Vensters op Amsterdam
De hoogtepunten van Amsterdam steunen op twee pilaren: geld en geloof
18-11-2003 / boeken
18-11-2003 / boeken
Rotterdam, en in iets mindere mate Den Haag, daar worden de iconen van de nieuwe tijd opgericht. Daar wordt gepronkt met torens die al bijna de naam van wolkenkrabber verdienen hoewel alles natuurlijk relatief is. Geen Newyorker zou de Delftse Poort (van Nationale Nederlanden, architect Abe Bonnema) of de Hoftoren (het ministerie van Onderwijs, architect Kohn Pedersen Fox) de kwalificatie skyscraper willen verlenen, omdat de Amerikanen de kritische ondergrens ergens rondom de 200 meter leggen. De Delftse Poort reikt niet verder dan 151 meter, wat toch nog een respectabele verheffing boven het maaiveld is, en de Hoftoren komt tien meter lager uit. Daarmee zijn ze zichtbaar in het platte Hollandse land, symbolen van de vooruitgang en het elan in Rotterdam en Den Haag.
En Amsterdam? Het is een beetje sneu voor de hoofdstad maar voorlopig is er op de top vijftig-ranglijst van hoge gebouwen hooguit een derde plaats weggelegd met de Rembrandttoren bij het Amstelstation. Honderdvijfendertig meter staat er in de statistieken voor het gebouw van ZZ&P, dat met zijn verschijningsvorm niet zozeer een symbool van de nieuwe tijd is als wel een knipoog naar het verleden. De Rembrandttoren is een hommage aan de greatest hits onder de wolkenkrabbers, zoals de Empire State Building en de Chicago Tower. Amsterdam heeft anders dan Rotterdam geen Manhattan-aspiraties. Het is de stad van de semi-skyscraper is wel eens gezegd, de stad van de aarzelende, weifelende wolkenkrabber die ergens tussen tafellaken en servet is blijven steken. Is dat erg? Afgaand op een uitspraak van Frank OGehry niet. Van hem zijn de legendarische woorden toen hij zijn eerste opdracht voor hoogbouw in Cleveland kreeg: Onderaan gaat het wel, boven ook, maar dat stuk ertussen
Waarmee Gehry gezegd wilde hebben dat een architect wel van heel goede huize moest komen om een fatsoenlijke overgang tot stand te brengen tussen het maaiveld, het tussenstuk en het dak. De conclusie: liever geen wolkenkrabber dan een half gelukte.
Dat Amsterdam zijn identiteit niet ontleent aan hoog mannelijk vertoon, heeft een simpele reden. Rotterdam en Den Haag hebben beide de torens in het hart van de stad geplant, op plekken waar in de Tweede Wereldoorlog bombardementen kaalslag hadden veroorzaakt. Hoogbouw staat daar letterlijk in het centrum van de belangstelling. In Amsterdam is het een zaak van de periferie. Amsterdam is meer een stad van kerktorens die al eeuwen de skyline beheersen, en die de gemeenschap eraan herinneren dat de stad in wezen een gelovige inborst had en heeft, met de Stille Omgang rond de Heilige Stede als jaarlijks bewijs. Kerken en hun torens, ze zijn de lauwerkrans van de binnenstad. Geen icoon is zo bezongen als de Westerkerk, trots van de Jordaan. En de hele gemeente is zo zuinig op zijn erfgoed dat de hele grachtengordel inclusief de kerken van Hendrick de Keyser, aan het eind van de 20e eeuw is uitgeroepen tot beschermd stadsgezicht. Daarin wordt het moeilijk een toren van formaat op te richten.
Verdichten
Het beleid dat de gemeente sinds jaar en dag hanteert, is die historische grachtengordel intact te laten en de nieuwe architectuur zoveel mogelijk te concentreren aan de periferie. De Ring A10 is daarmee uitgegroeid tot een extra gordel rondom de schelpvorm de vorm van de Amsterdamse binnenstad. Uit twee structuurplannen, dat van 1981 en dat van 1985, komt dat streven naar voren. In het eerste plan zijn nevencentra aangewezen rondom de voorstadstations, zoals Amsterdam-Bijlmer, -RAI en -Sloterdijk, in het tweede is ervoor gekozen de bestaande stad te verdichten. De verstedelijking van de stadsrand moet de functie van de binnenstad en de ontwikkeling van de nevencentra ondersteunen, was het uitgangspunt. Dat was een belangrijk politiek en planologisch besluit; want er is met name in Amerika en Frankrijk leergeld betaald met commerciële enclaves in het weiland, die het leven uit de binnensteden hebben weggezogen. Zo moet het niet, hebben de bestuurders van de drie grote steden gezegd toen de grootschalige detailhandel neerstreek aan de stadsrand Alexandrium in Rotterdam, Villa Arena in Amsterdam. Ze mochten de historische binnenstad niet beconcurreren. Dat is tot op zekere hoogte ook gelukt.
Hoe die beide structuurplannen van papier in glas, beton en steen zijn veranderd, heeft Amsterdam in de jaren negentig ondervonden. Nauwelijks in de binnenstad, maar vooral rondom het Amstelstation, Zuid-WTC, Sloterdijk en de Arena in Zuidoost is de stad de lucht ingeschoten, niet zo spectaculair als in Rotterdam, maar wel betekenisvol in het licht van de hoofdstedelijke geschiedenis. De Wolkenkrabber van J.F. Staal, die tot de Tweede Wereldoorlog het hoogste gebouw van de stad was, prominent op het Victorieplein, is door die ontwikkelingen geschrompeld tot een lilliputter-toren van twaalf etages. De geschiedenis heeft uitgewezen dat de aanleg van de Schiphollijn in 1982 en de voltooiing van de westelijke randweg (nu de Ring A10 West) als katalysator hebben gewerkt. Het is historisch gezien een ontwikkeling zonder weerga. Dat een stad die altijd was aangewezen op het water, en daar het economisch profijt van trok, in minder dan twintig jaar de focus zag verschuiven naar de zuidkant met het accent op luchtvaart. Een rand of band met torens begint nu de zuidkant af te schermen, zoals vroeger de kasteelmuur met zijn uitkijkposten de vijand op afstand hield. En niet alleen de Zuidas groeit in hoogte met de ABN Amro van 110 meter hoogte als voorlopig hoogtepunt (architecten Pei Cobb Feed and partners), maar ook de westrand is de lucht ingegaan, bijvoorbeeld met het World Fashion Center (begonnen door J. Maaskant maar verbouwd) en het kolossale belastingkantoor van Abe Bonnema bij station Sloterdijk.
Maincourt
En dan is Amsterdam nog een handvol wolkenkrabbers misgelopen, waarvan de afgelasting van de Larmag-toren ook wel Maincourt genoemd het meest tot de verbeelding heeft gesproken. Hij zou 210 meter hoog worden, dit machtsvertoon van de Zweedse onroerend goed-magnaat Lars Magnusson, op een stuk grond aan de oostkant van station Sloterdijk. Sinds de plannen begin jaren negentig uitlekten, brandde er een gevecht los tussen de gemeente Amsterdam en burgemeesters van omliggende gemeenten, tussen stedenbouwkundigen en hoogbouw-adepten, heemschutters en futuristen. De behoudende krachten beslechtten uiteindelijk het lot. De wolkenkrabber kwam er niet. Hij sneuvelde niet alleen vanwege planologische bezwaren maar ook door economische: de Rembrandttoren waarvan de bouw inmiddels was begonnen, liet zien hoe lastig het was een toren te verhuren. De vrees bestond dat Maincourt te lang verlies zou lijden in de aanloopfase.
Dat een wolkenkrabber de identiteit van een onderneming markeert zie de Deutsche Bank van Norman Foster in Frankfurt leek een minpuntje voor Maincourt, want anders dan in Frankfurt zou het gevaarte het stadssilhouet niet domineren. De toren stond niet eens in het hart van de stad, maar was ook niet zichtbaar vanaf de Dam, klaagde een van de architecten, Maarten Grasveld. Ik kon mijn ogen niet geloven, toen ik de resultaten van het ingewikkelde computeronderzoek zag, zei de architect. Is dit nou alles? Waar zeurde de tegenstribbelende Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling over?
Geen Larmagtoren, en evenmin een Hyatt-hotel met imposant atrium van de geweldenaar Helmut Jahn aan de IJ-oevers. De recente historie van Amsterdam ligt geplaveid met getekende maar nimmer gerealiseerde uitkijkposten. Vermaarde architecten haalden bakzeil, zoals Wiel Arets die zijn verticale filmacademie op het Mr. Vissersplein in rook zag opgaan, of liever gezegd rook van papier. Dat de wolkenkrabber van Riccardo Bofill die averij opliep met de bijnaam de Piel van Bofill geen kans maakte, werd al snel duidelijk. Hij was gepland naast de Nieuwezijds Voorburgwal, op bijkans heilige grond. Nog voordat er een beslissing over werd genomen, verdween het plan in de la, want daar werd de vermeende stichtingsplaats van Amstelodamum opgegraven, het kasteel van de heren van Aemstel.
Nee, hoogbouw heeft nooit op warme instemming bij de hoofdstedelingen kunnen rekenen. Begin jaren twintig ontlokte het plan van de stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren om een kantoortoren op te richten halverwege het Rokin kritiek bij de jury, die zijn plan ter zijde schoof. Van Eesterens argument in 1923 was dat de stad gedomineerd werd door horizontale lijnen in de stedelijke ruimte. Als contrast zou een verticaal element de stad aan een zekere gelaagdheid of spanning kunnen helpen. Zijn radicale plan kwam te vroeg, zou je kunnen zeggen, alhoewel je de vraag kunt stellen of zon ingreep in het Rokin überhaupt haalbaar was geweest. Pas veertig jaar later zou zon compositie een kans krijgen, alleen niet aan het Rokin maar in de Weesper- en Wibautstraat. En nog was de kritiek daarop niet verstomd. Beide doorgangswegen werden verketterd als stalinistisch.
De kater van het Paleis
Waarom hikt Amsterdam zo aan tegen alles wat (te veel) boven het maaiveld uitsteekt? De stad wordt in de 19e eeuw, schrijft Geert Mak in zijn Kleine geschiedenis van Amsterdam gekarakteriseerd door monumentloosheid. Waar Parijs, Londen en Wenen tegen elkaar op concurreerden met megalomane bouwprojecten, wereldtentoonstellingen en paleizen van het establishment, sukkelt Amsterdam achteraan totdat de eerste spoorlijn en het Centraal Station het Doornroosje wakker kussen. Dan komen de eerste echte grote en hoge gebouwen, zoals het Rijksmuseum, Concertgebouw en later in het begin van de 20e eeuw de Beurs van Berlage en het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Maar het mag in vergelijking met andere Europese hoofdsteden niet veel naam hebben. Vermoedelijk ijlt de kater van de bouw van het stadhuis op de Dam, het latere Koninklijk Paleis van Jacob van Campen in 1662 nog na. Toen dat werd voltooid, was het een van de grootste bouwwerken in het westen, bijkans het achtste wereldwonder, maar het berokkende zon aanslag op de stadsbegroting dat de bestuurders nog eeuwen verlamd bleven zitten: angstig om letterlijk en figuurlijk hun nek uit te steken.
De Wolkenkrabber van Staal moet daarom ondanks zijn bescheiden hoogte als een doorbraak gezien worden, omdat er voor het eerst sinds lange tijd een verticaal accent geplaatst kon worden in een horizontale stad, de stad waar het poldermodel als het ware was uitgevonden. Sindsdien, we schrijven eind jaren twintig, brak er architectonisch gesproken een soort vrijheid aan, die zich pas na de Tweede Wereldoorlog ten volle zou ontplooien. Toch werd er op de valreep van de oorlog nog een duidelijk uitroepteken in de stad geplaatst, een gebouw dat in omvang en opzet brak met de conventies van de platte, uitgerekte stad. Het Schip van Staat was de bijnaam voor de Sociale Verzekeringsbank die de architect D. Roosenburg in de vork tussen de Apollolaan en de Stadionweg bouwde, omdat het zich leek te verheffen boven het maaiveld. Alsof het zich te goed voelde voor de somberte om zich heen en zich met behulp van witte keramiekplaten en travertijn-bekleding van de donkerrode baksteen wilde onderscheiden. Het uiterlijk is slechts het gevolg van het innerlijk, schreef de architect, die als inspiratie voor de lage ronde vleugel aan weerszijden van het hoofdgebouw uit een bijzondere bron putte. Hij zag de Adressograph voor zich, de voorganger van de lettertang, en dacht dat dit wiel-mechaniek geknipt zou kunnen zijn als vorm voor de archiefzalen met dossiers. Een ronde ruimte zou de kortste, meest efficiënte weg betekenen van de dossiers en kaarten naar de kantoren.
Stomer in een zee van gebouwen
Toen de Sociale Verzekeringsbank in 1939 werd opgeleverd, stralend middelpunt in het Zuid van Berlage, was het inderdaad een stomer die uitstak boven de wijk, die in kleur en formaat zijn gelijke niet kende. Bijna 65 jaar later is dat nog steeds zo. Wie een hoog punt aan de periferie van Amsterdam kiest, stuit altijd op dat witte schip van Roosenburg, allang niet meer in gebruik als bank maar als deftig advocatenkantoor. En wie op zijn beurt op het bovendek van dat gebouw staat, voelt zich drijven in een zee van gebouwen waarvan minstens een op een schip lijkt, het in 2002 opgeleverde ING House van de architecten Roberto Meyer en Jeroen van Schooten. De voorplecht, met daarin een auditorium, stevent in de berm van de A10 richting Schiphol. Volle kracht vooruit. Net als de Sociale Verzekeringsbank bezit het een dek, in dit geval zelfs een houten dek met de suggestie van een zwembad alleen is het een blauw glazen dak dat licht werpt in het restaurant eronder. Je zou het daarom al niet eens meer een gebouw kunnen noemen maar een voertuig (45 meter hoog).
In het silhouet van de stad reiken verschillende generatiegenoten elkaar de hand. Toren begroet toren. Maar niet in de zin van Manhattan waar de wolkenkrabbers zo dicht op elkaar staan dat je een straatgevoel krijgt op de 24e etage. In Amsterdam lopen de lijnen diagonaal en vooral horizontaal, totdat je blik ketst op een kerktoren of een kantoorgebouw. Daarmee behoudt de stad zijn menselijk gezicht. Waar je ook bent, uit welk venster je ook staart, je verliest nooit het contact met de aarde.
Toscane
Vermoedelijk is dat de aantrekkingskracht die de stad op buitenlanders heeft. Italianen bijvoorbeeld, die in de jaren negentig van de 20e eeuw en masse toestromen, verklaren hun liefde voor Amsterdam niet alleen vanuit voetbalkundige affiniteit. Ze zijn gevoelig voor de sfeer. Onbewust voelen ze zich verwant aan de aan Toscane ontleende torens van Berlage op zijn mooist in de Beurs van Berlage en in groter verband de harmonie van stedenbouw en schaal. Berlage zelf reisde door het Italiaanse platteland en haalde bijvoorbeeld in San Gimignano zijn inspiratie voor torens met loggias vandaan die een luchtige bekroning vormden voor zijn solide stenen gebouwen. De stevig verankerde Beurs lost op in de lucht.
Italie is dankzij Berlage niet ver weg in Amsterdam, en ook in schaal en overzichtelijkheid sluit Amsterdam eerder aan bij een gemiddelde provincieplaats in Italië dan bij de gewichtigheid van Londen en Parijs. Daarbij hoort geen skyscraper, maar het gemoedelijke uitzicht op een balkon waar een Marokkaanse vrouw haar was ophangt en haar kinderschaar op drie hoog achter in bedwang houdt, of de zonnebader op een dakterras. Doordat de hoogte beperkt is, is er altijd een room with a view. Het gebrek aan gettos maakt dat kantoorklerken Surinamers in de gaten kunnen houden en Jordanezen toeristen. Het is het lot van een stad waar ponteneur en pandoer al eeuwen de kop worden ingedrukt. Die nonchalance kom je tegen op en rond het Mercatorplein in De Baarsjes, de Nieuwmarkt in het centrum en het Beukenplein in Oost. Ergens in de stad breekt de hemel open. Ook dat is het wonder van de bescheiden hoogbouw. Je kunt, bijvoorbeeld op het Museumplein, nog de wolken zien overdrijven.
Geen trofeeën
De mythe van Amsterdam is de mythe van de geest, schreef opnieuw - kroniekschrijver Geert Mak. De mythe van de meeste andere grote Europese steden is vooral de mythe van de monumentaliteit. Veel steden profileren zich door techniek en architectuur, en door een wijze van bouwen die de burger tot onderdaan maakt. Monumenten zijn de dragers bij uitstek van de mythe van de stad of beter gezegd van de mythe die de stad van zichzelf wenst. Een monument is bedoeld om angst en bewondering op te wekken; om de kijker te herinneren aan de ouderdom van de dynastie, de macht van het regime, de rijkdom van de gemeenschap, de waarheid van haar ideologie, of aan een militaire overwinning of een succesvolle revolutie die een dergelijke rijkdom, macht of waarheid uitdroeg, schreef de Amerikaanse stadssocioloog en historicus Donald Olsen eens.
Kijk in Amsterdam rond, en je zult dergelijke verticale trofeeën niet aantreffen. Het monument op de Dam is anders dan in andere Europese steden geen ontzag inboezemend obstakel, het is eerder een democratisch forum, voor dagjesmensen en dealers. Het is met die wetenschap bijna niet te geloven dat daar jaarlijks in een reflectieve plechtigheid op 4 mei kransen worden gelegd, zo profaan is het gebruik in de resterende 364 dagen. Als de koningin uit haar venster vanuit het paleis zou kijken, hetgeen ze vermoedelijk ook maar een dag per jaar doet, zou ze dat merkwaardige volkse Amsterdam kunnen aanschouwen, dat bezit neemt van de Dam, van het Monument, van dat hele stukje slappe bodem waarop constructeurs nooit zware gebouwen durfden te bouwen. Totdat ze een stukje zand vonden waarop de heipalen bleven rusten.
Nee, monumenten van de macht zijn er niet. En als ze er zijn, zoals de Nederlandsche Bank op het Frederiksplein, kijken ze ook niet uit op andere symbolen van de macht, want de politiek zetelt in Den Haag, het grootkapitaal aan de Zuidas van Amsterdam, en de handel in Rotterdam. Manhattan in Nederland? Dat ligt verspreid over de Randstad. Indrukwekkend zijn daarom niet, conform de geschiedenis, de iconen van de monarchie of van het grote geld, maar van de (sociale) woningbouw, het bewijs dat de burgerij het voor het zeggen heeft gekregen. Bij uitstek in Amsterdam. High and low mengen zich op een natuurlijke wijze in complexen die van gemeenschapszin getuigen. Het panorama van de yup in de woontoren op het Heinekenplein is dat van een volkse en studentikoze Pijp, waar minirokken en djellabas elkaar passeren. De huurder in Piraeus op het KNSM-eiland kijkt uit op de koper in de Skydome ertegenover. De vraag rijst wie beter af is. Hoe hoger hoe winderiger. Zodra de herfstnevel neerslaat, wordt het moeilijker de begane grond te ontwaren: dat kan het lot van de Skydome-bewoner zijn. In Piraeus daarentegen kan de eerste lentezon de huurder verwarmen in zijn loggia, terwijl hij uitkijkt over het Oostelijk Havengebied, dat bestaat uit waterbekkens onderbroken door landtongen met woonwijken. En met woontorens, die ver genoeg verwijderd zijn van ongewenste kijk-intimiteiten. Als we op pakweg 15 meter hoog staan in Piraeus, zien we de gatenkaas-toren van Neutelings Riedijk, de Sphinx van Frits van Dongen, beide representant van een nieuwe generatie hoogbouw. Tegelijk blijven we bewust van onze roots, want de Sint Nicolaaskerk en de kap van het Centraal Station bakenen de horizon af. Dat bedoelen de Italianen vermoedelijk met hun gevoel van homecoming in Amsterdam. Niets is hoog, alles is dichtbij. Verre vrienden, nabije buren.
Superblock
Piraeus was, toen het in 1995 werd voltooid, het eerste superblock dat werd opgericht op Amsterdamse bodem, als we de honingraatflats in de Bijlmermeer niet meerekenen. Het ontwerp van de Duitse architecten Hans Kollhoff en Christian Rapp was een gedurfde oefening in het samenbrengen van verschillende woonmilieus en plattegronden rondom twee binnenhoven. Kollhoff en Rapp gehoorzaamden met dit allesbehalve kleinzielige gebaar aan het stedenbouwkundig plan van Jo Coenen die voor het KNSM-eiland had bedacht dat maat en schaal de strijd moesten aangaan met de flinke waterbekkens. Want de realiteit van de Oostelijke Eilanden is dat het water de aangename knusheid van een gracht mist. Piraeus lijkt zich net als de latere superblocks te weer te stellen tegen de wind die er altijd waait, maar biedt er een bepaald comfort tegenover. De architecten bedachten loggias in de vorm van wintertuinen waardoor de bewoners een uitbreiding van hun kamer kregen, een cadeautje voor zonnige maar winderige dagen. Amsterdam is met zijn pijpela-woningen en sombere grachtenpanden wel anders gewend.
Vanuit Piraeus komt de watermassa van de stad pas goed in beeld, een oppervlakte die wordt bestreden met woonschepen, bruggen, dammen en steigers. Stad aan het IJ, het wordt hier waargemaakt. Maar scheepvaart zien we nauwelijks of niet. De binnenwateren zijn getemd tot pleziervaart-terreinen, voor de aken, zeeschepen en cruisevaart moeten we het Havenkantoor beklimmen, de laatste schepping van Dudok. Wordt er gewoond op het KNSM-eiland, gewerkt wordt er in het Havenkantoor in omgeving. Of liever gezegd, het is er een drukte van belang. Je zou geen specifieke werkzaamheid kunnen aanwijzen, want de verzekeraars ernaast werken virtueel en het verkeersgeleidingsstation van de spoorwegen daarachter is introvert, alleen gericht op de wissels en seinlichten van de rails op het spoortalud. Voor het Havenkantoor stroomt, zoals het hoort, het watertransport in een langgerekte beweging, alleen onderbroken door de op en neer varende ponten.
Het spectaculairste gebouw van Dudok is het niet, hoewel je van zijn doeltreffendheid gaat houden. De rode staken die het penthouse een ideale plaats voor een restaurant - omkransen, zijn in al hun eenvoud effectief. Een herkenningspunt voor kenners, en daarmee een Geheimtip. Want vanaf deze plek is te zien hoe infrastructuur en handel in Amsterdam samenkomen. Op een van de verdiepingen was begin jaren negentig strategisch de ontwikkelingsmaatschappij voor de IJ-oevers gevestigd, turend naar de braak liggende strook langs het water, klaar om tot bloei te worden gebracht. Een venster op de toekomst van Amsterdam. Alleen zou die toekomst er niet zo uitzien zoals Rem Koolhaas het in zijn masterplan had voorgesteld. Niet zo metropolitain, maar Hollands-versnipperd. In stukjes en beetjes herovert Amsterdam zijn contact met het IJ nadat het Centraal Station als stoorzender er in 1888 is tussengekomen, dat is vanaf het Havenkantoor goed te zien. Een toren voor de bank Labouchère, een terminal voor cruiseschepen, maar ook het centrum voor de nieuwe muziek aan de oostkant, en naar het westen toe de gerestaureerde graansilo en de woonsilo van de 21e eeuw van MVRDV. Hoewel de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die laatste, zeer kleurrijke silo, zich maar moeilijk in de lens laat vangen. Die schittert vooral vanaf de noordoever.
Schaakbord
De toekomst staat te trappelen in deze merkwaardig onsamenhangende oevers achter het Centraal Station, en als we tien kilometer zuidwaarts gaan, ook langs de Zuidas. Aan de voet van de ABN Amro-toren ligt een gelegenheidsplas met alle schakeringen groen en blauw, de zorgelijk stemmende bodem voor de torens van Mahler 4, dat het toekomstige hart van de Zuidas moet vormen. De luchtfotos in het boek Boomtown uit 1988 zijn daarbij vergeleken welhaast idyllisch. Ze beduiden hoe de A10 de grens vormt van het echte Amsterdam, want daarachter begint de slaapstad in het groen, en dat groen gaat over in een dikke groene wolk, het Amsterdamse Bos. Vanuit de directievertrekken van de bank, met ramen die tot aan de vloer reiken, zien we hoe het wat rommelige patroon van Amsterdam-Zuid ter hoogte van de Boelelaan abrupt tot stilstand komt. Het is alsof een dirigent met zijn stokje aftikt en het orkest tot concentratie heeft gemaand, want Buitenveldert oogt als een schaakbord waarop de woonblokken als pionnen in het veld zijn gepoot. Rigide. Niet dat het ten noorden van de A10 een vreselijke chaos is, want daar heeft Berlage wel voor gezorgd met zijn hiërarchisch gestructureerde Plan-Zuid, maar de strenge schoolmeester Van Eesteren heeft de lijnen in Buitenveldert nog scherper getekend.
Niet de toren is van belang, maar de plaats van de toren. Wat geeft de grootste impact? Wat beklijft in historische en economische zin? De ABN Amro-toren van Pei. Cobb en Feed mag dan niet de meest gedurfde aller semi-wolkenkrabbers zijn, hij is wel geraffineerd op de manier waarop een wufte lichte vleugel zich buigt rondom solide grijszwarte pijler. Zoals een vrouw een tango danst met haar partner, en hem in beweging probeert te krijgen. Net als bij het Havenkantoor van Dudok ga je van het silhouet houden, rijpt het in de tijd. En dat komt niet in de laatste plaats door de ligging. Daarvoor is, zoals het hoort om het effect te bereiken, een podium geschapen, half leunend in een vijver, half op een fraai gedesigned plein, dat als het ware in de hal lijkt door te lopen. Een dansende bank, jazeker, cheek to cheek, maar zonder veel gekkigheid, omdat een klassieke financiële instelling zich die frivoliteit niet kan veroorloven.
Weer thuis
Met helder weer laten zich door de vertrekhoge vensters de duinen bewonderen, dat is het wonder van de stad waar hoogbouw geen primadonna mag zijn. Dan is elk uitzicht een cadeautje, van de ABN Amro naar het glanzende, maar nietige ING House, naar het gerestaureerde Olympisch Stadion en oostwaarts naar de collectie wolkenkrabbers bij het Amstelstation. Over een strategische plek gesproken. De vroegere directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening, Ab Oskam, was allerminst gecharmeerd van de Rembrandttoren (het is een straf die ik elke dag moet ondergaan, omdat ik er op uitkijk) maar moest toegeven dat hij voorbeeldig in de lengteas van de Weesper- en Wibautstraat staat. Wie langs die weg de stad uitrijdt, treft de toren als uitroepteken. En de vliegtuigbemanning gebruikt hem als oriëntatiepunt, ha, we zijn weer thuis klinkt het als de piek in zicht komt.
Wat is mooier dan een wolkenkrabber? Een verzameling wolkenkrabbers. Die wetmatigheid in de architectuur danken we aan Manhattan. Moesten we aan de ene Rembrandttoren nog wennen, een bittere smaak wegslikken omdat het vrije zicht over de Amstel was geblokkeerd, nu hij is omringd door andere schilders, Breitner, Mondriaan en Van Gogh, is het palet bijgetrokken. Skidmore Owings en Merrill ontwierpen de Breitner-toren waar het Philips-hoofdkantoor zijn intrek in heeft genomen, opvallend door zijn strakke silhouet en metershoge vensters. Het panorama van daaruit is de levenslijn van de stad, de Amstel die roeiboten voortbrengt en schepen naar de chemiefabriek in Uithoorn. Je bent je ervan bewust dat hier drie versteende schilders bijeenstaan die allen de rivier hebben geschilderd, toen er nog volop molens aan stonden, in wintersferen met laaghangende nevel of bedekt met ijs.
Logisch dat ze zich voelden aangetrokken tot de oevers, want nergens lijken de luchten zo snel te wisselen als hier, en nergens verleidt het water je met zijn rimpelingen en spiegelingen. Zilver verandert in goud, kun je vanaf de Breitnertoren vaststellen, terwijl de zon wegzakt achter de duinenrij, een smalle reep in het westen. De treinen bewegen zich als speelgoed-miniatuurtjes onder ons, maar het gewriemel van de infrastructuur is rondom het Amstelstation anders dan bij het Centraal Station. Beheerster, relaxter, zonder de hete adem van de binnenstad, zou je kunnen zeggen.
Het juk van het verleden
Dat hoogbouw in de hoofdstad zo traag op gang is gekomen, komt door de ballast van de binnenstad, zeggen Rotterdammers. Het juk van het verleden. De historische last drukt op de schouders van Amsterdam. Het pittoreske heeft de overhand. Kijk naar de schilderijen van de Herengracht uit de 17e eeuw en constateer hoe kaal de kades zijn, om de platbodems de gelegenheid te geven af te meren, het ruim gevuld met geïmporteerde goederen. De grachtenhuizen waren doelmatige combinaties van kantoren, pakhuizen en woningen, en niet zoals nu luxueus aangeklede appartementencomplexen. Geen iep leek op de walkant te gedijen. In de 21e eeuw is dat anders. Vanuit de kantoren van Bloomberg, een financieel persbureau in de kantoorvleugel van Byzantium, laat de stad zich vooral kennen als een groene vlakte waaruit enkele torens steken. Zoveel groen dat het de grachten van het bord poetst. En waar is het IJ? Waar de hijskranen staan. Het water lijkt weggemoffeld. De Kalvertoren, ontworpen door Pi de Bruyn, tovert een ecologisch alternatief te voorschijn: de binnentuin rondom de appartementen ligt een slordige twintig meter boven het maaiveld en is bedekt met mossen. Zon groene oase, luttele meters verwijderd van de Kalverstraat, zoveel rust in het hart van de stad, ze onderstrepen het matig metropolitaine karakter van Amsterdam. De hoogtepunten in de architectuur moeten het niet van hun hoogte of formaat te hebben, maar van hun expressie.
Zoals Byzantium. Ook al is het bij de maker, Koolhaas, niet beklijfd als het gelukzalig moment van zijn doorbraak in de vaderlandse architectuur, het is wel uitgegroeid tot een klein bedevaartsoord voor architectuurstudenten uit de hele wereld. Die vergapen zich aan de vroege poging tot deconstructivisme, belichaamd in de schuine gevel en de uitstekende bonbondoos waarin sinds 1995 een Koeweiti verblijft. Als hij er al verblijft. Het uitzicht vanuit zijn pied a terre, bijna 500 vierkante meter groot, moet het volmaakte tegendeel zijn van wat hij in zijn vaderland heeft: een intens groene entree van het Vondelpark waar skaters en fietsers elkaar verdringen, en daarnaast de lichtblauwe vleugels van Byzantium.
De vijfde gevel
Amsterdam is niet alleen een stad van kerktorens, maar ook van balkons, terrassen, erkers en uitbouwtjes. In Byzantium zijn ze gestroomlijnd en luxueus, rond het Mercatorplein wanordelijk en levendig. Teakhout versus wasrek, laurierboompje tegenover vogelkooi, dat zijn de uitersten op een afstand van minder dan twee kilometer. De vijfde gevel, noemde Le Corbusier het dak, het kwetsbaarste onderdeel van een gebouw, omdat je hierin het vakmanschap van de architect kunt onderscheiden. Diezelfde vijfde gevel ligt onder vuur, stelde de gemeentelijke dienst Monumentenzorg halverwege de jaren negentig vast. Waar we ook staan, Byzantium, Kalvertoren of Mercatortoren, overal zijn we getuige van de jungle boven het maaiveld. De vensters op Amsterdam brengen het straatspektakel binnen, zeker, maar ook een kakofonie aan wrakkige balkonhekjes, scheve pijpen, mottige dakdozen waarin liften verborgen zitten, en verwilderde daktuinen. De badeloosheid zegeviert. Eindelijk is er een deel van de stad onttrokken aan de kritische blikken van bouwinspecteurs.
Een stad met aarzelende hoogbouw heeft het voordeel dat de sociale controle intact blijft. Vanaf 200 meter hoogte valt de straat niet meer te controleren. Hoe hoger, hoe anoniemer. Dat besef dringt door in de vensters op de Dam, die getuige zijn geweest van geluk en ongeluk. Van een koninklijk huwelijk, maar ook van een fatale schietpartij na de capitulatie op 7 mei, een laatste stuiptrekking van de Duitse bezetters. De vensters nemen de snelle ogenblikken waar en de langzame veranderingen. Geleidelijk aan transformeert het silhouet. Ook al is Byzantium niet eens zo hoog, vanaf het dak observeren we hoe de twee torens van het Rijksmuseum geen alleenheersers meer zijn. Ze worden beconcurreerd door koepels en daken in de vorm van scheve puntmutsen. Spiegelglas wordt afgewisseld met dof zink, rode pannendaken met leisteen.
Nee, een stad van wolkenkrabbers kun je Amsterdam niet noemen, hooguit een stad die uit het maaiveld opklimt. Dat gebeurt langzaam maar wel definitief. In het perspectief vanaf het Leidseplein verschijnt de Zuiderkerk, de volmaakt symmetrisch opgebouwde toren van Hendrick de Keyser. Hij is geen solist meer. Zijn silhouet steekt af tegen een decorstuk in de vorm van het spiegelende hoofdkantoor van Bank Labouchère aan de IJ-oevers. De kerk gevangen in het net van het kapitaal: de architectuur mag dan veranderd zijn, de rol van Amsterdam is al vijfhonderd jaar hetzelfde. Het is het onontkoombaar lot van een land aan de zee. Een kunstmatig land met een kunstmatige stad die wortelde in het veen. Want zei architect J. Bakema in de jaren vijftig: In het vlakke landschap met een weidse horizon moet de Hollander zijn eigen bergen bouwen.