Kim Nielsen over zijn Muziekgebouw aan ’t IJ
Een open deur naar de levendigheid
03-06-1996 / documenten
03-06-1996 / documenten
Het is de ochtend na de night before, de avond dat het Muziekgebouw aan het IJ in Amsterdam officieel door koningin Beatrix werd geopend. De Deense architect Kim Nielsen blikt op Schiphol voor zijn vertrek naar Kopenhagen wat waterig uit zijn ogen, want het is laat geworden en dat niet alleen. Verbaasd is hij nog steeds, over de koningin die veel langer dan gepland, is blijven hangen en geanimeerd met hem over het gebouw heeft gesproken. Een groot verschil met Margaretha van Denemarken? Nee eigenlijk niet. Ze zijn toch ook familie van elkaar. Ze houden beiden van een glas wijn en Margaretha ook nog van sigaren. Verbaasd is hij ook over de positieve reacties op het gebouw, niets dan lovende commentaren in de pers en van de bezoekers. Daardoor voelt het goed het nu achter te laten. Dat zou heel anders zijn geweest als men sceptisch was geweest. Ik had eerlijk gezegd meer kritiek verwacht omdat het op zon prominente plek ligt. Het is in alle opzichten de eretribune voor het IJ. Niet dat hij zijn kind definitief achter zich laat. Nielsen neemt zich voor geregeld terug te gaan om concerten bij te wonen. Het is er al zo levendig.
Vergeleken met de recent geopende opera in Kopenhagen is het Muziekgebouw vijf keer zo goedkoop. Hij moest woekeren met een zeer gelimiteerd budget, maar denkt dat het daardoor niet minder is uitgevallen als de Kopenhaagse opera, integendeel. Mensen kijken naar het resultaat, praten niet over het budget. Dus als men gelukkig is met het resultaat, ben ik dat ook. Kan hij een detail opnoemen dat hij graag wel uitgevoerd had gezien? Aanvankelijk weigert hij daarop te antwoorden, maar even later capituleert hij. Het front had ik graag schuin gezien. En ik had liever ook gesloten compacte kolommen gehad in plaats van de open kolommen. Maar ik kan er mee leven. Dat hij zo op het budget heeft moeten letten, heeft geleid tot een gebouw dat eerder doet denken aan een oud fabrieksgebouw dat is opgeknapt, een scheepswerf die in een concertzaal is veranderd, en dat bevalt hem wel. Een beetje ruw, een beetje tweedehands.
Terugkijkend op de openingsavond moet Nielsen vaststellen dat Nederlanders informeel zijn, nog een stukje informeler dan de Denen. In wezen heeft hij zijn ontwerp daarop afgestemd, zegt hij. Het moest een gebouw worden waar je makkelijk doorheen kunt slenteren, waar je kunt flaneren en rondhangen. En het moest zeker geen deftig gedoe zijn. Dat mensen op de trappen zitten of van de balkonfoyers naar elkaar kunnen kijken, had hij wel verwacht, want zo wilde hij ook dat zijn gebouw gebruikt zou worden. Wat me daarentegen heeft verrast, is dat bands en groepen tegelijkertijd kunnen optreden. Toen ik in de pauze de grote zaal verliet, stond daar ineens een Afrikaanse band te spelen. Al die stijlen en sferen matchen heel goed. Dat was dan ook de verborgen opzet. Het Muziekgebouw, zegt hij, moest een laboratorium worden, een zinderende bijenkorf van muziekbeoefening.
Acht jaar lang heeft hij gewerkt, getekend en gesleuteld aan het Muziekgebouw nadat hij de competitie had gewonnen met twee andere Nielsens die inmiddels het bureau hebben verlaten. Hij was nog betrekkelijk jong toen hij de opdracht kreeg en zag hierin een kans om zich te bewijzen. Geld speelde eigenlijk geen rol. Ik denk dat we er zelfs op hebben toegelegd. We hebben altijd gedacht dat het een opstapje zou kunnen worden naar andere opdrachten. En dat is ook gebleken. Kim Nielsen werkt nu aan een museum in Liverpool, aan de hoogste toren van Finland in Helsinki en aan een concertzaal in Zuid-Jutland. In Nederland was hij in de race voor een woontoren in het Bossche Paleiskwartier.
De Deense bouw- en ontwerppraktijk vertoont veel gelijkenis met de Nederlandse heeft hij vastgesteld, omdat in beide landen de zakelijkheid en het modernisme stevig in de cultuur veranderd zijn. Toch proeft hij een subtiel verschil. De Nederlandse architecten zijn steeds bezig zich te vernieuwen, schuwen het experiment niet. Daarom oefent Nederland ook zon aantrekkingskracht uit op buitenlandse architecten, omdat ze de kans krijgen hun grens te verleggen. Voor Nielsen zelf gold de grootste uitdaging dat hij een concertzaal op een prominente plek in Amsterdam mocht ontwerpen en hij keerde dat gebouw richting het Centraal Station. Met opzet, want dan trekt het automatisch belangstellenden aan. Daarbij kon hij ook nog eens profiteren van de majestueuze oost-westligging: het Muziekgebouw staat er nu al om bekend dat het de mooiste zonsondergang van de stad kan presenteren.
Voor de concertzaal in Jutland gaat hij verder op het concept dat hij in Amsterdam heeft uitgedacht samen met de lichtontwerper/scenarist Stephen Scott, een concertzaal met een lattenwand waarachter tl-verlichting is bevestigd. Tijdens de voorstellingen van het Holland Festival werd zichtbaar wat de potentie van die verlichting is, omdat per avond de sfeer kan worden gereguleerd. Het effect is dat van een eindeloze muur, zegt Nielsen, alsof de zaal maar doorgaat. Hij had het voor de openingsavond nog niet zien functioneren en was daarom razend nieuwsgierig. Bij de opening werd het subtiel gebruikt, lichte tinten bij vrijwel geluidloze muziek, maar er zijn tal van variaties mogelijk. Scott en ik zochten naar een middel om licht en kleur te integreren, en ook naar een simpel, veranderbaar systeem waardoor je geluid en beeld met elkaar combineert. Ik ben over het resultaat zo enthousiast, dat ik het verder wil uitwerken..
Omdat de ontwikkeling van de concertzaal zo lang duurde het gevolg van langdurige onderhandelingen met de gemeente en met de toekomstige gebruikers kon Nielsen samen met directeur Jan Wolf zijn ontwerp steeds verder perfectioneren. Daar heeft met name de akoestiek in de zaal van geprofiteerd, doordat Wolf op zeker moment aan akoestisch bureau Peutz vroeg wat zij voor oplossing zouden aandragen als ze een keer op tijd werden ingeschakeld. Het resulteerde in een zaal met een flexibel plafond en een beweegbare vloer. Elke denkbare soort muziek kan er in zijn eigen klankkleur en resonans ten gehore worden gebracht, van kamer- tot koormuziek, van muziektheater tot big bands. Vergeleken met het winnende prijsvraagontwerp is het eindresultaat nagenoeg hetzelfde met uitzondering van het dak en de luifel. De dakconstructie is ranker geworden. In zijn eerste tekeningen had Nielsen op het dak een pakket aan voorzieningen gepland, zoals kantoren en de muziekbibliotheek. Die zijn nu verplaatst naar de rug van het Muziekgebouw. De architect kan er mee leven. Sterker, hij vindt dat het gebouw erop vooruit is gegaan. Zo zet het een hoge wand op tegen het hotel en de passagiersterminal. De architectonische kwaliteit van met name de terminal kan Nielsen maar matig bekoren.
Vindt Nielsen dat een gebouw moet uitstralen wat het is? Nee, antwoordt hij, de functie vloeit automatisch uit een ontwerp voort. Ik was er niet op uit letterlijk een Muziekgebouw te maken. Als het een opera of een schouwburg had moeten zijn, was ik vermoedelijk op een zelfde soort ontwerp uitgekomen. Wat hem daarom stoort is de naam die levensgroot op de dakrand staat, en dan ook nog in kobaltblauw op een zeegroene achtergrond. Muziektheater aan t IJ. Zoiets doe je niet. Je ziet meteen dat het geen benzinestation is. Op een opera of concertgebouw plaats je ook geen naam. Cultuurgebouwen hebben geen logos nodig. Iedereen herkent de functie toch wel. Als dat niet zo zou zijn, zou ik als architect gefaald hebben.
De referentie bij de architectuur was die van scheepswerven, het rauwe karakter van de haven, dat tot uitdrukking komt in de met planken belegde vloeren. Nielsen zocht naar een nautische, industriële uitstraling. Zodra je de draaideur met bescheiden in de plint de naam Boon Edam binnengaat, betreedt je een hal waar bij wijze van spreken jachten gebouwd hadden kunnen worden. Die draaideur is overigens noodzakelijk om de wind buiten te sluiten die in dit stuk van Amsterdam de neiging heeft flink aan te wakkeren. Nielsen: Het waait hier altijd een graad Beaufort meer dan in de binnenstad. Tocht moet je te allen tijde vermijden. En dat krijg je als twee deuren tegelijk open staan. Dat zou het binnenklimaat bepaald onaangenaam hebben gemaakt. Hoewel er verschillende systemen bestaan, koos Nielsen voor de deuren van Boon Edam, omdat ze door hun transparantie opgaan in de glazen gevel: naast de draaideuren bevinden zich reusachtige schuifdeuren in het front
Over twee ingangen beschikt het Muziekgebouw, een onderin aan de kade en de ander op het niveau van de Piet Heinkade die te bereiken is via een brug die doet denken aan een loopplank (ontwerp: Hans van Heeswijk). Die twee ingangen waren nodig om het Muziekgebouw vanaf het Centraal Station gemakkelijk toegankelijk te maken, maar dat niet alleen. Twee ingangen communiceren met elkaar. Ik zie graag het verkeer van bezoekers die de trappen bestijgen of juist afdalen. Daarom heb ik ze ook zo breed mogelijk gemaakt. Een monumentale centrale entree zou naar zijn smaak niet de juiste keus zijn geweest. De foyer beschouw ik als een bijna buitenruimte die dankzij het glas in verbinding staat met de kade en het plein. Het is juist goed dat men door de ene deur binnenkomt en door de andere het gebouw weer verlaat. Zo krijg je circulatie. Hij heeft nog een andere gedachte bij twee ingangen. In een klassiek concertgebouw wordt een concert gehouden, een evenement, terwijl hier juist van alles tegelijkertijd gebeurt. Jazz, bibliotheek, repetitiestudios, met een ingang doe je het gebouw tekort.
Ingangen zijn in de Nederlandse architectuur een van de meest onderbelichte onderdelen. Van de Amsterdamse School tot de Stijl, van het supermodernisme uit de jaren negentig tot de blob-architectuur van nu: het blijkt moeilijk een sprekende, wervende ingang te ontwerpen. Is dat voor architecten de figuurlijke sluitpost? De meeste architecten vergeten het. Pas als ze klaar zijn met tekenen, bedenken ze ook nog eens dat je naar binnen zou moeten. Toch is de ingang cruciaal en vooral de manier waarop je het publiek de weg wijst. Eigenlijk zou het niet het sluitstuk in het ontwerpproces moeten zijn, maar al te vaak is dat wel het geval. Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht, ontworpen door Herman Hertzberger, is een berucht voorbeeld van een complex met een verdoezelde hoofdentree. Het is democratische architectuur, zegt Nielsen, waar op zich niks mee mis is, maar een concertgebouw is nu eenmaal een baken in de stad en hoort daarom een duidelijk gemarkeerde entree te hebben.
Hoe verklaart Nielsen de stiefmoederlijke behandeling van de ingangen in gebouwen? Nederland lijkt in dat opzicht op Denemarken, omdat we worstelen met een democratische traditie.En dat stelt architecten in onze culturen voor een dilemma, want zij zouden een formele ingang moeten ontwerpen maar komen uit op een informele. Aan de euvel lijdt ook de nieuwe Koninklijke Bibliotheek in Kopenhagen, bijgenaamd de Zwarte Diamant: een imposant gebouw aan het water, desondanks uitgerust met een bescheiden ingang.
Goed beschouwd heeft ook het Muziekgebouw een democratische toegang, hoewel Nielsen vindt dat de bezoekers niet te klagen hebben. Het BIM-huis dat als een doos uit de gevel hangt, fungeert tegelijk als een sublieme gevel, de plek waar je met de limousine zou kunnen voorrijden. En ook nog eens een luifel waar je onder kunt schuilen bij regen als je op de taxi staat te wachten.
Twee onderdelen is Amsterdam misgelopen, details die het Muziekgebouw een nog grotere aantrekkingskracht hadden bezorgd, als het in het budget had gepast. Op het dak was volgens de eerste tekeningen een openlucht concertzaal aangegeven. Dat zou ongelofelijk zijn geweest, maar dan hadden we 30, 40 miljoen euro extra moeten hebben. Een andere gemiste kans is te vinden in de foyer. Omdat Nielsen uitging van gesloten kolommen, had in een daarvan de schoorsteen moeten zitten met een gigantische open haard in de foyer. Een brandend vuur aan de oever van het IJ het zou het Muziekgebouw ook in de winter letterlijk en figuurlijk tot een hot spot hebben gemaakt.