De weg naar de beneden is de weg naar de toekomst
Ondergronds ruimtegebruik op stedenbouwkundige schaal
04-09-2003 / boeken
04-09-2003 / boeken
De beperkte ruimte, de slappe bouwgrond, het historische erfgoed en de toenemende aandacht voor het landschap leiden in Nederland onomstotelijk tot een neerwaartse oriëntatie. Het ontstaan van de zogenoemde 3D-stad, een stad die zich onder en boven je voltrekt en die adressen kent op diverse hoogtes en dieptes, lijkt onvermijdelijk.
In zon omgeving lost het maaiveld op in meerdere gelijktijdig aanwezige niveaus, wordt het plein vervangen door de vide en de straat door liften, hellingbanen en roltrappen.
Maar de ontginning van de ondergrond, en dus de wording van de 3D-stad, heeft alleen kans van slagen als een psychologisch pad wordt geëffend. De gebruiker moet de ondergrondse ruimte als gelijkwaardig aan de bovengrondse beleven.
Vreemd toch hoe de onderwereld zijn magie heeft behouden. Hoezeer de laag onder het maaiveld de afgelopen eeuw is omgeploegd en blootgewoeld. Die aantrekkingskracht stoelt soms op banale waarnemingen. Zoals de bussen die zich in de Paulus Potterstraat in een betrekkelijk smalle goot storten en vervolgens onzichtbaar onder het Amsterdamse Museumplein verdwijnen. Het idee dat daar op dat moment waarschijnlijk dertig touringcars staan, die nog niet eens zo lang geleden het landschap vóór het Rijksmuseum bedierven met hun schreeuwende kleuren, is een fascinerend gegeven en een opluchting. Die fascinatie komt vooral door de wetenschap dat ze er zijn, maar onzichtbaar blijven.
Emancipatie van de onderwereld
De onderwereld trekt. Dat heeft Orpheus ondervonden toen hij op zoek ging naar zijn geliefde Eurydice en zich door de veerman Charon, de rivier de Styx liet overzetten. Daarmee overschreed hij de grens tussen het aardse en het hemelse, het leven en de dood. Geparafraseerd gezegd, een reis door het einde van de nacht. Dat schemerdonker is anders dan het bovenaardse, omdat het zich niet in één oogopslag laat overzien. De scope is beperkt. Het beste om dat te ervaren is wanneer je een metrostation instapt en telkens verrast bent over wat je daar aantreft. Soms een kathedraalachtig gewelf zie de metro van Moskou vaker een morsige buis die naar urine stinkt. Bij het ene station leidt een rechtstreeks traject naar het perron. Bij het andere lijkt een lift ter grootte van een verhuiswagen je honderd meter de diepte in te voeren. Dan weer een eindeloze roltrap, om maar te zwijgen van de onvoorspelbare afstanden die de metroreiziger moet afleggen voordat hij zijn trein haalt. Dat is het bedrieglijke van station Chatelet/Les Halles in Parijs of van Liverpool Street Station te Londen: je denkt een snel succes te hebben behaald door de eerste de beste halte binnen te schieten, maar het blijkt een Pyrrusoverwinning. Liever had je die afstanden bovengronds afgelegd. Dan had je nog frisse lucht gesnoven en zon boven je hoofd gehad.
Dat zijn de tegenvallers die je niet kunt voorzien. Daar staan wonderschone ervaringen tegenover, en dat zijn de ontdekkingen onder het maaiveld, waar gebouwen zich in hun diepste wezen blootgeven: hun fundament. Moderne flats, oude kloosters, het maakt niet uit: ondergronds tonen ze hun kracht en zo niet, dan hadden ze geen bestaansrecht gehad. In Maastricht staan op korte afstand aan de Tongerensestraat en Sint Pieterstraat twee gebouwen van uiteenlopende aard, waarvan hun onderlichaam door renovatie is geopenbaard: het zijn het hoofdgebouw met aula van de Rijksuniversiteit Limburg en het Rijksarchief Limburg. Het eerste werd begin jaren negentig uit de grond gewonnen door Jo Coenen. Het tweede werd uit de slaap gewekt door Marc van Roosmalen. Beiden laten een visie zien op de integrale behandeling van gebouwencomplexen. Liever gezegd: ze symboliseren de emancipatie van de onderwereld. Die is niet behandeld als kruipruimte of als kelder. Nee, die staat op hetzelfde niveau als de bovengelegen etages. Daarmee is de hegemonie van het maaiveld aangetast.
Toen de Rijksuniversiteit Limburg aangaf zijn hoofdgebouw in het hart van Maastricht te willen vestigen, en daarbij het oog had laten vallen op een middeleeuws klooster met negentiende-eeuwse vleugels, besloot Coenen tot een op zichzelf simpele ingreep. Hij promoveerde het souterrain tot hoofdruimte en verbond die met een nieuwe aula, in de tuin onder de grond. Daarmee sloeg hij twee vliegen in een klap. Hij behield het historische gebouwencomplex en gaf dat weer terug aan de stad als levend organisme. De nieuwe collegezaal, op een steenworp afstand van de rivier de Jeker, doet zich niet vermoeden op het terrein, zo natuurlijk is hij opgenomen in de glooiing. Binnen is er een tegenovergestelde ervaring. Daar manifesteert de zaal zich als een schelpvormig auditorium waar het licht door spleten langs de ommegang binnenvalt. Onderwereld en buitenwereld, ze wisselen stuivertje met elkaar door de manier waarop Coenen als een poppenspeler aan de touwtjes trekt, en dat komt beide werelden ten goede. Op weg naar de zaal beleef je de rauwe funderingen van betonbekisting waarop de kloosters in de twintigste eeuw zijn gezet, en word je door een donkere schacht naar de aula geleid, die voor je gevoel onder de grond ligt. Dat is ook zo, maar wel met een onverwacht uitzicht op de tuin.
Licht valt via een smalle vide aan de zijkant van de oude kloostergang binnen tot in de gewelven van het nieuwe Rijksarchief Limburg, bouwjaar 1994/1995. Ook hier is sprake van een klontering van oude gebouwen, waaronder de veertiende-eeuwse Minderbroederkerk met bijbehorende kloostertuin. Onder dit carré bevindt zich drie lagen diep de archiefruimte, verankerd in een betonnen bunker, die weerstand moet bieden aan het overtollige water van de Jeker bij winterse overstromingen. Van Roosmalen hanteerde het ijsbergprincipe: onder de kleine monumentale top bevindt zich een enorme ondergrondse berg aan voorzieningen. Het is een vingerwijzing naar het lot van monumenten, die alleen kunnen voortleven als ze hun ondergrond ter beschikking stellen. Daarmee zijn ze verzekerd van een nieuwe bestemming. Maar ze werpen ook nog eens een onverwachte blik op hun origine. In het Rijksarchief is het een wonder hoe je van het veertiende-eeuwse mergel- en hardsteen overgaat naar glas, staal en beton. Je zou het met enige overdrijving de omgekeerde weg van Orpheus kunnen noemen: van het verleden naar het heden.
Driedimensionale stad
De toenemende aandacht voor het historisch erfgoed in de binnensteden van Nederland is een van de oorzaken dat de ondergrond wel geëxploreerd moet worden. De twee voorbeelden in Maastricht illustreren dat bij hergebruik en expansie geen andere uitweg rest dan de weg naar beneden. In vijftien jaar tijd is er geleidelijk aan een nieuwe laag ontsloten die in veel gevallen meer inhoudt dan een eendimensionale afdaling in de ondergrond, die zich uit in de simpele toevoeging van een souterrain of kelder aan een bestaand gebouw.
Zoals Coenen en Van Roosmalen erin slaagden een stedenbouwkundige invulling te geven, hebben ook andere architecten dat gedaan, met shopping malls die bijna vanzelfsprekend overgaan van maaiveld naar niveau -1, zoals de Arena (Joan Busquets/Beth Galli) in Den Bosch, de Marikenstraat (Sjoerd Soeters) in Nijmegen en de Koopgoot (Jon Jerde) in Rotterdam. Het ontsluiten van de ondergrond lijkt een conditio sine qua non voor de overleving van een historische binnenstad als die van Amsterdam, waar de status van beschermd stadsgezicht zoveel eisen stelt aan het aanzien en bouwvolume, dat er doodeenvoudig weinig andere uitwegen overblijven. De ruimte is door de voorschriften vastgeschroefd. In studies door het Rotterdamse bureau MVRDV wordt vooruitgeblikt naar de mogelijkheden die er in, of liever gezegd, onder de Dam liggen, zeker als daar over enkele jaren metros van de Noord-Zuidlijn voorbijrazen.
Nu is de Noord-Zuidlijn vooral een verkeersproject. De nieuwe lijn door de binnenstad wordt nauwelijks gebruikt om nieuw stedelijk gebied te ontginnen. In feite is de Noord-Zuidlijn een in zichzelf gekeerd en autonoom project. De samenhang met de stad erboven is minimaal.
Elders in de wereld blijkt dat het aanleggen van een metrolijn juist een belangrijke aanjager is van ondergrondse bouwprojecten. In Montreal is tussen twee metrolijnen een ondergrondse stad ontstaan die zijn weerga niet kent. In 35 jaar tijd is een ondergronds netwerk aangelegd met stations, winkels, parkeergarages en kantoorruimtes. Meer dan een derde van alle winkels in de binnenstad zijn hier gesitueerd.
In de ontwerpstudie van MVRDV wordt de ondergrondse potentie vergaand verkend. Het echte hart van Amsterdam wordt volgens drie ruimtelijke concepten blootgelegd. Hoe futuristisch dergelijke visioenen op de monumentale stad ook zijn, de eerste stap op weg naar de 3D-City is al gezet. En dat is logisch in een land dat zo vecht om de schaarse ruimte. Alleen al de plannen voor de Zuidas illustreren dat het ondergronds plaatsen van de infrastructuur, het zogeheten dok-model, de meest leefbare oplossing garandeert. In alternatieve gevallen zou een veel te dik en hoog pakket aan voorzieningen ontstaan dat zou resulteren in een muur tussen Amsterdam-Zuid en Buitenveldert.
Bovendien groeit het inzicht dat de ondergrond geen B-locatie is. Integendeel, de shopping malls bij metrostations en de bibliotheken en ondergrondse musea (bijvoorbeeld van Tadao Ando in Japan) bewijzen dat een aantal functies het heel goed kan stellen zonder daglicht. Dan moet de geofysica van de Randstad wel meehelpen. De zetting van de grond is tot op heden een van de Dunkelziffer bij ondergronds bouwen, zoals de ingenieurs bij de aanleg van de parkeergarage onder het Museumplein ondervonden. Tijdens het afgraven van de grond voor de verdiepte poldervloer kwam door de waterspanning de grond binnen enkele minuten 25 centimeter omhoog, vertelt de projectleider van ARCADIS Bouw/Infra. En ook het waterniveau wilde maar niet zakken, hoe er ook gepompt werd. Er bleek in de waterremmende laag nog een aantal gaten te zitten. De conclusie luidde: de put was zo lek als een mandje. ARCADIS stelde vast dat het vooronderzoek te mager was geweest, met onder meer te weinig sonderingen. Dat was niet het enige obstakel. Ook de argwaan van de omwonenden en de musea over de heimethodes die teveel trillingen zouden veroorzaken, vertraagde het proces. Ten slotte kampte men met nog een paar onprettige verrassingen. De grond van het Museumplein bleek bijvoorbeeld erger vervuild dan gedacht. Er zaten nota bene nog palen in de grond van een wereldtentoonstelling uit het begin van de twintigste eeuw. Een stukje eigentijdse archeologie, zou je kunnen zeggen.
Maar de verraderlijke bodemgesteldheid heeft vooral het Haagse Souterrain parten gespeeld. De Souterrain-geschiedenis heeft het karakter van een soap gekregen. Geen goede zaak voor de pleitbezorgers van ondergronds bouwen. Pas een jaar na het begin van de bouw kreeg de aannemer door wat de oorzaak was van het almaar niet te dichten lek, dat de tunnel onbruikbaar maakte. Ter plaatse was te weinig onderzoek verricht naar een oude wel of stroom die ergens diep onder de Haagse Grote Marktstraat verborgen was, waardoor elk hulpmateriaal, grout of beton, tekortschoot. Vertraging op vertraging was het gevolg. Dat is jammer, omdat het souterrain, geconcipieerd door OMA, op een intrigerende manier de emancipatie van de onderlaag aan de orde stelt door een vervoerstunnel te combineren met winkeltjes en toegangen tot de warenhuizen. Er is afstemming gezocht met de aanliggende bebouwing, die via het souterrain ook nog eens wordt verbonden met parkeergarages, zodat er een droogloop ontstaat. Dat klimatologische voordeel moet in de Nederlandse situatie niet onderschat worden. Mits uitgerust met lichtschachten en goede ventilatie kunnen onderaardse gewelven uitgroeien tot de kathedralen van de eenentwintigste eeuw, waarin je net als vroeger bij regen en storm een veilig heenkomen zoekt. Hoewel niet in de strikte betekenis ondergronds, pakt het gebogen maaiveld dat OMA voor Almere-Stad ontwierp, dat accommoderend comfort op. De bezoeker van de binnenstad parkeert zijn auto in een halfopen hal, die inderdaad de afmetingen van een basiliek heeft, en kan vervolgens kiezen of hij ondergronds of op een ander niveau wil shoppen. Ook hier is sprake van gelijkwaardigheid van bouwlagen.
Behoud van het landschap
Puur ondergronds bouwen is alleen zinvol als het maaiveld niet mag worden aangetast. Het gaat hierbij om stedelijke of landelijke landschappen, parken of buitengebieden, waarop we zuinig zijn. Dat heeft architect Wim Quist doen besluiten zijn Museum Beelden aan Zee te huisvesten in een duin onder het historische buiten Paviljoen von Wied in Scheveningen. Quist buitte de plaats uit door de bezoeker daadwerkelijk het gevoel te geven dat hij in een duinpan rondloopt. En dat nota bene in het schreeuwerige decor van Scheveningen, waarvan de bezoeker, in dat museum, helemaal niets merkt. Sterker nog, Quist opent op zeker moment een venster in de duin, waardoor je een glimp opvangt van de kustlijn, zonder ook maar een strandtent waar te nemen. Het is een uitsnede van de werkelijkheid.
Hetzelfde principe ligt ten grondslag aan het Museonder op de Hoge Veluwe, waar de museale ruimtes onder het maaiveld zijn gebracht in een cilindervormig gebouw, dat past bij de opzet: voorlichting geven over de geologische wordingsgeschiedenis archeologie inbegrepen van de Veluwe. Zoals de historische binnenstad noopt tot een uitweg onder de grond, zo kan ook de natuurlijke gesteldheid daartoe aanleiding geven. Zeker als Nederland het aanleggen van de ecologische hoofdstructuur serieus wil nemen. Om de ecologische zone aan de rand van Tilburg een kans van slagen te geven, heeft het Amsterdamse bureau Ton Venhoeven c.s. de woontorens in het Donge-gebied opgevat als een kudde koeien in een weide, waaraan de echte koeien ook nog eens kunnen snuffelen. Want daaronder, onder dat heuvelachtig landschap, staan de autos geparkeerd.
Stimulering van de overheid
Inmiddels onderkent de overheid de noodzaak om terrein te winnen door ondergronds te bouwen. Het Stimuleringsprogramma Intensief Grondgebruik (STIR) is waarschijnlijk de belangrijkste motor daartoe, waarbij het accent ligt op twee ruimtevretende ontwikkelingen: infrastructuur en bedrijfsparken. In de aanbevelingen die het STIR heeft gedaan, komen dan ook twee duidelijke signalen naar voren. Wegen of spoorlijnen zouden vaker dan nu overkluist of ondertunnelt moeten worden. En op bedrijfsterreinen kunnen veel meer voorzieningen ondergronds of op het dak ondergebracht worden. Daarbij valt logischerwijs te denken aan parkeren, maar ook aan opslag, logistiek en andere werkzaamheden die niet strikt gebonden zijn aan daglicht. Zo heeft een drukkerij in Goudriaan de eerste stap gezet om in een ondergrondse bunker de papieropslag en de offsetmachines onder te brengen. Maar pas nadat onderzoek was verricht naar de vrijwaring van lekkages in dat waterrijke veengebied van het Groene Hart.
Er ligt een taak voor bestuurders en wetgevers die dit nog betrekkelijk onbekende terrein moeten ontginnen. Daarnaast ligt er een opdracht voor beleggers om de aantrekkelijkheden van deze optie in te zien. Ten slotte is er een beeld nodig, dat inzichtelijk maakt wat mogelijk is. De esthetisering van de ondergrond is een eerste vereiste om potentiële weerstand te overwinnen. Zo heeft Winy Maas, architect bij MVRDV, aanschouwelijk gemaakt hoe een stuk snelweg, in dit geval het noordelijke deel van de ring rond Rotterdam, intensiever gebruikt zou kunnen worden dan nu door de infrastructuur te beschouwen als een frietsnijder, die als het ware een scherpe verdeling maakt tussen de verdiepte en bovengrondse functies. Programmas worden tussen, onder of boven de wegen gewrongen. Want zo, redeneerde Maas, zouden meer adressen toegevoegd kunnen worden aan dat tot dusver monofunctionele stadsdeel. Op die manier ontstaan er nieuwe stedelijke boulevards waarlangs bedrijvenparken worden ingericht met meerdere toegangen op meerdere niveaus. Voor het verwerven van maatschappelijk draagvlak zou het goed zijn om vernieuwende concepten als deze eerst toe te passen in een aantal private projecten. Hiermee kunnen politieke organisaties over hun eerste angst heen komen, bepleit Maas, en dan zou het Rotterdamse model het spreekwoordelijke eerste schaap kunnen zijn. Het 3D-beeld dat MVRDV schetst, vertoont gelijkenis met een bloedvatenstelsel in het lichaam, en misschien is dat onbewust ook wel de gedachte achter het model. Zoals het menselijk lichaam een stelsel van haarvaten, aders, slagaders, spieren en kamers is, zo kan ook het stedelijk netwerk worden opgevat: een pulserend organisme dat leeft bij de gratie van stroming en doorstroming.
Gelijkwaardigheid van boven- en ondergrond
De 3D-stad begint geleidelijk aan te ontstaan. Een stad die zich onder en boven je voltrekt, die verschillende adressen kent op diverse hoogtes en dieptes. Daarmee worden de filmbeelden van Metropolis van Fritz Lang uit de jaren twintig omgezet in een stedelijke realiteit. De techniek is ons behulpzaam. We dalen met liften en roltrappen af in een onderwereld en slagen er ook nog in licht tot in de onderste gewelven te laten doordringen. Er is geen sprake meer van bovengronds of ondergronds. Er is een gelijkheid geschapen, waaraan we moeten wennen. Zie de verwarring die soms toeslaat als je door La Défense in Parijs dwaalt. Op welk niveau ben ik nu? En waar vind ik mijn auto terug?
De ontginning van de ondergrond, en dus de wording van de 3D-stad, heeft alleen kans van slagen als een psychologisch pad wordt geëffend. De gebruiker moet de ondergrondse ruimte inderdaad als gelijkwaardig aan de bovengrondse beleven. Hoeveel overwinningskracht dat kost, heeft de vestiging van een Albert Heijn onder het Museumplein aangetoond. Daar moesten de vakbonden overtuigd worden van de hoeveelheid daglicht die de caissières per dag zouden ontvangen. De hoeveelheid lux werd gemeten en er werd een rooster samengesteld dat voorzag in een percentage daglicht in de pauzes. Op zich is dat vreemd, want zelfs in bovengrondse supermarkten is daglichttoetreding over het algemeen afwezig. Als één voorziening zich leent voor een locatie onder het maaiveld, dan is het wel een supermarkt. En daarnaast bioscopen, internetcafés, depots en sommige kantoren.
Toch hebben architecten de laatste jaren, ook onder het Museumplein, met succes aangetoond dat het -1-niveau niet per definitie onaantrekkelijk hoeft te zijn. In het buitenland zijn de metrostations van Norman Foster in Londen en Bilbao aansprekende voorbeelden vanwege hun zorgvuldige materiaalgebruik: roestvrij staal, glas en glad gepolitoerd beton. Essentieel is daarnaast het inventief gebruik van licht. Architect Harry Reijnders heeft voor het station Blaak in Rotterdam gebruik gemaakt van drie componenten: hij liet de plafonds aanschijnen met uplights gericht op een witte reflecterende cirkel. Dat vergrootte het ruimtelijke effect. Op de perrons zelf verstopte hij gekleurde tls achter een scherm van glasstenen, zodat de wachtenden zich in een prettige omgeving voelden en zich ook makkelijker konden oriënteren. Ten slotte slaagde hij erin daglicht te laten vallen in het trappenhuis naar de perrons, met een reusachtige ingenieuze lens als overkapping. Die lens is het baken van het station op het plein, hét teken waar je moet zijn, maar tegelijk ook een fysieke bescherming van het interieur van het station.
Licht helpt ter oriëntatie. En het beste licht de pleitbezorgers van ondergronds bouwen vergeve het me is daglicht. In het Carrousel du Louvre te Parijs het winkelcentrum dat in verbinding staat met de ingang van het museum helpt een hangende piramide, inderdaad het spiegelbeeld van de bovengrondse piramide, om je plaats te bepalen en licht te ontvangen van boven. Licht, zicht en overzicht: het zijn de drie voorwaarden om de lay-out van de ondergrondse ruimte op te grondvesten, want ze bevorderen de herkenbaarheid en daarmee het gevoel van veiligheid. Mensen willen hun omgeving cognitief begrijpen en tegelijk een rijkdom aan indrukken ervaren. Vandaar hun voorkeur voor historische omgevingen die een natuurlijk soort afwisseling bieden. In de ondergrond is die differentiatie natuurlijk ook van belang, maar bovenal orde en ordening. De Parijse Forum les Halles biedt die componenten op een ingenieuze manier aan, want de consument wordt geleid langs binnentuinen, door atriums, langs een zwembad. Hij ervaart hoogteverschillen en kleurnuances, en dat alles bedoeld om het gevoel van verveling te vermijden. Met name de variatie in ruimtes de ene groot, de andere intiem, de ene royaal en de andere juist gezellig klein is een middel om de ondergrond zo te beleven, dat je niet eens in de gaten hebt dat je onder het maaiveld loopt. In Japan zijn er in dergelijke ruimtes zelfs nog twee factoren toegevoegd: een simulatie van het daglicht en het injecteren van geuren.
Nederland: the soil is the limit
Parijs, Tokio en Londen onderstrepen het: daar is de 3D-stad al, en dat komt voor een deel omdat de zeer ontwikkelde metrostelsels de voorwaarden daartoe geschapen hebben. In Nederland, met zijn beperkte ondergrondse infrastructuur, zou een andere overweging kunnen leiden tot het openleggen van de bodem. De beperkte ruimte, de slappe bouwgrond, het historische erfgoed en daaraan gekoppeld de toenemende aandacht voor het landschap leiden onomstotelijk tot een neerwaartse oriëntatie. Niet de sky is the limit, maar the soil. Voeg daarbij dat de levensduur van gebouwen en materialen onder het maaiveld langer is dan bovengronds, dan is men ook van een financiële factor verzekerd. Het komt er nu op aan het ondergronds ruimtegebruik te integreren in de stedelijke ruimtelijke ordening, zoals op voorzichtige schaal al gebeurt in de Amsterdamse Rietlanden, waar het tracé van de IJ-tram onder kantoren en woongebouwen is gelegd en tegelijk is gekoppeld aan een openbaar park. De Noord-Zuidlijn zou de aanleiding kunnen zijn voor de vestiging van functies rondom de stations, zodat de sociale controle en veiligheid is gewaarborgd. Opnieuw valt dan te denken aan bibliotheken, internetcafés, beursgelieerde bedrijven en megabioscopen.
De grond is er, de ideeën ontspruiten, de fascinatie ontwaakt.