• Eerherstel voor een feestzaal

    gerenoveerde Ridderzaal

    01-09-2006 / boeken

  •  



    Het begon allemaal met de troon.

    Er was een nieuw millenium aangebroken, een mooie gelegenheid om terug- en vooruit te blikken. En dat gold misschien wel in het bijzonder voor de Ridderzaal waar eens per jaar alle ogen op de volksvertegenwoordiging en de Kroon zijn gericht. De bekleding van Hare Majesteits zetel begon enigszins sleets te worden, luidde een oordeel, in 2000. Het zijdefluweel is aan vervanging toe, viel de ander bij. Wanneer was ook al weer de laatste keer dat de troon was bekleed, was een terechte vraag die opkwam en met welke kwaliteit stof? Dat was al weer 1957. Maar zo vaak zit Hare Majesteit toch niet op die troon, om precies te zijn een keer per jaar en dan niet langer dan een half uur, was het argument dat onder meer door de pers op tafel werd gelegd. Waar komt die slijtage dan vandaan? Niet zozeer intensief gebruik, maar ook lichtval en ouderdom kunnen een stof aantasten want het zijdevelours van de bekleding is behoorlijk kwetsbaar. Het verteert door de zon. Waarna het besluit viel om de troon van een nieuwe bekleding te voorzien. Gelukkige bijkomstigheid is dat een paneel van de oorspronkelijke stof die Pierre Cuypers uitkoos in 1904 nog voor handen was. Op zijn ontwerpschetsen voor de troon geeft hij globaal een vroeg granaatappelmotief aan, dat vervolgens in Lyon moet zijn besteld, uitgevoerd in een kostbare handgeweven Franse zijdevelours. De stof is geweven in een rood fond met een goud-geel patroon. Het patroon en die kleurencombinatie van de oorspronkelijke stof werden de aanknopingspunten voor de herbekleding.

    Een nieuwe eeuw, een schone lei. Een frisse stof.

    Het is een goede gewoonte dat de Rijksgebouwendienst in het algemeen maar ook specifiek als eigenaar van de grafelijke zalen waar de Ridderzaal onder valt, zich niet beperkt tot de vervanging van één lapje stof. Ook opmerkingen van de brandweer over de vluchtwegen in relatie tot het aantal stoelen op Prinsjesdag waren een aanleiding om de zaal weer onder de loep te nemen.
    Het idee kwam of tafel om een deskundige een bouwhistorisch onderzoek te laten verrichten om te bestuderen in welke context de troon thuis hoort. Is de Ridderzaal zoals hij nu is, authentiek en zo ja welke onderdelen wel en welke niet? En als de verdere stoffering moet worden vervangen, in welke stijl dient dat dan te gebeuren, modern, neutraal of traditioneel? Het zijn stuk voor stuk vragen die deel moeten uitmaken van een onderzoek.
    Op voorspraak van en onder begeleiding van Askon Eden, architect bij de Rijksgebouwendienst werd deze studie verricht door (restauratie)architect Krijn van den Ende uit Den Haag, die bijvoorbeeld betrokken was bij de reconstructie en rerstauratie van de plenaire zaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Daarvoor liet hij Marya Gasille een wandbespanning ontwerpen. Het zou in feite de proloog zijn op de introductie van de wandkleden in de vernieuwde Ridderzaal. Zijn methodiek kenmerkt zich door een nauwgezette analyse van het interieur, die wordt gevolgd door suggesties voor een gewenste inrichting die de ruimtelijkheid ten goede moet komen. Een architectonische verkenning als deze richt zich op de samenhang tussen detail (decoraties) en geheel (de ruimte) maar ook op de proporties van de ingrediënten in de zaal. Hoe verhouden podium en baldakijn zich met de ruimte? Is de bestaande opstelling van de stoelen gewenst? Elk element werd bij het onderzoek betrokken. En zo leidde de vervanging van een stuk stof tot een totale herinrichting van de Ridderzaal. Tot een ander beeld en een andere sfeer dan we tot dusver kenden.
    Er formeerde zich aan de zijlijn een klankbordgroep die architect, ontwerpers en uitvoerders ten dienste zou staan. Daarin zaten een vertegenwoordiger van de Hoge Raad van Adel, kunsthistorici, kenners van de koninklijke symboliek en leden van Monumentenzorg. Geraadpleegd werden ook de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer, de vice-president van de Raad van State terwijl de koningin regelmatig op de hoogte werd gesteld.

    Tegenstellingen

    De conclusies uit het kunst- en bouwhistorisch onderzoek lieten niets aan duidelijkheid te wensen over. Er was in de loop van de eeuw links en rechts gerommeld aan het concept van Cuypers; misschien was dat concept door de architect ook niet eenduidig genoeg uitgevoerd. Want Cuypers zat bij de opdracht in het begin van de 20e eeuw gevangen in een korset – er waren twee commissies samengesteld die toezicht hielden op het proces en soms tegengestelde eisen formuleerden voor de verbouwing van de Ridderzaal. De commissie van architecten die de restauratie begeleidde, stond lijnrecht tegenover ‘de commissie voor huishoudelijke aangelegenheden der beide kamers’. Dat zou bepalend zijn voor de uiteindelijke inrichting. Het eindresultaat was een optelsom van compromissen geweest, hoewel het interieur van de zaal als eenheid was bedoeld. Cuypers bleef ontevreden achter, wat door heftige commentaren in de pers werd gedeeld. Een overbodig storend baldakijn hoog in de lucht, sneerde het Algemeen Handelsblad bij de opening, met een banaal rood fluwelen scherm achter de zetels en een lelijk behangsel op de achterwand. Cuypers verweet de restauratiecommissie dat zij verschillende van zijn ontwerpen eigenhandig en buiten hem om hadden gecombineerd.
    Bij hun studie naar het fenomeen troon en het bordes waarop hij staat, kwamen de architecten tot de bevinding dat twee baldakijnen niet gangbaar zijn in de westerse architectuur maar tevens dat het bovenste baldakijn een wel erg groot formaat heeft. Zo exceptioneel groot dat het de ruimtelijke werking van de Ridderzaal verstoort. De maat van dat baldakijn was gebaseerd op plaatsing aan de korte oostelijke wand van de zaal en werd niet aangepast toen de troon in 1905 verhuisde naar de lange zuidelijke wand. Een baldakijn, zo bleek uit studie, is een symbool van vorstelijke waardigheid. Het is een motief dat sinds de Middeleeuwen voorkomt en vermoedelijk nog ouder is. Bij een banket van buitenlandse koningen wordt de hiërarchische indeling aan tafel gemarkeerd door een baldakijn boven de zetels van de koning en koningin. Die kan in textiel worden uitgevoerd maar ook in hout zoals bij de troon in de Ridderzaal.
    Omdat het baldakijn nu is verkleind, kon ook de verlichting bijgesteld. Er is plaats gekomen voor een extra kroonluchter, zodat er nu niet drie maar vier lichtbronnen op een rij hangen: acht in totaal. Bovendien zijn ze opnieuw geëlektrificeerd en uitgemonsterd. Elektrisch licht heeft de Ridderzaal in 1936 gekregen (luchters van de firma Braat uit Delft), voordien werd er gewerkt met kaarsen. De komst van de televisie had storend gewerkt: in de kap werden schijnwerpers gehangen die een fel maar hard licht omlaag wierpen. Aangezien het hoofdstreven bij de herinrichting er op gericht was meer rust in de zaal te brengen, is er een nieuwe verlichting ontworpen met downlighters in de middenring en kaarslampen in de buitenring, de eerste voor het gewenste ‘ televisielicht’, de tweede voor de sfeer. Omdat ze traploos instelbaar zijn, kan er nu voor elk moment het gewenste licht worden afgedwongen. De Ridderzaal kan beurtelings romantisch en zakelijk zijn.

    Vlaggen

    Alles hangt met alles samen in de Ridderzaal. Hoewel niet eens zo overdreven gedecoreerd, kan elk onderdeel de ruimte maken of breken. Bij de bestudering van de kleuren van de wanden, werd ontdekt dat ze nimmer wit zijn geweest. Het wit is wat wij kennen van de beelden van Prinsjesdag. Maar wit is in de Cuypers-architectuur een vreemd element. Ook in het Rijksmuseum en Centraal Station te Amsterdam bediende Cuypers zich van een rijk kleurenpalet, waarmee hij zich nog opstelde als een echte 19e-eeuwer. De zaal is eerder neogotisch van aard dan middeleeuws, maar hoe het ook zij: wit is daar niet op zijn plaats. Het veroorzaakte in de Ridderzaal scherpe contrasten. Wat uit het gekrab in oude verflagen tevoorschijn is gekomen, was geen wit maar een zandkleur of beigegrijs die nu op de wanden is teruggebracht.
    Het belangrijkste vernietigende oordeel betrof de vlaggen met de provinciewapens in de kap van de zaal: te fel van kleur en ongepast. Zij benamen het zicht op het vermoedelijk meest bediscussieerde stuk van de Ridderzaal, de kap, en hoorden op de keper beschouwd ook niet in een interieur thuis. Om vlaggen het best tot hun recht te laten komen, moeten ze wapperen, wat uiteindelijk alleen in de open lucht kan. Wat dan te doen met de wapens van de provincies die in het democratisch forum vertegenwoordigd horen te zijn? Definitief verwijderen stond niet ter discussie. De veertig grootste steden uit het hoogtepunt van de Republiek der Verenigde Nederlanden hebben al een plaats in de glas-in-loodramen, de huidige provincies kunnen dan niet achterblijven. Het concept van Cuypers bleek na honderd jaar nog steeds valide: verwerk ze in wandkleden boven de lambrisering zodat er een intieme, warme kring in de zaal ontstaat, een ceintuur van verbeelding en symboliek die als het ware de Ridderzaal bijeenhoudt.
    Op de plaats van de wandkleden hebben tot in de jaren vijftig ‘oosterse tapijten’ gehangen, door Cuypers besteld bij de Deventer tapijtfabrieken. Het betrof een vrije interpretatie van Turkse gebedskleden met een decor van door zuilen gedragen boogstellingen waarin bloemvazen afhangen. Ze werden schielijk weggehaald bij een bezoek van de Ethiopische keizer in 1954, zo gaat het verhaal, omdat hij in staat zou zijn de echtheid van de kleden te onderscheiden en deze als ‘fake’ zou verwerpen.
    Op de vloer lagen ook al pseudo-oosterse tapijten, geweven door dezelfde Deventer tapijtfabrieken, die minder aanstoot hebben gegeven maar in feite als oneigenlijk overkwamen in een ontwerp dat wilde teruggaan naar een middeleeuwse atmosfeer. Vanaf 1990 werd de vloer belegd met een oosters replica-tapijt maar dan wel made in China. Het geheel, zo valt uit foto’s te reconstrueren, was een stemmig interieur dat nog helemaal de sfeer van de 19e eeuw ademde. Het idee van een integrale architectuur met een dominante rol voor de toegepaste kunst – met de nadruk op toegepast – is gehandhaafd, het concept is alleen nu anders ingevuld. Lichtelijk traditioneel, een rijker kleurenpalet en meer in verhouding met de architectuur.

    Een oude discussie

    Het onderzoek spitste zich toe op de stijl en sfeer van de Ridderzaal. Daaraan zouden stoffering en herinrichting ondergeschikt moeten worden gemaakt. Het motto waarmee de ontwerpers van start gingen, luidde: troonzaal. De reconstructie moest de rijkdom in de geest van Cuypers weer terugbrengen. Van een letterlijke reconstructie zou geen sprake kunnen zijn omdat het interieur te veel was gedicteerd door compromissen.
    Nederland is niet rijk bedeeld met troonzalen. In de burgerlijke Nederlandse traditie ontbreekt een hiërarchie in de vorm van paleizen, dit in tegenstelling tot het Zweedse, Britse of Franse hof. De zalen in Paleis ’t Loo, Soestdijk, Noordeinde of Kneuterdijk dragen de titel van troonzaal niet. Eigenlijk biedt alleen het Paleis op de Dam de gelegenheid tot grote banketten en recepties, daarbuiten is de enige zaal die voor ceremonies in aanmerking komt de Ridderzaal, die deze naam overigens pas in de 19e eeuw heeft gekregen. Voordien staat op oude tekeningen de naam Grote Zaal. Dat er ook al in het begin van de 20e eeuw reden voor was om de Ridderzaal als troonzaal te beschouwen, komt doordat de monarchie zich op dat moment in een wankele positie bevond. De jonge Wilhelmina kwam pas in 1898 aan het bewind, koningin Emma was tot dan toe regentes – en het was haar, ambitieus als ze was, er alles aan gelegen de monarchie terug te brengen in het centrum van de macht, ook toen Wilhelmina al regeerde. Een forum waar de Staten-Generaal één keer per jaar bijeenkomt en bovendien een plek waar de vorst de volksvertegenwoordiging zou treffen. Daar had het in de jaren daarvoor aan ontbroken. Koning Willem III had in de laatste jaren van zijn regeerperiode de troonrede laten voorlezen door de minister-president. Een nieuwe start in een nieuwe zaal was gewenst: de gerenoveerde Ridderzaal zou de Tweede Kamer vervangen waarin tot dan toe de troonrede werd voorgelezen.
    Maar het trefwoord troonzaal haalde het niet bij de recente herinrichting, op grond van geschiedkundige argumenten. In die zin heeft de herbestemming van de Ridderzaal rond 1900 haar schaduw vooruitgeworpen. Toen Cuypers in 1900 met de restauratie begon, was de plaats van de troon in de zaal een twistpunt. Er werd gediscussieerd over de kop van de zaal (de middenas) of aan de zijwand. De architect was er zelf voorstander van om de troon in de middenas van de zaal te plaatsen omdat hij de macht en het gezag symboliseert. Cuypers moest accepteren dat de troon naar de zuidkant verhuisde waar hij een jaar zou staan tot 1905 toen de zetel alsnog voor de schouw werd geplaatst in overeenstemming met de middeleeuwse tradities en zoals Cuypers dat gewenst had. Daar bleef de troon tot 1916 staan, waarna akoestische problemen – koningin Wilhelmina vond dat de troonrede onverstaanbaar was – hem zijn uiteindelijke plaats bezorgden, ongeveer in het midden van de zuidelijke wand. Pal in het midden kan niet, vanwege het even aantal traveeën.

    Feestzaal

    Als leitmotiv voor de herinrichting diende de term feestzaal. Immers, die functie had de zaal ook al 725 jaar geleden als centrum voor feestelijke en plechtige ceremonies. Aanleiding tot de term feestzaal was het kleurbeeld dat de architect voor ogen stond, warm, rijk en ook weer niet te opdringerig. Dit zette Marya Gasille op het spoor voor de kleurenwaaier van de wandkleden, een met oker verweven palet van rood, groen, blauw en geel. Toch bleek een aspect discussie oproepen, alsof de geest van Cuypers nog door de zaal waarde. Opnieuw dook een oud, onbeantwoord thema op: de vraag waar de troon moest staan? En opnieuw leek het meest voor de hand liggende idee hem aan de kop van de zaal te plaatsen, aan het uiteinde van een rode loper. Dat zou ruimtelijk sterk hebben gewerkt, maar ook passen bij de historie.
    Het klonk aanlokkelijk, het plan kreeg ook de handen op elkaar, desondanks waren er onoverkomelijke bezwaren. Ter gelegenheid van de opening van het parlementaire jaar is de koningin uitgenodigd bij de Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal en niet omgekeerd, luidt een steekhoudend argument. Om de troonrede voor te lezen, neemt het staatshoofd daarbij plaats op de troon tegenover het voorzittersrostrum. Staatsrechtsdeskundigen kunnen weliswaar – net als in de tijd van Tweede-Kamervoorzitter Vondeling – eindeloos discussiëren of de onderlinge posities nu in de praktijk anders zijn dan in het verleden, maar een veranderde opstelling zou de balans kunnen verstoren in het Nederlandse democratische bestel. De bestaande opstelling waarborgt een zekere intimiteit – geen afstandelijkheid en geen hiërarchie zoals dat het geval zou zijn met een troon op een bordes aan de kopse kant. Het is gebleven zoals het was. Geschiedenis laat zich niet gemakkelijk kantelen.
    In de aanloop naar een nieuwe inrichting en indeling passeerde nog een andere opstelling de revue. Zou het niet passend zijn de ministers aan weerszijden van de troon te plaatsen door een hek van de overige aanwezigen gescheiden zoals ook de opstelling tot 1916 was geweest om ze de eenheid van de regering te onderstrepen, zo luidde een voorstel? De regering zou zo weer tegenover de volksvertegenwoordiging worden geplaatst, net als in de huidige Tweede Kamer. In de opstelling na 1916 zitten de ministers vooraan, tegenover de koningin en horen een troonrede uitspreken die ze zelf hebben opgesteld. Ook dit plan sneuvelde.
    Dat gold ook voor een andere kleur van de stoelen. Er lag een suggestie op tafel om een onderscheid aan te brengen tussen de kleuren van de stoelen voor en achter de hekken van Cuypers: voor zitten de volksvertegenwoordiging en de regering, achter de genodigden.
    Toen Cuypers de inrichting van de zaal ontwierp, waren alle stoelen groen. Later veranderden ze in oudroze. Wat is echter de symboliek van bepaalde kleuren? Die is belangrijker dan je oppervlakkig zou vermoeden: groen is de kleur van de magistratuur, rood van de koning. Op grond daarvan zou het voor de hand kunnen liggen de Kamerleden in het parlement tegenwoordig op het groene fluweel te plaatsen en het bordes van de koning in rood te houden. Hoe groot de kleurverwarring tegenwoordig is, blijkt uit het feit dat de leden van de Tweede Kamer in hun eigen vergaderzaal niet op groen maar op blauw zetelen. Maar groen in de nieuwe kleurschakering van de zaal zou storend zijn, oordeelden weer de kleurexperts. De combinatie rood-groen zou de indruk wekken alsof het doorlopend kerstfeest is. De Ridderzaal mag wel een feestzaal, maar geen kerstfeestzaal zijn. Engelsen hebben daar het passende woord voor: banqueting hall. En de stoelbekleding bleef uniform van kleur: warm rood.
    Geen enkel aspect bleef bij het onderzoek onderbelicht. Ook het gemak van de stoelen werd aan de orde gesteld. Zou de volksvertegenwoordiging niet wat comfortabeler naar de troonrede kunnen luisteren, ook al is dat slechts een half uur en een keer per jaar? Als gelovigen het bij de kerkdienst of mis kunnen opbrengen om rechtop te zitten, geldt dat ook voor parlementariërs. Bij het ontzag voor de vorst hoort een actieve luisterhouding. Dan ga je niet onderuit zitten of hangen.

    Textiel

    De vernieuwing van de Ridderzaal was een proces waar voortdurend nieuwe opties werden gelanceerd, waar gewikt werd en gewogen, waar door allerlei deskundigen werd gezocht naar een balans tussen heden en verleden. Omdat de toegepaste kunst zo nauw luistert in een sobere ruimte, lag het voor de hand een belangrijke rol toe te kennen aan de stoffering. Textiel als tegenwicht tegen het steen en het hout, kleur als reactie op het glas-in-lood. Marya Gasille, ontwerpster van de wandkleden en vloertapijten, liet zich hierbij assisteren door Liesbeth Stinissen. Geen centimeter stof is aan hun aandacht ontsnapt, er werd gestudeerd op weeftechnieken, de werking van kleur (vaal of juist intens?) en het visuele samenspel. Bij de troon was het fragment textiel uit de tijd van Cuypers de leidraad voor een nieuwe donkerrode zijdevelours met een goudkleurig grondweefsel. In het velours werd een patroon geweven van bloemcontouren en granaatappels. De uitvoering van de reconstructie lag in handen van gespecialiseerde wevers in Lyon. De achterhang, het doek achter de troon, is gegaufreerd, waarbij het patroon ton sur ton in het weefsel is ingeperst. Alleen in strijklicht wordt het dessin zichtbaar.
    Het totaalconcept gaf aan dat een textiele bespanning aan de wanden boven de lambrisering wenselijk was. Waar eerst tapijten met oosterse motieven hadden gehangen, moesten wandkleden terugkeren. Aanvankelijk ging de gedachte uit naar kleden met voorstellingen uit de vaderlandse geschiedenis, maar het bezwaar daartegen was dat figuratieve voorstellingen te snel gedateerd zouden raken, een te druk effect zouden hebben, en dat de productie daarvan te veel tijd zou vergen. De ontwerpster stelde in plaats daarvan wapenkleden voor die een waardige vervanging zouden zijn voor de vlaggen. De gepunte vorm van de wapens zou bovendien een fraai antwoord vormen op de gotische vorm van de kap. Het kleurenpalet dat de ontwerpsters voor de kleden in gedachten hadden, moest warm en levendig zijn, een harmonie vormen met de ruimte en aansluiten bij de ramen van Cuypers die daarbij de aanwijzingen van de commissie had gevolgd. De nieuwe vloertapijten reageren vervolgens ook weer op de kleur in de glas-in-lood-ramen. De kleuren van de vlakken onderling dienden aldus de ontwerpsters met elkaar een synergie aan te gaan, wat een ingenieus tableau oplevert van panelen, afwisselend rood, groen, blauw of geel, maar dan in off-tinten, dankzij een okerkleurige draad die in de kleden is mee geweven. Daardoor is een kleurrijke maar gedempte ceintuur rondom de zaal geknoopt in het streven naar een ‘oud’ uiterlijk dat als chique ondergrond zou kunnen dienen voor de fel gekleurde wapens.
    De wapens en de teksten zijn ‘gevangen’ in randen met een decor van vlechtwerk. In die randen lichten fel gekleurde vlakjes op, door de ontwerpers juwelen genoemd. Alsof er edelstenen zijn verwerkt in het weefsel. Het vlechtwerk bestaat uit rechte en golvende banden die elkaar diagonaal kruisen. Aanvankelijk waren de ontwerpen afgeleid van de renaissance motieven terwijl de deskundigen van oordeel waren dat juist de Middeleeuwen het ijkpunt moesten zijn. De glas-in-lood-ramen van Cuypers brachten uitkomst. Door een vereenvoudiging in het patroon sluit de ornamentiek in de randen nu aan bij het middeleeuwse karakter van de Ridderzaal.

    Te wapen

    Negentien wandvlakken tussen de colonnetten (de slanke zuilen in de wand) zijn behangen met wapenkleden. Ze zijn met hun 2 meter 81 centimeter een fractie lager dan de oorspronkelijke kleden van Cuypers die bovendien de hele Ridderzaal rondgingen en op zwart-wit foto’s overkwamen ‘als een soort rouwrand’. Dat is bedrieglijk, want zo somber waren de kleuren in het echt niet. Bovendien werd het motief van de gebedsnissen gewijzigd in dat van de wapens van de twaalf provincies. Deze zijn aangevuld met het Rijkswapen, het wapen van de Nederlandse Antillen en de soms kersverse wapens van de Antilliaanse eilanden. Het hele Koninkrijk is terug te vinden in een geweven ‘beeldverhaal’ langs de muur.
    De symmetrie van de zaal heeft de plaats van de wapenkladen ingegeven. Zowel de Nederlandse provinciewapens als de wapens van de overzeese gebiedsdelen zijn gelijk verdeeld over de linker en rechter wand. Steeds bevinden zich twee wandkleden aan weerszijden van een colonette. De volgorde van de wapens is grotendeels ontleend aan de Grondwet van 1815 waarbij Hertogdommen voorafgaan aan Graafschappen: Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Xuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel, Drenthe en tenslotte Flevoland. De andere wapenkleden zijn alfabetisch geordend (daarom bijvoorbeeld Aruba als eerste, en vanwege de status aparte ook met een eigen plaats) en maken onderscheid tussen bovenwindse en benedenwindse eilanden. De wapens worden doorsneden door historische teksten.
    Om eenheid te brengen in de wapens stelde de Rijksbouwmeester Mels Crouwel voor ze grafisch vorm te geven door een ontwerpbureau: dat werd het Amsterdamse bureau UNA. UNA zocht een balans tussen traditie en de moderne tijd. Zij ‘vertaalden’ het wapen en de achterliggende tekst in een digitaal computerprogramma, waarmee het ontwerp geweven kon worden.
    Een wapen bestaat uit een – bijna onaantastbare – vorm en uit heraldische kleuren. Reduceren en abstraheren van de vorm leek de grafisch ontwerpers geen goed idee omdat een wapen dan wordt teruggebracht tot een logo. Bij de Ridderzaal is de aanblik van een verzameling logo’s niet gepast. Meer speelruimte zat er in de behandeling van de kleuren, omdat er bij een wapen goed beschouwd enkel primaire kleuren voorkomen. De analyse van de vorm en de kleur van het wapen in samenhang met de achterliggende tekst leidde tot de conclusie dat wapen en tekst letterlijk en figuurlijk met elkaar verweven dienden te worden. De typografische, soms kalligrafische letters, lopen als het ware onder het wapen door, dat zelf is opgebouwd uit verticale strepen. Het tweedimensionale grafisch concept van de wandkleden is bij wijze van spreken is de schakel tussen architectuur en decoratie. Opmerkelijk aan de Ridderzaal is namelijk de sterk verticaal georiënteerde, sobere ruimte. De verticaliteit wordt benadrukt door de colonnetten en dakconstructie. Zij krijgt een tegenwicht in de horizontale roedeverdeling in de ramen en in de lambrisering. Door de als een horizontale band opgehangen provinciewapens op te delen in een soort streepjescode sluit het ontwerp tevens aan bij de verticale werking van de zaal.
    Dat het provinciewapen zelf is opgedeeld in strepen, komt voort uit de behoefte om eenheid te brengen in de serie. De verscheidenheid is immers groot, enerzijds leeuwen in allerlei gedaantes, daarnaast een Mariafiguur met Christus (Drenthe), een roer (Bonaire) of een fort (St. Eustatius). Hoe verder je van het wapenkleed afstaat, hoe meer het beeld scherp trekt; terwijl het wapen van dichtbij gezien een abstractie is. Een middelfijne pixelgrootte brengt een balans tussen herkenbaarheid en leesbaarheid. Tussen die twee voorwaarden zit immers een verband. Wat zich goed laat lezen, laat zich ook herkennen, en omgekeerd.

    Tekst en document

    Aanvankelijk richtte het ontwerp zich op het gebruik van ‘letters’ als fond, een idee dat begon te rijpen en werd uitgewerkt als historische teksten. Een jaar lang struinden de ontwerpsters archieven af op zoek naar passende documenten, charters en verdragen die letterlijk als basis zouden kunnen voor de kleden met de wapens op de voorgrond. Textiele kunst ging zo een liaison aan met grafische vormgeving. Tot in detail zijn de oorspronkelijke teksten gedrukt, getypt dan wel geschreven, in een weefsel omgezet dankzij een computerprogramma dat het weefgetouw aanstuurde. Door een subtiele bolling in het weefsel springt het wapen enigszins vooruit, terwijl de tekst daarachter doorloopt. Het originele document, perkament of vergeeld papier is herkenbaar in het weefsel – we vinden daarom ook sporen van verkleuringen of inktvlekken terug op de kleden.
    Als tekst is telkens gekozen voor een document dat een democratisch moment in de geschiedenis van de desbetreffende provincie of rijksdeel markeert. Hoewel niet altijd leesbaar voelt de toeschouwer de betekenis instinctief aan: ‘dit is eeuwenoud en heel belangrijk voor de vorming van de Nederlanden’. In twee gevallen is een uitsnede gebruikt als het oorspronkelijke document te groot was voor het kleed, zoals de Blijde Incomst uit 1365 (Noord-Brabant) of het Groot Privilege uit 1477 (Zeeland). De verzelfstandiging van de Nederlanden wordt belicht in het Plakkaat van Verlatinge uit 1581 toen de noordelijke gewesten van de oude Nederlanden zich afkeerden van de landsheer – Philips II – omdat hij niet verantwoordelijk was omgegaan met zijn onderdanen, waarna zij aan hun alleingang als Republiek der Zeven Provinciën begonnen. Het Plakkaat is gekoppeld aan de provincie Gelderland en hangt heel strategisch tegenover de troon. De wegbereider van het Plakkaat was de Blijde Incomst van Noord-Brabant uit 1365 en in mindere mate het Groot Privilege uit 1477, beide handvesten waarin de medezeggenschap in eigen bestuur en het stellen van het vorstelijk gezag binnen bepaalde perken werd bezegeld. Hierin wordt voor het eerst de autonomie van de steden en de verhouding tussen vorst en onderdanen geregeld. Het oudste document heeft betrekking op Zuid-Holland, een vroege benoeming van het hoogheemraadschap, het oudste bestuurlijke orgaan dat we kennen, vastgelegd in rechtspapieren die ook nog eens in het Nederlands zijn opgesteld. Voor Drenthe is als mijlpaal de Bataafsche Revolutie gekozen toen het net als Staats-Brabant eindelijk vertegenwoordiging met stemrecht kreeg in de Staten-Generaal.
    De charters en verdragen haken stuk voor stuk in op de wordingsgeschiedenis van Nederland. Ze hebben enerzijds politieke betekenis omdat ze de relatie tussen burger en overheid schetsen, geven anderzijds de grenzen van het grondgebied aan – en overstijgen daarmee in beide gevallen het territorium en belang van de provincie. Achterliggende gedachte is dat door de tijd heen steeds meer groepen burgers betrokken raken bij de totstandkoming van een samenhangend gebied. Bij de keuze van de documenten kwam een ontwikkeling naar voren van feodalisme naar individualisme, van persoonsgebonden naar plaatsgebonden recht, van burgers die in staat zijn hun eigen leven in te vullen binnen een democratie, waar dat in de 13e eeuw vrijwel uitgesloten was. Niet de politiek is als zwaartepunt gekozen, maar de burgerij: slaven (de Antillen) en vrouwen (het Aletta Jacobs-fragment in de provincie Groningen bijvoorbeeld), zij hebben ieder voor zich geprofiteerd van een zich ontwikkelende democratie waarin hun rechten geregeld werden. Deze ontwikkeling wordt opgehaald in het forum dat de Ridderzaal in feite is.

    Van katoen

    Het schrift is geweven van zacht glanzende katoenen garens (officieel: gemerceriseerd), waarmee het Nederlands Textielmuseum verschillende proeven heeft gedaan. Daarbij ging het niet alleen om de stofuitdrukking en kleur van het ontwerp, maar ook om de binding waarin werd geweven. Obstakels zoals de verzakking in het weefsel of rek in de stof moesten worden overwonnen. De productontwikkelaar bij het Textielmuseum onderzocht welke binding en welke stof zich het best leenden voor de expressie van het wapenkleed. Het gebruikte katoen, dat door zijn glans gelijkt op zijde, kwam daarbij als het meest geschikt naar voren. Met de jacquard-weeftechniek werden zo wapens, teksten en randdecoratie tot leven gebracht.
    Voor de schouw zijn ook proeven met wandkleden gemaakt maar die stuitten af vanwege technische problemen: hoe de vijf banen die op de machine geweven worden, aan elkaar te verbinden en ook nog eens op het schuine vlak te hangen, was een opgave waar geen bevredigend resultaat mee werd bereikt. Nadat er vele tekeningen van de wandstoffering waren gemaakt, luidde de slotsom dat wandkleden weliswaar meer eenheid aan de zaal zouden geven, maar slecht uitkwamen op de wand waar de schouw staat. In die wand bevinden zich ook twee toegangen, de rechter naar de hoger gelegen Rolzaal, de linker naar het trappenhuis in de Haagtoren. Een wandschildering zou bovendien de schouw meer recht doen en de hele oostelijke wand meer tot rust brengen. Het oorspronkelijke doek van Cuypers, dat gestencild was met een patroon van rode appels, paste niet meer in het nieuwe concept maar is wel bewaard gebleven. De tekst op dit ‘hoofdmoment’ in de Ridderzaal, afgezien van de troon, leek logisch: de grondwet van 1848, in feite de constitutie van de Nederlandse parlementaire democratie. Die artikelen zijn via calceerpapier en een fijn potlood op de wand aangebracht en vervolgens ingekleurd. Over de letters heen prijkt het Rijkswapen. Boven de Nederlandse leeuw en de tekst van de grondwet zijn de sterren van de Europese Unie geschilderd, waarmee een interessante schakel wordt gelegd tussen de Nederlandse parlementaire democratie en de jongste Europese eenwording. Als eigentijdse ambachtslieden hebben de ontwerpers de perspectivische typografie op de steigers uitgevoerd, een minutieuze vertaling van een scan van het eerste artikel uit het originele wetboek uit 1848. Dat is in een lage resolutie sterk opgeblazen waardoor de pixels naar voren komen. Zo wordt een brug geslagen tussen de helft van de 19e eeuw naar de 21e eeuw.

    De vloer

    Laten de wandkleden een polychroom spel zien van tekst en beeld, de vloertapijten zijn unisono in hun warmte en gloed. Ze brengen door hun goudgele tint een warmte in de zaal, met een subtiele afwisseling tussen de wat donkerder getoonzette randen en de lichtere middenvelden waar bij lichtval een voorzichtig lijnenspel waarneembaar is. Dat wordt bereikt door twee tegen elkaar aanliggende okerkleurige draden. De goud-gele velden op de vloer gloeien als het ware op zodra het licht door de ramen binnenvalt en brengen warmte op sombere dagen. Samen met de wandkleden dragen ze bij aan het begrip feestzaal. Het lijnenpatroon op de vloerkleden is, zoals gezegd, geïnspireerd op de diagonalen die ook in de glas-in-lood-ramen voorkomen.
    De tapijten worden onderbroken door helderrode banen die aansluiten op de colonnetten in de zaal, hetgeen de architectuur verder accentueert. En dan is er nog een geornamenteerde rode loper door de as van de zaal die vanaf de entree doorloopt, bijna tot aan de schouw. Zo is met allerlei middelen toegewerkt naar een grafische werking van de zaal.
    In de Burgerzaal van het Paleis op de Dam wordt het kleed alleen uitgerold bij een (staats)banket, terwijl in de oude zaal van de Tweede Kamer het ‘bollenveld’-tapijt flexibel inzetbaar is. Was dat ook geen gewenste formule voor de Ridderzaal geweest? Het vloerkleed in de zaal werkt comfortverhogend. Bovendien bedekt het een vloer waaronder twintig jaar geleden vloerverwarming is aangelegd. Over een pool van 18 millimeter schrijdt de koningin van ingang naar troon. En dan is er nog een doorslaggevend akoestisch argument. Ook al wordt de troonrede tegenwoordig versterkt door microfoons, zachte materialen voorkomen een hinderlijke galm.

    Tijdloos

    Aan de totstandkoming van de wandkleden en de beschildering van de schouw is, zoals bij de hele herinrichting van de Ridderzaal, een lange discussie voorafgegaan.
    Rust brengen in de zaal, een gevoel van eenheid en monumentaliteit oproepen met kleur, dessin en textiel, dat was het streven van het ontwerpteam. Door te kiezen voor teksten op de wandkleden is er een tijdloos element ingebracht, een voorwaarde ook om de Ridderzaal te houden zoals die nu is. Teksten en wapens geven bovendien dat historisch gevoel dat bij de zaal past, ook al is daar door de eeuwen heen aan gesleuteld. Ineens worden we ons bewust van onze ‘roots’.
    Het concept op grond waarvan de Ridderzaal is gereconstrueerd, gaat uit van harmonie en synergie, met elementen uit de 21e eeuw. In dat opzicht is de nieuwe inrichting van de zaal weer een kind van haar tijd. Toch ook niet helemaal. Luister naar de zaal, is een boodschap die architecten in dit verband hebben aangehouden, en concludeer dat materialen als beton en roestvrij staal zich moeilijk verhouden met een gotische omgeving. De enige ‘moderne’ interventie is dan ook een nieuwe balustrade voor het balkon, een plaats waar het niet stoort.
    Een feestzaal is pas een feestzaal als kleuren en dessins daartoe opwekken – wie de Ridderzaal nu binnentreedt, zal aangenaam worden getroffen door het spel van zonlicht door de glas-in-lood-ramen op de kleden, door de warme tinten van de wandkleden die aansluiten bij de zandkleurige muren. Cuypers lijkt een eeuw na zijn ontwerp eindelijk recht gedaan, maar anders dan hij had durven vermoeden.