grootschaligheid: een van de interessantste inzendingen voor de Gouden Piramide is een jongerencentrum in het landelijke Wijk en Aalburg waar de architect de lawaai-zaal heeft verpakt in een brute gevel van rauw gemetselde stenen. Goed beschouwd is deze interne hangplek niet meer dan een doos maar wel een doos die je niet over het hoofd kunt zien, zo expressief is de uitstraling.
    Tegenover de brutalisten staan de folkloristen. Think global, act local is hun motto en hun religie begint zich geleidelijk aan te verspreiden over het land, om te beginnen op het platteland. Uitgangspunt is de (boeren)schuur die allerlei herinterpretaties krijgt, voornamelijk in hout, zoals blijkt uit een ontwerp van Bjarne Mastenbroek voor de Wolzak-boerderij in Gorssel. De oude deel is getransformeerd tot een woonkamer maar met behoud van het voormalige silhouet, alleen onmiskenbaar modern door het gebruik van houten lamellen.
    Folklore-architectuur heet in het Engels vernacular: architecten als Alvar Aalto en Frank Lloyd Wright hebben er naam mee gemaakt. Ze hebben de geest van de plek geanalyseerd en daarop hun gebouwen aangepast. Wat zijn de klimatologische omstandigheden, wat is de ligging? Merkwaardig genoeg was dat in de Nederlandse architectuur een non-item, een blinde vlek, die de afgelopen jaren wordt ingevuld. Architectuur die zich aanpast aan het landschap, en dat zijn in Nederland rivieren, duinen, weilanden, veengronden en uiterwaarden. Omdat dat landschap niet zo spectaculair is als de Finse bossen of de Amerikaanse canyons, leek het lastig om daar een specifiek gebouwtype voor te bedenken, en toch blijkt dat er te zijn: in de vorm van dijkwoningen, modernistische villa’s in de uiterwaarden, follies die zich hebben ingegraven in een bos bij Breda of een vakantiewoning in de duinen. In materiaalgebruik en in verschijningsvorm hebben ze een kameleontisch karakter, want ze vervloeien met het landschap, zoals de kousenvoeten-architecten zich verzoenen met het verleden.

    Conclusie
    De Nederlandse architectuur vertoont een januskop, zoals ze naar het verleden en naar de toekomst is gericht. Het tekort aan bouwterreinen in en bij de binnensteden dwingt ontwikkelaars ertoe de bestaande voorraad kritisch te bekijken en te hergebruiken. De Haagse Spoorwijk werd nota bene herbouwd met het bestaande bouwmateriaal, zodat er een nieuw/oud beeld ontstond, de erfenis van Berlage. Afgedankte rangeer- en fabrieksterreinen en havengebieden lijken ten prooi aan een nieuwe bestemming, van het Arnhemse Coberco-terrein (langs de Rijn) tot de Houthavens in Amsterdam. Nog meer dan nu zal de Gouden Piramide voor architectuur in 2009 in het teken staan van hergebruik en vindingrijkheid. Ja, het is afgelopen met de uitspattingen. Als het feest voorbij is, betreft het de eigenzinnige architectuur van motorduivels met een houding ‘kijk eens, ik stuur zonder handen’. De gebruiker/consument/klant laat steeds vaker merken dat hij niet meer wil wonen of werken in moeilijk indeelbare, privacy schendende of lawaaierige omgevingen.
    De architect is weer terug bij de taak die hij van oudsher had, die van een dienend beroepsbeoefenaar. De vrije kunstenaar die hij even dacht te zijn, is weer in zijn hok gestopt. Dat is jammer, want het heeft de Nederlandse architectuur wereldfaam bezorgd. Wat er desondanks overblijft is een gevarieerd veld met gebouwen die nog steeds een sculpturale kwaliteit hebben maar zonder de bravoure van 1994. Het is een nieuwe nuchterheid die de toon zet in 2006 en dat moet ook wel, omdat de opgaven dat afdwingen. Wat is het antwoord op de vergrijzing, in welke omgeving bieden we verzorging aan? Dat zijn actuele thema’s waarop de architectuur ook moet reageren. En getuige een aantal inzendingen gebeurt dat ook.
    In dat licht bekeken kun je concluderen dat elke tijd de architectuur krijgt die het verdient. Als we toe zijn aan een reshuffling van ons verleden om de zorgen van morgen het hoofd te kunnen bieden, is dat de uitdaging voor de architecten van nu. Geen bescheiden opgave.