• Berlijn en Hamburg

    een in herovering, herontdekking en hergebruik

    04-09-2005 / artikelen

  •  
    • aeg fabriek met nieuwbouw van kleuhues in berlijn
    • speicherstadt hamburg
    • tullieuxpark bij potsdamerplatz in berlijn

    De val van de Berlijnse muur was een zegen en een zorg. De zegen was de hereniging van twee Duitslanden en het versmelten van twee Berlijnse stadshelften, de zorg tekende zich af in de financiële en sociale gevolgen. Een torenhoge werkloosheid in de voormalige DDR ten gevolge van de sluiting van vele industrieën en het verlies van oude zekerheden, dat was de tol die het oostelijk deel van Duitsland betaalde voor de eenwording. Er zijn weer nieuwe littekens bijgekomen. Zelden is de tegenstelling tussen de last van het verleden en het bouwen aan de toekomst zo merkbaar als aan de Potsdamerplatz in Berlijn: enerzijds de zee aan bouwkranen die het ene na het andere glanspaleis uit de grond stampen, anderzijds – niet eens ver vandaan – het verval van de Oostduitse Plattenblau-flats. Nieuwe paleizen voor de nieuwe rijken hebben de oude paleizen van de ooit bejubelde arbeidersklasse verdrongen. En wat er van die Plattenbau is overgebleven is niet zelden gecamoufleerd of opgeleukt.

    Een soort dans op de vulkaan zou je het achteraf kunnen noemen, want zoveel reden was er niet voor euforie ondanks de hereniging. In het architectuurjaarboek 2003 over Berlijn schildert de hoogleraar economie/socaal-geografie Stefan Kraetke de bizarre contrasten in de ‘metropool van de diensteconomie’. Terwijl Berlijn zich opmaakte als zetel voor het parlement, lagen de groeiprognoses in de jaren negentig onder het landelijk gemiddelde, en was de klad gekomen in de industriemetropool die Berlijn ooit was. Banen gingen bij bosjes verloren, tot op de dag van vandaag – nog afgelopen najaar maakte Siemens bekend maar liefst 2400 banen te willen schrappen. De cijfers die Kraetzke opvoert, zijn huiveringwekkend. Waren er in 1991 in de Berlijnse industrie nog 264 duizend mensen aan het werk, tien jaar later was dat aantal teruggelopen tot 112 duizend. In Frankfurt werken momenteel meer mensen in de industrie dan in Berlijn.

    Dat dit uitstraalt op het stedelijk landschap van Berlijn laat zich raden. Verval en nieuwe glorie gaan hand in hand. Beduimelde wijken, zoals Friedrichshain en Prenslauer Berg, zijn ontdekt, ingelijfd en opgelapt door hippe ondernemers, terwijl het een paar straten verder nog een diepe treurnis kan zijn met afgebladderde, ooit gestuukte buitengevels. Het metselwerk in Berlijn is spaarzaam, maar heeft een groot voordeel ten opzichte van het stucwerk: het heeft alle politieke omwentelingen glansrijk doorstaan. En dus zijn juist die stenen burchten in de stad waar de kiem is gelegd voor nieuwe stadsinvullingen. Macaber genoeg zijn het relikwieën van de industrie die de afgelopen tien jaar de genadeslag heeft gekregen, als ze al niet eerder daarvoor het loodje heeft gelegd. AEG, Grundig, Borsig, Bosch, Telefunken, noem maar op. Voordat de bestuurders en de arbeiders hun paleizen kregen, waren dat, aan het begin van de 20e eeuw, de macht uitstralende en ontzag inboezemende kastelen van het kapitalisme. Wat er van over is? Bijna altijd een gemetselde poort, met een gotisch schrift in de rand erboven, waaronder de arbeider van weleer het heilige fabrieksterrein betrad. Nu schieten peuters er met hun driewielers onderdoor of parkeren buurtbewoners hun mountainbike in de nis. Want de fabriekspoort is in een soort werkeloze triomfboog in een nieuwbouwwijk veranderd, net zo loos als de poorten die de Romeinse keizers voor zich lieten oprichten na elke nieuwe verovering.

    De industrie mag dan zijn ausradiert, uitgegomd uit het werkende leven van de Berlijners, ze drukt wel een stempel op de stedenbouw – en dat ligt voor de hand. De turbinehallen, machinewerkplaatsen, kantoren en magazijnen, ze lenen zich door hun formaat en maat uitstekend voor nieuwe functies. De fameuze AEG-fabriek van Peter Behrens is getransformeerd tot een mediacentrum – de media is de nieuwe industrie van Berlijn – terwijl aan de noordrand van de stad de oude locomotievenfabriek van Borsig een tweede leven leeft als shopping mall met entertainment en een medisch centrum in de voormalige directiekantoren. In de jaren twintig onderstreepte de locomotievenfabriek zijn economische macht met een 65 meter hoge toren, de eerste ‘wolkenkrabber’ van Berlijn, waarvan de met steen beklede staalskeletbouw het mogelijk maakte elke verdieping anders in te delen, in een grote kantoortuin of in zes aparte werkruimtes. De dieprode toren lijkt ongevoelig te zijn voor het patina van de tijd waardoor de omringende nieuwbouw (begin 2000 gerealiseerd) zich er harmonieus bij aansluit. Het is business as usual op de oude fabrieksterreinen. Wat alleen mist zijn de rook uitstotende schoorstenen en het gebonk van de machines.

    Gezondheidszorg

    Baksteen was het materiaal voor de utiliteitsbouw, stucwerk daarentegen voor de statige woningen en villa’s, zo is het verdeeld in Berlijn. Alleen is er de laatste jaren veel glas en staal bijgekomen – dat zijn de materialen waarmee de politiek en de multinationals zich bekleden. De warmrode Noordduitse steen, die ook in de Hanzesteden veel voorkomt, is niet alleen het solide handelsmerk van de werktuigbouwfabrieken maar ook van de gezondheidszorg. Niet ver van de vernieuwde Bondsdag pronkt het Charité-hospitaal er nog mee, eerder een serie gedecoreerde paviljoens op een campus dan een ziekenhuisfabriek. Het oudste ziekenhuis van Berlijn werd na een lange aanlooptijd ontworpen door Kurt Diestel en Georg Thür in een laat barokke stijl met zandsteen stroken in de gemetselde gevel. Net als bij AEG en Borsigturm is het oude Charité aangevuld met een moderne vleugel waarin de schuine lijnen uit de façades op een abstracte manier zijn vertaald door inkepingen in de gevel. De architect Joseph Kleihues was daar net als bij AEG verantwoordelijk voor. Kleihues heeft, dat is duidelijk, oog en respect gehad voor de architectuurgeschiedenis – er is immers al genoeg kapot gemaakt in Berlijn – zodat zijn commentaar in de buurt van het origineel blijft, bij AEG bijvoorbeeld in de vorm van mansardekappen en penanten in de gevel. Op een steenworp afstand van Charité reconstrueerde hij ook nog eens de Nordport, niet letterlijk maar in de vorm van twee bescheiden ‘tolgebouwen’.

    Bij de industriële geschiedenis van Berlijn horen klinkende namen als Behrens en Erich Mendelssohn, veel onbekender is hun tijdgenoot Hans Heinrich Muller die verspreid door Berlijn zijn sporen heeft nagelaten in elektriciteitscentrales voorde BEWAG met een eerbiedwaardig gebruik van baksteen. Muller was de huisarchitect van de elektriciteitsleverancier. Zijn handelsmerk zijn langwerpige perforaties in de gevel en een bijna frivole dakrand van verspringende gemetselde stenen. Je zou het borduurwerk kunnen noemen dat afsteekt bij de robuuste gevel eronder. Zo zijn van hem een paar monumenten bewaard gebleven, zoals de centrale Rummelsburg, het Metahaus en een telefooncentrale bij de Kopenhagerstrasse. De smalle spleten in de gesloten gevel geven aan dat de werkzaamheden en apparatuur niet voor vreemde ogen bedoeld waren. Muller ontwierp in zichzelf gekeerde bouwwerken, zoals dat past bij fabrieken. De centrale heeft twee jaar gefungeerd als dependance van het Vitra Design Museum in Berlijn. Die kaars is na een feestelijke opening weer snel gedoofd, niet verwonderlijk, want het gebouw ligt in een buurt die nog altijd wacht op ontdekking. De helft van de panden is opgeknapt, de andere straalt een Oostduitse vermoeienis uit. Vitra was gewoon vijf jaar te vroeg.

    Waarom de in baksteen gehulde industrie zich zo goed leent voor wederopbouw, is verklaarbaar. Ze biedt niet alleen hallen die geschikt zijn voor een multifunctioneel gebruik, de terreinen liggen bovendien aan de rand van het centrum, en zijn groot genoeg om te veranderen in woonwijk of, zoals bij Borsigturm, in een uitgaanscentrum waar het eenvoudig parkeren is. Dat is één kant van de wederopstanding van Berlijn, de andere is de herontdekking van de Spree als grillige maar bruikbare levensader voor het oude en nieuwe Berlijn. In de luttele vijftien jaar na de eenwording is juist de rivier aangegrepen als leitmotiv voor herontwikkeling. De nieuwe parlementsgebouwen streken neer langs de oevers in monumentale complexen, stroomafwaarts pronkt de ambassade van Nederland en schuin tegenover de Bondsdag is Die Schlange te vinden, een slingerend megablock.. Die Schlange baadt in het glooiend gazon van een park dat op een natuurlijke manier overgaat in de rivieroever. Hoewel het complex in de architectuurgids van Berlijn wordt aangeduid als een sof – naar verluidt door een dodelijk ongeval van een van de balkons – is het vriendelijk en afwisselend. Metselwerk wordt afgewisseld met witte kozijnen en balustrades, de hoogte is beperkt gebleven tot zes etages, en – dat is de grootste verdienste – de monumentaliteit is door de slinger-compositie niet drukkend. Megastructures zijn dus wel mogelijk, mits ze goed zijn ingepast in het (stedelijk) landschap. De kritiek die op Die Schlange mogelijk is dat het parkeerdek waarop de woningen rusten, een aangename aansluiting op de straat in de weg staat.

    Haven

    De herontdekking van de rivier en het afgedankte industrielandschap, dat is ook het thema in Hamburg. De haven is weggetrokken uit het centrum. Wat is overgebleven is een kilometerslange boardwalk langs de Elbe, die aanvankelijk alleen een toeristische betekenis had. De ommekeer kwam enkele jaren geleden toen het Nederlandse bureau KCAP van Kees Christiaanse gevraagd werd een woonblok met zijn voeten in de oeverklei van de Elbe te plaatsen, ter hoogte van de sjofele uitgaanswijk St. Pauli. Dat Christiaanse’s nogal strenge stenen woongebouw de architectuurprijs van 2004 won, is een bewijs dat het gezien wordt als een geslaagde herovering van de Elbe-oever.

    Het pad voor Christiaanse werd halverwege de jaren negentig geëffend door een ambitieuze herontwikkeling in de binnenstad, waar plompe jaren zestig-blokken langs de grachten werden gesloopt om plaats te maken voor hotels, kantoren in een baksteen met een zweem van parelmoer. De architectuurstijl is licht classicistisch, er is ruim gebruik gemaakt van galleria’s en doorgangen.

    Terwijl Berlijn vooral een stad van stucwerk is, is Hamburg doordesemd van metselwerk. Alle werkzaamheden die aan de haven gerelateerd zijn, zoals bevrachtingskantoren, verzekeringsmaatschappijen en pakhuizen spelen zich af in solide stenen gebouwen. Langs de Ost-Weststrasse, een drukke verkeersader door de binnenstad, rijgen de kantoren zich aaneen, het Zurich-Haus, het Reichenhof en vooral het Chili-Haus, zonder uitzondering ontworpen door een architect. ……. Het visitekaartje dat hij afgeeft is een imponerende gevel met betrekkelijk kleine ramen waarin ornamenten of speciale metselverbanden de aandacht trekken. Die gevel bekroont hij met terug liggende etages op de top, waar witte balustrades omheenlopen. De stijl vertoont verwantschap met de Amsterdamse School vanwege de plasticiteit in de gevel en de soms spelonkachtige ingangen die in de pui zijn geboord. Er is ook een andere referentie voorstelbaar, die met de Chicago School waar de wolkenkrabbers ook zijn opgebouwd uit een evenwichtige compositie van detail, ornament en ensemble.

    Speicherstadt

    Speicherstadt, dat als decor diende voor de film Karakter, is een stad in de stad, een nog maar net door toeristen ontdekte enclave. Op dit schiereiland in de Elbe vertoont Hamburg overeenkomsten met de Kop van Zuid van Rotterdam en het Oostelijk Havengebied van Amsterdam. Wat nog niet zo lang geleden een sperrgebiet was, met alleenheerschappij voor de douane, die hier goederen inklaarde voordat ze op de vrije markt werden losgelaten, is nu een openluchtmuseum dat zijn weerga niet kent door de aaneenschakeling van pakhuizen met oriëntaalse tapijthandelaren of nieuwe ICT-bedrijfjes. Diepe grachten doorsnijden het schiereiland, die bij eb droogvallen, waardoor de pakhuizen zich in de glanzende rivierklei spiegelen. Neo-gotiek, neo-classicistisch, industrieel, alle stijlen zijn door elkaar gemengd.

    De geschiedenis is hier niet stil gezet. Speicherstadt heeft als moderne component Hafen City gekregen, een ambitieus project op de zuidelijke helft van het eiland. In de komende jaren zal zeker driekwart van het eiland bebouwd worden met appartementsblokken en kantoren, zodat het centrum van Hamburg zich lijkt te verschuiven. Net als in Rotterdam wordt de rivieroever, die eerst ontkend leek, in een hoog tempo bij de stad getrokken. Kades veranderen in promenades, walkanten in terrassen. Terwijl in Berlijn een hoofdrol is weggelegd voor glas en staal, is het palet van het nieuwe Hamburg de dieprode steen, waarmee de blokken zijn bekleed. De woontorens hangen met hun ver uitkragende serres en loggia’s boven de kade. De architecten zijn merendeels Hamburgse bureaus, Böge-Lindner, Spengler-Wiescholek en Ingenhoven om een paar namen te noemen. Het voordeel van de overhangende kantoor- en woonblokken is dat daardoor een beschutte promenade langs de Sandtorkai is ontstaan en dat de oude havenbekkens een zekere intimiteit zullen krijgen.

    Hafen City is het vervolg van Speicherstadt. Stedenbouwkundigen zijn doorgegaan op het meerlagige karakter van het entrepotgebied. Kenmerkend zijn de gietijzeren bruggen die tussen de pakhuizen lopen, over de verkeerswegen heen. Zo konden in het begin van de 20e eeuw de pakhuisbedienden met hun handkarren het gebied doorkruisen, zonder gehinderd te worden door expeditieverkeer. Deze bruggen zijn overgenomen in het nieuwe deel en sluiten nu aan op hoger gelegen passerelles die dezelfde functie hebben: de scheiding van langzaam en snel verkeer. Een van de bruggen scheert langs een ingenieus gemetseld pakhuis met een interessante inhoud. In deze parkeergarage kunnen tijdelijk de auto’s van de buurtbewoners worden opgeborgen. Het blijkt dus mogelijk ook in baksteen een elegante oplossing te vinden voor het parkeerprobleem.

    De doodsheid van nieuwe woonwijken wordt gewoonlijk verklaard uit het gemis aan identiteit en het monofunctionele karakter. Alleen wonen is er mogelijk. Gelukkig hebben de stedenbouwkundigen en ontwikkelaars in Berlijn en Hamburg ingezien dat de stedelijke invullingen gebaat zijn bij diversiteit, recreatie naast uitgaan, wonen naast werken, en dat de geschiedenis daaraan een belangrijke bijdrage kan leveren Daarom is alles in het werk gesteld om schoorsteenpijpen, fabriekspoorten, de stalen geraamtes van de hallen, bruggen en zelfs de oude klinkerbestrating te handhaven. De bedrijvigheid is ten dele weg, verplaatst naar nieuwe, grotere havens, of naar lage lonen-landen. Maar daar is wel wat voor teruggekomen: een aantrekkelijk woongebied als een oase in de stad, niet langer fysiek daarvan afgesneden door een hek of poort. Het hek is gesloopt en de poort is opengezet.