het Entrepotdok
Hoe een no go-area veranderde in een levendige woonwijk
10-06-2005 / boeken
Luister naar het monument ..
Reis door de Nederlanden
Krap vijftien minuten duurt het om een reis door de Nederlanden te maken, een reis die voert van Goes naar Meppel, van Monnickendam naar Cortrijk en van Doornik naar Maastricht. Die tocht gaat over kasseien en straatklinkers, over betontegels en glasstenen, door binnenhoven, stegen en over de kade en dat alles op een eiland in Amsterdam. Beter gezegd, een schiereiland, want het Entrepotdok is via bruggen verbonden met de Plantage in het zuiden, Wittenburg in het noorden en de Nieuwe Herengracht in het westen. De Noord-Nederlandse reis is virtueel, want ontleend aan de namen op pakhuizen. Sommige zijn getooid met een gloednieuw naambordje zoals s-Gravenhage, een ander roest weg tegen het eeuwenoude baksteen, zoals Leiden en Bergen op Zoom.
Het is moeilijk voor te stellen dat dit gebied tot halverwege de jaren zeventig van de 20e eeuw een no go-area in Amsterdam was, een enclave waar gewone burgers weinig te zoeken hadden. Het Entrepotdok was als enclave voor de inklaring van goederen buiten gebruik geraakt en toch was het terrein met de pakhuizen in die tijd nauwelijks openbaar toegankelijk. Hellebaardiers hielden tot in de jaren zestig van de 20e eeuw in het poortgebouw aan het Kadijksplein ongewenst volk op afstand. Een muur scheidde het Entrepot van de Hoogte Kadijk en er was geen oeververbinding met de Plantage. Het Entrepotdok leek een bijna onneembare vesting.
Sommige pakhuizen zoals dat van Delftshaven waren door brand vervallen geraakt, andere leden een kommervol bestaan door achterstallig onderhoud. Helemaal nutteloos waren de pakhuizen ook niet, in een enkele lag een partij wijn opgeslagen (zowel Woorts als Wijnand Fockink huurden er ruimtes) en in een ander meubilair. En helemaal verboden was het terrein ook weer niet: tot aan de grote restauratie en herontwikkeling was de jazzclub Joseph Lamm een attractie in een van de pakhuizen, een duister bijna labyrintische club waar je door de rookwolken heen bands kon zien optreden.
Gezelligheidsdieren
Hoe de situatie in 25 jaar kan veranderen. Over de Nijlpaardenbrug pendelen dagelijks honderden fietsers en voetgangers heen en weer. Op het terras van brasserie Kromhout nestelen zich in de zomer vrijbuiters en gezelligheidsdieren. Eetcafé Entredok lokt bezoekers met tapas.
De souterrains zijn veranderd in een gonzende bijenkorf. Grafisch ontwerpers, reclame- en adviesbureaus, ICT-bedrijfjes, de Italiaanse boekhandel, een makelaar alles en iedereen heeft de weg naar het Entrepotdok gevonden. Boven deze bedrijven en ateliers staan de Franse balkons soms half open en horen we flarden jazz of hiphop uit woningen komen, waar eerst graan, tabak en okshoofden met wijn werden opgeslagen. Als je goed kijkt, kun je een stukje van de inrichting van de woningen zien. Je vangt een glimp op van een wit bankstel, een kinderbox voor het raam of je ziet de verlichting branden. Het laatste is soms noodzakelijk om licht in het duister van sommige appartementen te brengen.
Zo diep waren de magazijnen op zijn diepst 42 meter zoals het rijtje tussen Leiden en Lemmer - dat ze doorliepen van kade naar Laagte Kadijk. Om ze bruikbaar en bewoonbaar te maken besloot architectenbureau A. en J. van Stigt, in opdracht van de toenmalige woningbouwvereniging De Dageraad, rond 1980 tot een inventieve ingreep. Het middenrif werd opengelegd uitkernen was de term daarvoor waardoor er een serie van intieme binnenhoven ontstonden, die voldoende licht in de woningen binnenloodsten. Dat uitkernen had nog een belangrijk voordeel. De balken en vloerdelen die door het uitkernen overbleven, konden later in de appartementen opnieuw worden gebruikt ter vervanging van de rotte strijkbalken die pal achter de pui liggen. Onder de nieuw gecreëerde binnenhoven kregen autos en bedrijfjes een plaats.
Gestoffeerd
De binnentuinen, aangelegd op een betondek ter hoogte van de eerste verdieping, hebben na 25 jaar een persoonlijk tintje gekregen. Bewoners hebben terrassen ingericht, ze gestoffeerd met plantenbakken en tuinmeubilair, waardoor het hart van het Entrepotdok een eigentijds gezicht heeft gekregen. Er hangt de weldadige rust die we van begijnhoven kennen. Elke associatie met muffe opslagplaatsen is verdreven door moderne balkons en glazen trappenhuizen. Nieuw zijn de tussenbeuken, dwarsverbindingen tussen de zuid- en noordkant van de opslagplaatsen. Hierin bevinden zich de op- en toegangen naar de appartementen een listige oplossing omdat zo kostbare galerijen voorkomen konden worden, die ook nog eens licht uit de woningen hadden weggenomen.
De buitenschil daarentegen is een en al historie, ook al zijn de boogvormige houten luiken vervangen door de Franse balkons en glas (aan de kade). De appartementen aan de Laagte Kadijk (de noordkant) zijn verzekerd van meer lichtval dankzij driehoekige erkers. Een pakhuis had immers een ander doel dan om mensen te huisvesten. Lage verdiepingen waren een doelmatig middel om zo veel mogelijk goederen op te slaan. Bovendien was zo min mogelijk daglicht de beste conditie om bederfelijke waar op te slaan. Voor de ventilatie dienden de kleine ramen aan de Laagte Kadijk.
Via kleine trappen aan de zijkant waren de verdiepingen vroeger bereikbaar niet bepaald comfortabele routes voor bewoners. Maar de meeste pakhuizen beschikten over een eigenaardig systeem van inpandige trappen, een steile opgaande aan de linkerkant, een luie dalende trap aan de rechterkant. Het middendeel was gereserveerd voor het transport per hijswiel, en de opslagzolders erachter.
Scheepstimmerwerven
De geschiedenis van het Entrepotdok gaat terug naar een besluit van de Vroedschap (het toenmalige gemeentebestuur) om op 1.657 percelen ten noorden van de Nieuwe Vaart te bestemmen tot scheepstimmerwerven. Later zou de Nieuwe Vaart van naam veranderen in Nieuwe Rapenburgergracht en daarna in Entrepotdok. Amsterdam bloeide economisch en barstte letterlijk en figuurlijk uit zijn grachtengordel. De eilanden Kattenburg en Wittenburg vulden zich vanaf 1661 met woningen, maar ook met lijnbanen, kuiperijen en mastenmakerijen, alles ten behoeve van de scheepvaart. De Admiraliteit had in het gebied al een scheepswerf in bedrijf. De Hoogte Kadijk kreeg de functie van waterkering. Maar vanaf ongeveer 1670 begon de conjunctuur te haperen en werd het moeilijker de gronden te verkopen deze tegenslag trof het gebied tussen de Muidergracht in de Plantagebuurt en de Hoogte Kadijk. De gemeente besloot dat gebied te bestemmen tot lustwarande, met tuinen en houtwallen. Aan weerszijden van de Kadijken streken uiteindelijk vanaf 1700 scheepswerven en bierbrouwerijen neer. De eerste pakhuizen verschenen in 1710, gebouwd door Steven Pijkeren in opdracht van bankier Andries Pels. Het is het eerste rijtje van het Entrepotdok dat loopt van Coevorden tot Doornik (aanvankelijk anders geheten: America, de Hoop, Dantzig), dubbele pakhuizen met een kelder, drie verdiepingen en een begaanbare kap. Toen er brand uitbrak op de zolders, vervingen de eigenaren de schuine kap door platte daken.
Tijdelijke opslag in verzekerde bewaring
Als enclave voor de inklaring van goederen begint het verhaal een eeuw later. Op 1 november 1827 werd het Rijksentrepot in gebruik genomen en meteen vereerd met een bezoek van Koning Willem I en de prins van Oranje. Willem I zag als koopman-koning het belang van deze aanwinst in en verstrekte daarom een lening van vijf procent die tot 1874 ten laste van het Koninklijk Huis zou komen. De bestaande 51 pakhuizen die al in de periode 1710-1738 op de koppen van het schiereiland waren gebouwd, werden in 1827 omgedoopt. Zee-arend veranderde in Eindhoven, Visscher werd Edam. Onder de kroonlijst zijn de kleurrijke gevelstenen teruggeplaatst met een herkenbare visser - alsmede een witte stenen plaat met inscriptie van oorspronkelijke naam en het jaar van ontstaan. Ten behoeve van de 33 nieuwe pakhuizen werden de woningen tussen de pakhuizen successievelijk gesloopt. Alles stond in het teken van de economische expansie van de stad en de rol van Amsterdam als internationale stapelplaats. De bewoners kregen vervangende woonruimte aan de Hoogte Kadijk, die bekend staat als de vroegste vorm van sociale woningbouw in Amsterdam, kleine zwartgeteerde huisjes met een eenvoudige houten trap als bordes.
Nationaal bewustzijn
Entrepotdok was een naam die Nederland van de Franse overheersing erfde. Maar in de naamgeving van de panden zelf en in zijn Hollandse architectuur is het een hommage aan het nieuwe nationale zelfbewustzijn dat opkwam na de Franse tijd. Een korte periode waarin Nederland en België (inclusief het huidige Luxemburg) staatkundig aan elkaar gekoppeld waren. Zelfs Luxemburg en Ostende (zo geschreven) komen in de naamgeving voor. Stadsbouwmeester J. de Greef ontwierp het classicistische poortgebouw aan het Kadijksplein en de nummers 52 tot en met 78 (Muiden-Weesp) in de jaren 1828/1829, waarbij hij uitging van een ensemble door drie pakhuizen tot een eenheid te vormen. In datzelfde jaar bouwde de architect G. Moele de nummers 30 tot en met 35 (Groningen-Haarlem). Karakteristiek zijn de ronde bogen op de top van de gevels die werden afgesloten met een rechte kroonlijst. Afwijkend van het hoog oprijzende ensemble zijn de vijf lage loodsen tussen het poortgebouw en het eerste pakhuis Bergen op Zoom. Ze vervingen Aspen en Almelo die hier halverwege de 19e eeuw instortten daarna werd er geen toestemming verleend pakhuizen terug te bouwen.
Walvisspek en walvistraan
Tot 1892 was het Entrepotdok volop in functie als stapelplaats van goederen. Voor de Franse tijd sloegen de compagnieën en kooplieden hun geïmporteerde goederen op in hun eigen pakhuizen. Op het terrein konden walvisvaarders hun walvisspek en traan kwijt en de VOC hun specerijen. Het Entrepotdok was een slim bedachte tussenstop in de handel. Handelaars sloegen er geïmporteerde goederen op zonder invoeraccijnzen te hoeven betalen. Pas als ze het Entrepotdok verlieten, trad die heffing in werking. In de Franse tijd werd de douanewetgeving van kracht en werden goederen in het Entrepotdok in- en uitgeklaard.
Vanaf 1892 raakte het Entrepotdok zijn specifieke douanefunctie kwijt nadat de gemeente een nieuw blok pakhuizen had laten bouwen aan de Cruquiusweg. Dat was beter bereikbaar voor de scheepvaart dan het Entrepotdok, de nieuwe naam van de Nieuwe Rapenburgergracht. Het nieuwe Entrepotdok lag heel strategisch ten opzichte van het drukke Amsterdam-Rijnkanaal en het IJ, terwijl de toegang tot het Entrepotdok door de bouw van het Centraal Station en de aanleg van de spoorlijn uit de route kwam te liggen. Een extra sluis voor grotere schepen aan de oostkant kon dat niet verhelpen. Het oude Entrepotdok werd een normale goederenopslag in de oorlogsjaren werden de zolders zelfs gevuld met meubilair uit woningen van weggevoerde joodse burgers maar ook met in beslaggenomen radios.
Verbouwingen en uitbreidingen
De geschiedenis van het Entrepotdok is er een van doorlopende verbouwingen en uitbreidingen. Het stukje Leiden-Lemmer, ooit aangeduid als bouwdeel VIII, is illustratief voor de veranderingen die het complex heeft ondergaan. Topgevels en schuine daken werden rond 1930 gesloopt en vervangen door platte daken achter de kroonlijst om nog meer ruimte voor opslag te creëren. Pakhuis 42 (Leiden) werd verhoogd en voorzien van een nieuwe achtergevel. De verkleuringen in het metselwerk getuigen van de toevoegingen. Opmerkelijk is dat de jongste pakhuizen, gebouwd na 1810, het meest onder handen werden genomen om te kunnen voldoen aan extra opslagcapaciteit. Kappen werden vernieuwd of vervangen door platte daken, er werden verdiepingen opgezet. De poort van Harlingen werd in 1890 gesloten en is bij de laatste restauratie weer geopend. Dat gebeurde ook met de poort tussen Schiedam en Stavoren: op oude fotos is nog een beroete natuurstenen omlijsting van de entree te zien. Nu schittert de witgeschilderde poort weer, begin van de onderdoorgang tussen kade en Laagte Kadijk. Daar schuin tegenover herinnert een kraan aan de geschiedenis van het Entrepotdok het is de laatste ijzeren wachter die is gespaard.
Ensemble
De leidraad voor de grootscheepse verbouwing tussen 1984 en 1992 was het behoud van het gehele ensemble van het Entrepotdok. De restauratie had ook een stedenbouwkundig gevolg: de barrière (no-go-area) tussen de binnenstad en de Dapperbuurt verdween. Achteraf kun je vaststellen dat de restauratie van het Entrepotdok een stepping stone is geweest in de ontwikkeling van het Oostelijk Havengebied als woonwijk. Hoe geslaagd die immense functiewijziging was (op zeker moment was het Entrepotdok het grootste restauratieproject van Europa), bleek uit de nominatie beste woningbouwproject van de 20e eeuw in het kader van de viering van het honderdjarig bestaan van de Woningwet, in 2001.
Pakhuizen die veranderen in (dure) appartementen, zijn in Amsterdam en elders geen onbekend fenomeen. Het Entrepotdok-project is bijzonder, omdat de opdrachtgever, woningbouwvereniging De Dageraad, wonen en werken op een kleinschalige en betaalbare manier met elkaar liet combineren. Een bekende anekdote is van Benno Premsela, vooraanstaand ontwerper, die eind jaren tachtig een internationaal gezelschap architecten rondleidde door Amsterdam. Bij het gerestaureerde Entrepotdok veronderstelden de gasten de rijken van Amsterdam te vinden. Nee, zei Premsela en hij wees op een bouwvallig grachtenhuisje verderop die wonen eerder in dat soort panden. Het Entrepotdok is sociale woningbouw met het merendeel woningwetwoningen en enkele groepswoningen.
Bouwen voor de buurt
Bij de herbestemming bepleitte Monumentenzorg om de voor- en achtergevels te sparen zodat het ensemble zijn massa en zijn contouren zou behouden. Uit een eerder onderzoek, begin jaren zeventig, werd de grootscheepse restauratie niet haalbaar geacht. Sloop alles maar zes meter vanaf de gevel, luidde het advies, en richt daar nieuwe woonblokken op, die ook nog eens vooral voor kopers waren bedoeld. Het strijdlustige Kadijken-buurtcomité stak daar een stokje voor: het was de periode van bouwen voor de buurt, een belofte die moest worden ingelost. Bouwen voor de buurt behelsde dat weggesaneerde buurtbewoners een voorrang hadden bij woningtoewijzing, waarbij de huur van de nieuwe woning niet te veel mocht afwijken van die van het gesloopte pand. In 1979 stelde het comité voor een deel van het dok te laten aansluiten op het 1000-woningenplan, het beleid om meer sociale woningbouw in de stad te realiseren. De gemeente Amsterdam schakelde het RIGO (Research Instituut Gebouwde Omgeving) in om te onderzoeken of de magazijnen daar wel geschikt voor waren. Het oordeel van het RIGO was positief, mits de restauratie vergezeld ging van nieuwbouw, om zo de beoogde differentiatie te bereiken. Die veelzijdigheid is ook tot stand gebracht. Het Entrepotdok is een waar labyrint van twee-, drie-, vier- of zelfs vijfkamerwoningen, van studios tot woongroepruimtes.
Puzzelen
De bestemming van het hele Entrepotdok tot sociale woningbouw was revolutionair, beijverd door de toenmalige wethouder Jan Schaefer die de stad uit zijn kwakkelend bestaan op het gebied van volkshuisvesting wilde bevrijden. Het was in de jaren zeventig een tijd van leegstand, speculatie en kraakacties. Luister naar de panden, hield hij de architect en de inspraakcomités voor, luister, kijk en trek je conclusies. Wat volgde was een eindeloos gepuzzel om de opgave te laten slagen: hoe berg je twee-, drie- of meerkamerwoningen in een grillig complex, hoe combineer je dat met ruimte voor woongroepen, HAT-eenheden en ook nog eens met parkeervoorzieningen? Door zoveel mogelijk verschillende woningtypes en uiteenlopende plattegronden in het hele complex toe te passen, kon het financieel en ruimtelijk uit. Per afzonderlijk pakhuis was die differentiatie kansloos geweest.
De plint, een donkere en betrekkelijk lage etage, bezorgde de architect hoofdbrekens. Op sommige plaatsen zijn souterrains uitgegraven om ze meer hoogte te geven. Het succes van het Entrepotdok is mede op het conto te schrijven van het Gemeentelijk Grondbedrijf, eigenaar van de grond. Dat vroeg betrekkelijk lage huren voor de bedrijfsruimtes, waardoor er een ideale springplank ontstond voor startende ondernemingen die in de dure grachtengordel geen kans van slagen hadden gehad. De grotere en hogere kapverdiepingen waren uitgelezen bestemmingen voor woongroepen en 5-kamerwoningen, met een woonkamer onder de kap en de slaapkamers op de etage eronder. Je valt bij wijze van spreken met de voordeur de slaapzolder binnen.
Hollywood
Dat interieur is het best bewaarde geheim van het Entrepotdok. Om het originele karakter van de panden te handhaven, bevrijdde de aannemer bij de restauratie balken en vloerdelen uit het inwendige zodat er een tijdelijk karkas bleef staan. Rond 1983 zag het Entrepotdok eruit als een echt Hollywood-decor: stenen puien gestut met ijzeren balken, terwijl het oud hout werd verzameld op de kade om uiteindelijk weer terug te keren in het interieur. Op deze manier lieten de architect en aannemer Nijs trapgaten en ravelen dichtzetten. Zo bewonen huurders appartementen met zware balken boven hun hoofd, balken die door hun grillige vorm doen vermoeden dat ze zo uit een Zweeds bos zijn gehakt en gebeiteld. Deze gedisselde balken komen voor in de oudste pakhuizen van het complex. Wie rondwandelt in en om het complex, ziet in de nieuwe onderdoorgangen, zoals die van Dinant, de balken als getuigen van het verleden.
Detaillering
De sobere vormgeving, de neoclassicistische, de gebosseerde deuromlijsting van het middelste pakhuis en de doorlopende lijst is het karakteristieke van het Entrepotdok, schreef Ons Amsterdam. Daarmee is meteen aangegeven dat niet een afzonderlijk pakhuis eruit springt door zijn fijnzinnige detaillering of ornamentiek, maar dat het Entrepotdok zijn waarde ontleent aan het silhouet, aan de kracht van het ensemble. Het ensemble heeft een sterk verticaal silhouet, dat uit de fotos vóór de restauratie werd benadrukt door de regenpijpen langs de gevel, die op sommige plaatsen gehandhaafd zijn. Wat ze gemeen hebben, is dat ze allen op de vlucht gebouwd zijn. De gevels hellen ietwat voorover om het takelen van goederen te vergemakkelijken.
Langskappen en dwarskappen
Vijfhonderd meter lang meet de gevel van het Entrepotdok, een van de langste historische gevelwanden in Europa. Als je vlak langs de gevel loopt, vallen de verschillen niet eens zo op en toch zijn die er. Brede pakhuizen met een centrale hijsinstallatie en luiken in het midden worden afgewisseld met smallere. De nieuwere hebben een gekartelde sierrand in het metselwerk onder de daklijst. Langskappen, topgevels, trapeziumvormige kappen en dwarskappen, dat is de variatie op 25 meter hoogte. Boven Deventer en Delftshaven zien we zelfs witte rolletjes als versiering van de kap. Het verbindend element van het complex is de witte daklijst die afdaalt naar de oudste pakhuizen met hun topgevels en opstijgt naar de nieuwere met trapeziumvormige kappen. In de kappen zaten de hijswielen verscholen: daarvan zijn er zegge en schrijve twee bewaard, exemplarisch voor het industriële karakter van de magazijnen. Op sommige plaatsen, zoals bij pakhuis Haarlem, zijn de koven waarin het katrol verborgen zat na de restauratie bewaard gebleven. Omdat de ondernemers het in de 19e eeuw zonde vonden om de ruimte achter het hijswiel onbenut te laten, vervingen ze de schuine kappen door platte daken. Voor de renovatie kende het ensemble grote inpandige verschillen. De florerende magazijnen hadden er telkens ruimtes aan toegevoegd, terwijl het buurpand daarentegen verkommerde vanwege een tegenvallend rendement.
Ongewenst bezoek
Op oude fotos ziet het complex er zwaarmoedig uit, vooral aan de kant van de Laagte Kadijk. Een hoge muur met prikkeldraad diende ter afschrikking van ongewenst bezoek, erachter rezen de muren hoog en ongenaakbaar op. Die kant had dan ook geen functie: de raampjes in de gevel dienden alleen ter ventilering. De enige versiering in die gevel zijn de hanenkammen (verticaal metselwerk) boven de vensters. Om de toekomstige appartementen aan de Laagte Kadijk lichter te maken, werden er verticale schachten in de gevels geboord met ramen direct onder elkaar, zodat het lijkt dat op die plaats ook goederen getakeld werden. Dat was echter alleen het geval in het meest oostelijke stuk, het blok Weesp-Zutphen, dat dus ook ondieper is dan de rest van het Entrepotdok. Van de muur resteert een anderhalf meter hoge borstwering, waar je nu makkelijk over heen kunt klauteren.
Boktor en zwam
Wie denkt nog aan de kinderziekten en de onaangename verrassingen tijdens de restauratie die tot 1992 duurde bij het zien van een levend stadsdeel? Niemand waarschijnlijk. En toch waren ze er, de onverwachte hoogteverschillen tussen de balken aan de voor- en achterkant, houtworm, boktor en zwam. Houtworm en boktor waren chemisch verdreven maar de zwammen kwamen tot leven zodra de verwarming aansprong: daardoor moest het blok Weesp-Zutphen dat in de eerste fase was gerestaureerd, nadien alsnog schimmelvrij worden gemaakt. Het 25 centimeter hoogteverschil tussen de vloeren loste zich als vanzelf op. Door het complex in tweeën te knippen, merkt niemand daar iets van: alleen wie goed kijkt ziet dat er een tree extra in de trap aan de Laagte Kadijk-zijde voorkomt.
Helemaal verdwenen zijn de geuren van walvistraan, wijn en graan. Ze zijn opgeslokt in de balken die met een preparaat zijn behandeld. Toch waren de sporen van cacao in een van de pakhuizen niet zozeer te ruiken als wel te voelen. Het vet had zich zo op de muren genesteld, dat het stucwerk er niet wilde hechten. Maar welk pakhuis was dat ook al weer? Muiden of s Hertogenbosch? Dat geheim is in de renovatie achter stuc- en schilderwerk verborgen.
Inmiddels is het patina op het blok neergedaald, is er een generatie opgegroeid, zijn de eerste doden er weggedragen. Hoewel het aantal huurder nog steeds de overhand heeft, kent het Entrepotdok nu ook zijn kopers en huurders die op grond van de Monumentenhuur een hogere maandlast hebben. Kleine bedrijven hebben gezelschap gekregen van grote firmas die enkele bedrijfsruimtes aan elkaar gekoppeld hebben. Het Entrepotdok is gerijpt, zeggen bewoners, volwassen geworden. Daarbij hoort een gegroefd maar levendig gelaat.
Literatuur
DAillys Historische Gids van Amsterdam, Gerrit Vermeer/Ben Rebel. SDU uitgeverij, 1992
Het Entrepotdok, bouwhistorisch onderzoek Monumentenzorg, R. Hansen, 1981
Onderdak, uitgave Ons Amsterdam. Augustus 1983
Bouwwereld, woningwetwoningen in pakhuizen, november 1984
Renovatie en onderhoudstechnieken, Joop van Stigt, TU Delft, 1990
Reconstructie, Renovatie Bouwopgave Entrepotdok. Oktober 1994
Artikelen uit de Volkskrant, het Parool en Haagse Post.
Verklarende woordenlijst:
Entrepot: tijdelijke opslag van goederen, in verzekerde bewaring.
Trapeziumkappen: kappen waarvan de daken aan weerszijden schuin oplopen, verbonden door een horizontaal middengedeelte.
Langskappen: kappen die parallel lopen aan de straat.
Dwarskappen: kappen die loodrecht staan op de straat.
Ravelen: korte onderbrekingen in de lange balken voor schoorstenen of trappen.
Gedisselde balken: balken die eruit zien als boomstenen, rond en geschaafd.
Plint: de onderkant van een gebouw tot aan de eerste verdieping
Ijzeren wachter: de hijskraan op de kade die de goederen vanaf de schuiten naar de boven gelegen verdiepingen takelde.
Middenrif: open binnenhoven over de hele breedte van het Entrepotdok.
Uitkernen: het openboren van de pakhuizen zodat ze een voor- en achterkant kregen en een blootgelegd hart.
Kroonlijst: de witte sierrand die de afsluiting vormt van de gevel.
Gebosseerde deuromlijsting: bewerkte natuursteen, in de vorm van verticale ribbeltjes.
Hanenkamen: verticaal geplaatste bakstenen, licht waaiervormig.
Hijswielen: raderen op de kapverdieping waarmee de goederen werden binnengehesen.