Renzo Piano
De verre nazaat van Michelangelo en Leonardo da Vinci
25-08-2003 / documenten
Voor Nederlanders is de naam van de architect Renzo Piano verbonden aan Nemo, voorheen New Metropolis, het wetenschapsmuseum op de kop van de IJtunnel in Amsterdam. Velen zien hier een scheepsboeg in met een forse groenkoperen romp, maar Piano dacht aan iets anders: het spiegelbeeld van de IJtunnel. Min en plus, hol en vol op een uitzonderlijke plaats in Amsterdam.
Voor de gewone gelovige Italiaan zal Pianos naam voor altijd worden gekoppeld aan het bedevaartcentrum voor de priester Padre Pio, overleden in 1968 en bij zijn leven al uitgegroeid tot een legende. De bouw van de pelgrimsbasiliek is de laatste fase ingegaan.
Voor de cultureel georiënteerde Italiaan komt er een instituut bij waaronder de handtekening van Piano staat, het reusachtige Auditorium-complex voor multifunctioneel gebruik (maar vooral voor concerten), dat de ruimte heeft gevuld tussen de Parioli-heuvel en het voormalige Olympisch dorp in Rome. Drie concertzalen maar liefst, omgeven door bomen en bosschages, die worden aangevuld met een openlucht amfitheater waarin 3000 muziekliefhebbers terecht kunnen: dat is het centrum voor klassieke muziek waaraan sinds 1996 gebouwd wordt. Piano zei hierover: Rome kende niet zon plek die helemaal gewijd was aan klassieke muziek, althans geen complex dat kon wedijveren met het belang en de omvang van de stad. Het nieuwe auditorium, met zijn zalen van verschillende afmetingen en alle denkbare opstellingen, zal in dat gemis voorzien. De belangrijkste zaal is constructief het grootste er kunnen 2700 toehoorders in - maar behoudt volgens Piano desondanks zijn natuurlijk akoestiek. Piano: Om zo veel mogelijk flexibiliteit te bereiken besloten we de drie zalen niet in een enkel gebouw onder te brengen, maar drie aparte constructies te bedenken. Elke zaal is een container die lijkt op een gigantische geluidsbox: de drie zalen zijn symmetrisch geordend rond een lege plek. Het heeft de bestemming van vierde auditorium gekregen, dat aanvankelijk niet in het programma van eisen voorkwam: bedoeld als openlucht amfitheater. Waarmee Rome naar verwachting zal meespelen met de grote concertpodia in Europa, zoals het Gewandhaus in Leipzig, Kunstverein in Wenen en het Concertgebouw in Amsterdam.
Renzo Piano is voor Nederland niet alleen verbonden met Nemo maar ook met de Erasmusprijs voor humaniora die hem in 1995 werd toegekend. Een van de drijfveren om Piano de onderscheiding te verleden was het menselijke aspect van zijn gebouwen, die ook nog eens respect betonen voor de historische context. Het was voor het eerst dat een architect de eer te beurt viel de Erasmusprijs te winnen. Maar Piano zou onrecht worden aangedaan als hij uitsluitend was geëerd voor zijn eerbied voor geschiedenis en traditie. Minstens zo belangrijk is zijn ambitie telkens iets nieuws te maken. Piano is een uitvinder, zou je kunnen zeggen, een architect die nooit twee keer hetzelfde gebouw maakt. Dat laten zijn twee bouwwerken in Nederland zien: het poëtische Nemo met een knipoog naar het verleden laat zich niet vergelijken met het PTT Telecom Center op de Kop van Zuid in Rotterdam waarvan de licht hellende façade steunt op een enorme speer. Dit is een gebouw waarin de toekomst wordt binnengewenkt, zoals je oceaanstomers de haven binnenloodst.
Pianos naam dook voor het eerst op in 1969, toen hij voor Italië het paviljoen voor de wereldtentoonstelling in Osaka bouwde. Begin jaren zeventig vestigde hij pas echt zijn reputatie als vernieuwer door samen met de Britse architect Richard Rodgers de prijsvraag te winnen voor het Centre Beaubourg, al snel omgedoopt in Centre Pompidou. Ook dat gebouw past in een humanistische traditie, omdat de architectuur en de opzet democratisch zijn: het publiek daalt via een flauwe helling af naar de toegang en bereikt vandaar de zalen met moderne beeldende kunst, de mediatheek en de bibliotheek. Dat was nog niet eerder vertoond; in het klassieke museum bestijg je gewoonlijk een trap, op weg naar de Olympus. Pompidou brengt kunst voor het volk, met andere woorden, in een complex dat eruit ziet als een raffinaderij. Piano en Rodgers beperkten zich niet alleen tot een kunstmachine, ze leverden ook een bijdrage aan de stedenbouw. Op deze plaats, het dichtbebouwde Marais in Parijs, boorden ze de stad open, en schiepen een lage Eiffeltoren die lucht en uitzicht biedt op Parijs.
Er is een lijn te trekken tussen het auditorium in Rome en het Centre Pompidou in Parijs. Ook in Rome laat Piano zich kennen als een in constructie geïnteresseerde architect zonder dat hij zich door de constructie laat meeslepen of beheersen. Het stelsel van concertzalen moet een menselijke maat en component houden, vindt hij, en het moet democratisch blijven: dat verklaart zijn eigen initiatief om een openluchtzaal aan het complex toe te voegen, waardoor ook de gewone Romein van muziek getuige kan blijven. Anders zou het auditorium te veel een speelplaats voor de bontjassen-elite zijn en dat is iets waar Piano, in de jaren zeventig nog een soort hippie, een broertje dood aan heeft.
Natuurlijk opereert Piano niet in zijn eentje. Dat zou onmogelijk zijn met zulke metropolitaine en internationale opdrachten, zoals zijn regie over de Potsdamerplatz in Berlijn, het Kansai-vliegveld in zee voor Osaka en het ontwerp voor verbeeldingsvolle Tjibaou Cultureel Centrum in Noumea, Nieuw Caledonie, waar hij op een landtong een eigentijds Stonehenge heeft achtergelaten. Piano is de spil van een workshop die onder meer vestigingen heeft in Genua en Parijs, en soms ook tijdelijk zijn tenten opslaat als het belang van de opdracht daarom vraagt. Zijn atelier in Genua is te beschouwen als het hoofdkantoor: gelegen op de steile hellingen boven de Middellandse Zee, trapsgewijs gebouwd en te bereiken via een lift die tevens dienst doet als mobiele receptie. Het is die informele sfeer van denken en tekenen, van discussiëren en uitproberen die garant heeft gestaan voor drie decennia met indrukwekkende gebouwen en stedenbouwkundige plannen. Genua is de bakermat voor Piano. Zijn vader was er aannemer, via hem leerde Renzo de praktische kant. Het construeren. De aandacht voor het materiaal. De ruimtelijke compositie. Hij voegde er een filosofische component aan toe. Bij bouwen, zei hij in interviews, mag je de menselijke maat en het menselijk gebruik niet vergeten, integendeel. Toen hij de vermaarde Pritzker-prijs kreeg in 1998 de belangrijkste onderscheiding op het gebied van architectuur prees de jury hem als een van de weinigen die in staat is kunst, architectuur en techniek met elkaar te vervlechten.
San Giovanni Rotondo, Apulië. Een van de armste streken van Italië. Dank zij de miraculeuze geneeskracht van de monnik Padre Pio, die er in 1968 overleed, is het bergstadje uit zijn slaap gewekt. De geest is uit de fles, sinds pelgrims afstromen op het wonder van Padre Pio. Zeker 300 duizend pelgrims bezoeken jaarlijks San Giovanni Rotondo waarmee het stadje Lourdes als populairste bedevaartsoord is voorbijgestreefd, en dat allemaal door de gaven van de cappucijner monnik, die op onverklaarbare wijze zieken beter maakte door na zijn dood als visioen in een droom te verschijnen. Zo herstelden een Italiaanse vrouw met een gebroken nek en een jongetje met een ongeneeslijke hersenvliesontsteking, voor de paus de reden om Padre Pio in juni 2002 tot heilig te verklaren. De monnik had Karl Wojtyla overigens in de jaren zestig voorspeld dat hij paus zou worden, uniek in een land dat al eeuwen zelf pausen had voorgebracht.
Bij zijn leven werd de monnik vereerd doordat vijf wonden (stigmata) in zijn handen niet wilden genezen, volgens kenners het bewijs dat hij de stigmata van Jezus aan het kruis als het ware had overgenomen en aldus het lijden van de mensheid op zijn schouders had genomen. Niet iedereen was van zijn gave zo overtuigd. De laster verspreidde zich dat Padre Pio zijn stigmata kunstmatig met zoutzuur zou openhouden, een beschuldiging die werd gevoed door de weigering van de monnik om zich te laten onderzoeken.
Omdat de toeloop op het Apulische bergstadje zo is toegenomen de hele gemeenschap leeft van de commercie rondom Padre Pio en de bestaande kerk de pelgrims niet meer kan herbergen, heeft het hoofd van de cappucijner orde aan Piano gevraagd een nieuwe basiliek voor San Giovanni Rotondo te bouwen. Uitgerekend Piano, de architect die je eerder vereenzelvigt met de grote ongelovige stad, dan met bigotterie van het platteland. Desondanks zei Piano ja, waarmee hij met afstand het eerste opvallende seculiere bouwwerk in de 21e eeuw zal realiseren. Geen basiliek, trouwens, eerder een hal voor ceremonies. Dat Piano de opdracht heeft aanvaard, komt natuurlijk door de unieke kans in zijn vaderland een basiliek te bouwen, iets dat architecten van zijn generatie niet (meer) gegeven is. En er is een andere kans: die om een koepel van deze tijd te construeren met de materialen en technieken van nu. Dat wil in dit geval zeggen, de langste overspanningsbogen van steen die ooit zijn gemaakt, die ijler moeten zijn dan de gotische bogen maar met dezelfde impact als uit die tijd. Wat Piano voor ogen staat is een basiliek scheppen die de pelgrim het gevoel geeft dichter bij de hemel te staan, een bouwwerk dat niet neerdrukkend of te dominant is. Vandaar de bescheiden uitvoering van de koepel: Piano heeft ervoor gekozen de pelgrimstempel tegen de heuvels te laten wegvallen.
Steen is voor een architect als Piano die bij voorkeur werkt met glas en staal, niet zo voor de hand liggend, maar in San Giovanni Rotondo volledig op zijn plaats. Tegen de Financial Times zei hij in de zomer van 2001: Door steen te gebruiken ziet het gebouw er meer uit als een kerk. Instinctief denk je bij kerken aan baksteen. Toen we op deze lege plek aan de voet van de heuvel stonden, waar de rotsblokken uit het oppervlak steken, dachten we: waarom niet de lokale steen opgraven en die gebruiken? Hij zocht hiermee de genius loci, de geest van de plek, en versterkte die nog eens. Door op deze plek te bouwen, zie je de zee in de verte. Er is dus altijd meer een gevoel van oneindigheid dan van nabijheid.
Steen in San Giovanni Rotondo, hout in het nieuwe auditorium van Rome, omdat dat de beste garantie op een goede akoestiek geeft. Tot zover de verschillen, want er zijn enkele parallellen te trekken tussen de basiliek en de concertzaal, hoe tegengesteld ook. In beide gevallen wordt er iets gecelebreerd, is er een streven naar een zekere mystiek zou je kunnen stellen, en in beide omstandigheden ook heeft Piano de geest van de plek naar boven trachten te halen. Er hing een archeologische sfeer rondom de plaats, vond Piano, een vermoeden dat werd bevestigd door de vondst van fundamenten van een grote Romeinse villa uit de zesde eeuw voor Christus. Een mooie maar problematische ontdekking die de bouw van het auditorium nogal vertraagde en de opdrachtgever plus architect voor de vraag stelde: bewaren, zeker, maar hoe?Hij loste het probleem op door de concertzalen zo te ordenen dat de ruimtes ertussen openbaar zullen zijn, waardoor het publiek de fundamenten kan bewonderen en zelfs in de ondergrondse foyer die toegang geeft tot alle zalen.
Tot zover de Romeinse ballast. Want alle eigentijdse nouveautés zijn in het muziekcomplex verwerkt, beweegbare vloeren en plafonds, verplaatsbare podia en verwijderbare zitplaatsen, zodat elk concert op zijn eigen wijze tot stand kan komen. Het wonder dat het afgelegen plattelandsdorp San Giovanni Rotondo heeft bereikt in de vorm van een genezende heilige en in het verlengde daarvan een basiliek die te zijner nagedachtenis is opgericht verspreidt zich ook richting Rome. Er zal muziek klinken op de resten van een oude villa, onder een al even sprekend dak als dat van de basiliek in Apulië. Piano heeft zo, na zijn omzwervingen door de wereld, de kern van Italië weten te raken, die magische verstrengeling van spiritualiteit, kunst en architectuur. Daarmee treedt Piano, zo sprak de jury van de Pritzker-prijs, in de voetsporen van de grootmeesters van Italie, en dat zijn niet de eerste de besten: Michelangelo en Leonardo da Vinci.