•  




    De rechtbank uit mijn jeugd was een Paleis, een heus Paleis van Justitie dat pronkte op de kop van het zaailand in Leeuwarden. Op vrijdag leverde dat een zeer contrastrijk beeld op. Op het Zaailand zelf werden de koeien verhandeld op de veemarkt met het Paleis van Justitie als decor. Twee vormen van handjeklap zou je kunnen zeggen, de een binnen de ander buiten. Dat hof was zoals een hof hoort te zijn, vond ik en vind ik. Met zijn metersbrede bordes, zijn Griekse zuilen en timpaan daarboven boezemde het gezag in. Je voelde instinctief aan, dat je daar beter niet kon zijn, niet voor een civiele en al helemaal niet voor een strafzaak. Het hoort tot een familie van rechtbanken die in de 19e eeuw werden gebouwd en waarvan ik U het opgeknapte gerechtsgebouw in Dordrecht laat zien – een classicistische stijl omdat de Griekse cultuur sterk in de mode was en zo de architectuur van die tijd bepaalde.
    Laatst zag ik dat Paleis van Justitie uit Leeuwarden weer terug, op televisie, omdat het min of meer een hoofdrol speelt in de Friese regio-soap rond de gebroeders Anker, advocaten te Akkrum. Niet Anker maar de acteur Peter Tuinman speelt de beide broers. En opnieuw raakte is gefascineerd door het prestige en het allure dat het Leeuwarder Hof uitstraalt, wetende dat het staat voor vele geschiedenishoofdstukken. Van de rebelse Ye Wykstra die hier zeventig jaar geleden terecht heeft gestaan, tot de onterecht veroordeelden van de Puttense moord die hier alsnog hun vrijheid kregen in hoger beroep.

    Dat maakt gerechtsgebouwen tot onvergelijkbare podia: ze zijn als het ware het theater van de samenleving. Hier komen de zwakke plekken aan de oppervlakte, hier worden wonden opengetrokken maar ook geheeld. Nergens wordt het evenwicht van de ratio en de emotie zo op de proef gesteld als in de zittingszaal.

    Het is dan ook een moedig besluit geweest – ik mag wel zeggen een belangrijk principieel besluit – eind jaren tachtig om een nieuwe generatie gerechtsgebouwen niet naar de rand van de stad te verbannen maar te behouden voor het hart van de gemeenschap, zoals dit gerechtsgebouw in Groningen. Rechtspraak is immers een zenuw in onze democratie, het derde element van de trias politica en die mag je niet uit het zicht plaatsen, in de buurt van een bedrijventerrein bijvoorbeeld. Ik was dan ook opgelucht toen ik las dat de nieuwe rechtbank van Leeuwarden op datzelfde Zaailand werd gebouwd, op nog geen honderd meter van het Paleis van Justitie. Een eigentijdse rechtbank, dat wel. Een betrekkelijk streng blok van de architect Abe Bonnema, in een zakelijke stijl, met een geleed front in twee kleuren, bekleed met keramiek. Op een bepaalde manier boezemt het net zo veel ontzag in als het Paleis van Justitie uit de 19e eeuw, maar zonder de nostalgische om niet te zeggen romantische connotatie. Frivoliteit, dat besef je dan, is dan ook niet geeigende toon voor een gerechtsgebouw; de architectuur moet de functie en betekenis van het gebouw volgen. Zoals een bioscoop luchthartig mag zijn, het centrum voor werk en inkomen vriendelijk en laagdrempelig, zo zijn de trefwoorden voor een gerechtsgebouw zakelijk, open maar ook niet te open, en symbolisch. Met het laatste bedoel ik dat een gerechtsgebouw een icoon in de stad is of hoort te zijn, en een symbool voor onze trias politica.

    Een van de minst geslaagde rechtbanken nieuwe stijl vind ik dan ook het Parnas gebouw in Amsterdam omdat het meer een kantoorverzamelgebouw lijkt dan een rechtbank. Wel uitgerust met stevige betonnen balken in een brute stijl binnen, maar zonder enige allure. De straf die je daar ondergaat komt extra hard aan – het is eerder een bunker dan een tempel van de rechtspraak. Ik voel meer voor de benadering die Marlene Dumas koos bij haar ontwerp voor een wandtapijt in dit Paleis van Justitie. Dat gaf ze als titel The Benefit of the Doubt mee, omdat er volgens haar niet zoiets bestaat als De Waarheid. Dat zie je maar aan de rechterlijke vonnissen die de afgelopen jaren zijn vernietigd. Wie is schuldig en wat is de waarheid? In die rechtbank Parnas vocht ik een keer een parkeerboete aan – met succes gelukkig. Maar de rechterlijke uitspraak voelde niet als een opluchting of bevrijding. Je houdt het gevoel dat je altijd ergens schuldig of strafbaar bent geweest. Een rechtbank dient dan in mijn optiek ook iets van harmonie te moeten uitstralen – als een plaats waar de burger zich kan verzoenen met de samenleving of omgekeerd. Waar je met opgeheven hoofd kan weggaan of met gebogen hoofd de cel in.

    Dat aspect van verzoening is in veel gerechten aanwezig die tussen 1990 en 2005 zijn gebouwd en die nu in het boek jR 120 zijn vastgelegd. Dat is met de binnenstedelijke ligging een van de grootste verworvenheden van deze operatie van Justitie en Rijksgebouwendienst. Ze zijn monumentaal zonder drukkend te zijn, dat blijkt bijvoorbeeld uit de rechtbank van Cees en Diederik Dam in Lelystad, die een geslaagde mix tot stand hebben weten te brengen tussen majestueus en toegankelijk. Tussen chiq en gewoon. De nieuwe rechtbanken willen duidelijk deel uitmaken van de binnenstad en onttrekken zich er soms ook een beetje aan; zie maar naar dit Bossche Paleis, een van de deftigste en stijlvolste uit de collectie JR 120. Ze willen transparant zijn maar mogen ook weer niet van de straat zijn. Rechtspraak is iets voor een zekere beslotenheid: op de straat wordt het recht van de sterkste uitgevochten, met de mond of met zinloos geweld. Helaas.

    Ik realiseerde me bij het doorbladeren van het boek dat er inderdaad na dat classicistische paleis van Justitie in Leeuwarden, Dordrecht of Assen en een dozijn kantongerechten aan het eind van de 19e eeuw bijna geen nieuwe gerechtsgebouwen zijn neergezet in Nederland. Alsof we ze niet nodig hadden, alsof de rechtspraak in zijn hart nog een 19e eeuwse aangelegenheid was. Het is net als met de gevangenissen waarvan de laatste nieuwe ook al weer dateert uit 1978: de Bijlmerbajes. Pas vijftien jaar later zou de grote bouwgolf van gevangenissen op gang komen. Kennelijk leefde onze samenleving lange tijd met het ideefixe dat we met schuldloze burgers te maken hadden, zonder blauwe boorden criminaliteit, fraude of ontvoering. Het ideaal kortom van de jaren zeventig toen we nog dachten dat niet het individu schuld had maar de gemeenschap.

    Nou we zijn hardhandig uit onze droom gewekt sinds een jaar of vijftien; niet alleen door de opeenvolgende criminele afrekeningen, maar ook door drugs en drugshandel, door faillissementen en grote bedrijfssluitingen, door hackers en door vrouwenhandel. Logisch dat daarvoor zo’n classisicistisch paleis als dat van Leeuwarden niet meer voldoende is – er waren doodeenvoudig nieuwe gerechten nodig die konden reageren op de open en dynamische samenleving die Nederland is geworden. Op een samenleving die ook harder en extremer is geworden.
    Dat wetende is het opzienbarend dat de gerechten nieuwe stijl een zekere barmhartige architectuur kennen. Over het algemeen bordesloos – in Haarlem loop je als het ware van de openbare weg een binnenstraat in. Veel glas, veel betrouwbaar baksteen, atriums, en gedistingeerde zittingszalen, dat is het patroon. Gezellig mag je die zalen niet noemen, maar intiem zijn ze wel. Eerder dit jaar bezocht ik een verbouwd gerechtsgebouw in Eindhoven waar de architect de zalen had uitgerust met draperieen en vitrages in blauw, grijs of rood, de kleuren uit het logo van de Raad voor de Rechtspraak. Ik vernam dat enkele medewerkers de bijnaam boudoir hadden gebezigd, wat de rechtbankpresident in het verkeerde keelgat was geschoten. Geen boudoir maar een stemmige omgeving waarin elk woord niet verdronken gaat in holle akoestiek: dat is immers ook het wezen van de rechtspraak. Horen en gehoord worden. Daaraan moet de architectuur gehoorzamen. Dus waren geluiddempende gordijnen helemaal zo vreemd nog niet. Bovendien biedt een stemmige zaal ook meer kans op verzoening dan een kale bunker, lijkt mij.

    Eind 1900, begin 20e eeuw ontwierp de architect Metzelaar een reeks gerechten in een uniforme eclectische, neo-renaissance stijl, zoals dit bewaard gebleven kantongerecht in Tiel. Dat heeft een serie gerechten opgeleverd die nu in gerestaureerde staat hun allure hebben behouden en door moderne toevoegingen een nieuwe dimensie hebben gekregen. Alsof er ondanks die uniformiteit toch ruimte was voor onderscheidende en bijzondere aspecten.
    De nieuw gebouwde gerechten staan op zichzelf, zijn van zichzelf en spreken alle hun eigen taal. Confectie of standaard is de operatie JR 120 dus niet geworden. Dit paleis van Charles Vandenhove is onvergelijkbaar met de twee gerechten van Hubert Jan Henket in Middelburg en Haarlem, en die verschillen op hun beurt weer hemelsbreed van de rechtbank van Cor Kalsbeek in Almelo. Kalsbeek is de confrontatie aangegaan met de restanten van een oude textielfabriek op het terrein.

    De clou is dan ook dat elke stedelijke opgave anders was, elke omstandigheid anders – ook al is er een groot gemeenschappelijk onderdeel. De rechterlijke macht diende binnenin een ander parcours te bewandelen dan de gehechten. De logistieke operatie binnen is een van de grootste veranderingen in de paleizen van justitie – voorbij is de tijd dat de gehechte op de gang met zijn advocaat zit te overleggen terwijl de magistratuur binnenschrijdt, een beeld dat je nog wel eens in televisieseries ziet opduiken en wat bijvoorbeeld in het Amsterdamse Paleis van Justitie kon gebeuren. Voor de zuiverheid van de procesgang is ook een heldere routing noodzakelijk.

    Geen confectie dus, maar maatwerk. Elke stad kreeg de rechtbank die hij verdiende. Opmerkelijk is dat de verscherpte beveiliging de uitstraling niet heeft aangetast, hoewel ik me kan voorstelen dat een architect op tourniquets en detectiepoorten niet zit te wachten.
    Monumentaliteit en allure hebben de rechtbanken een cachet gegeven. Neem dit hof. Over de totstandkoming van dit hof in Den Bosch is nogal wat te doen geweest omdat de president van de rechtbank verklaarde ‘ niet tussen de hoeren te willen zitten’. Ooit was dit de rosse buurt van ’s-Hertogenbosch. De Rijksgebouwendienst heeft toch de sprong over het spoor durven maken en kijk nu eens: wat ooit de achterdeur van de stad was is dankzij dit Hof een chique kwartier geworden dankzij voorname architectuur. Zo belangrijk kan dus de ligging van een gerechtsgebouw zijn; het kan een stuk stad tot grote hoogten brengen.

    Dat is ook het geval geweest op de Kop van Zuid in Rotterdam de bloei kon beginnen nadat justitie en rgd hadden besloten de oversteek van de Maas te wagen. Kijk ook naar de Kop van Zuid, nu een tweede centrum met een interessante mix van wonen, werken en uitgaan. Waarmee is aangetoond dat een gerechtsgebouw strategische betekenis heeft. En als katalysator kan fungeren voor stedelijke ontwikkeling.
    Dat lijkt nu allemaal makkelijk maar dat is lang niet altijd het geval. Het feit dat de Haarlemse rechtbank als een van de laatste uit het JR 120 programma pas net is opgeleverd, is het bewijs van een van de moeizaamste processen die de Rgd heeft gekend. Werd er eerst gifgrond van de oude drukkerij ontdekt, daarop volgde geruzie over een te complex programma in dat deel van de Haarlemse binnenstad, vervolgens diende een nieuwe architect een nieuw ontwerp te maken, en tenslotte stuitte men ook nog eens een lekkende bouwput; het mag een wonder heten dat de Appelaar nu eindelijk is gerealiseerd. Deze bouwgeschiedenis tekent dat de partijen niet de weg van de minste weerstand hebben gekozen. Men streefde naar een hoge architectonische kwaliteit in vaak complexe historische binnensteden met een uiterst kritische bevolking. Henket kan daarover meepraten in Haarlem: hij noemde deze opdracht ooit een rubik’s cube. Het gezag van de Sint Bavo leek onaantastbaar. De zichtlijnen op de toren zijn dus gehandhaafd gebleven en daar kunnen we blij mee zijn.
    Ook ex-rijksbouwmeester Kees Rijnboutt weet wat het is te bouwen in een complexe historische context. Die veroorzaakte een opstand toen zijn ontwerp voor de uitbreiding van het Zutphense gerecht bekend werd; het zou het oude centrum te veel schaden. Dat waren de geluiden 10 jaar geleden. Nu hoor je daar niemand meer over. Kennelijk is het ook wat waard geweest het gerechtsgebouw voor de binnenstad te behouden.

    Een apart woord wil ik wijden aan de kunst die een prominente plaats inneemt in alle gebouwen. Kort, want later komt Sandra Spijkerman hier uitgebreid op terug. In dat paleis is een bijzonder experiment geslaagd waar beroemde kunstenaars is gevraagd composities te maken voor wandtapijten. Daardoor beschikt het Bossche hof nu over een Rob Scholte, een Luc Tuymans, een Walter Oremans en een Marlene Dumas. De tapijten zouden op de vrije markt een vermogen waard zijn maar dat is niet het belangrijkste: ze reflecteren een eigenzinnige visie op rechtspraak en de positie van de verhoorde versus die van de magistratuur. Wat is de waarheid, vraagt Dumas zich af met haar schuldig kijkende beklaagden, haar slachtoffers?
    Kunst confronteert en provoceert en zo hoort het ook te zijn, alleen kan ik me voorstellen dat dat in gerechtsgebouwen nog wel eens gevoelig ligt. Bij de voorbereiding van deze lezing kwam een artikel uit het Haarlems Dagblad op mijn bureau dwarrelen met de kop: Rechters blijven boos over de kunst. Kennelijk kan er na de turbulente wordingsgeschiedenis van dat gebouw nog wel een hoofdstuk bij. De kritiek richt zich op een kunstwerk met de tekst ‘ Het woord is machtiger dan het zwaard’.
    We weten allemaal dat dat zo is, alleen laat de praktijk een zekere weerbarstigheid zien. Het is te vergelijken met het klassieke beeld van vrouwe justitia. Zij is geblinddoekt maar ook uitgerust met zwaard en weegschaal. Breng je dat over naar kunst, architectuur en stedelijke omgeving, dan gaat het ook over balans zoeken tussen status, gebruik en aanpasbaarheid. In dat licht bekeken is het een hele prestatie dat zoveel gerechten die balans gekregen hebben.