Het hotel nieuwe stijl: dromen zijn geen bedrog
The Exchange, the Cionservatory en Waldorf Astoria - Amsterdam wordt overspoeld.
21-02-2012 / artikelen
21-02-2012 / artikelen
Oh, aangename verwarring. In het vakantieoord in het zuiden van Gran Canaria zie ik de verlichte torens in de verte enige tijd aan voor de plaatselijke katholieke kerk. Maar helemaal overtuigd van mijn gelijk ben ik niet, omdat de twee torens elke avond in paars oplichten en ook nog geflankeerd gaan van felle feestverlichting. Dat de katholieke kerk met zijn tijd meegaat, akkoord, maar dan op een Las Vegas-achtige manier wil er bij mij niet in.
Het blijken bij nader beschouwing de torens van het sjiekste hotel van Meloneras. Waarmee we goed beschouwd uitkomen op een modern fenomeen: niets is meer wat het lijkt. Het hotel kan kennelijk de gedaante van een kerk aannemen en in sommige gevallen de kerk een hotel. De iconen-verwisseling ten top.
Bij de opening van het nieuwe complex van de Raad van State in Den Haag vergeleek het architectenechtpaar Merkx+Girod de wachtruimte bij de zittingszalen met een hotellobby. Want dat soort lobbys zijn tegenwoordig de plek om af te spreken of te netwerken, voegde Evelyne Merkx er aan toe. Merkx kan het weten: zij heeft menig interieur van een eigentijds vernis voorzien, van de Hema tot de Selexyz-boekhandel in de Dominicanerkerk te Maastricht. Aha, opnieuw een kerk. Overigens ontbreekt een hotel nog in het oeuvre van Merkx+Girod, maar als een bureau het kan, is dat van hen.
Het is een treffende constatering om semi-openbare ruimtes met hotellobbys op een lijn te stellen. In feite erkent Merkx daarmee dat de hotellobby niet meer uitsluitend is voor de gasten, maar voor de stedeling. Die heeft zelfs sinds een jaar of tien een nieuw woord en een begrip opgeleverd: loungen. (Met inbegrip van bijbehorende muziek, die we vroeger muzak zouden noemen). Loungen staat voor onderuitgezakt liggen of zitten op luie banken in afwachting van, ja in afwachting van wat? De lounge is de ultieme hangplek, met andere woorden, voor ouderen.
Elke metropool, inclusief zon toeristenparadijs als Meloneras, kan niet zonder zon hotel-nieuwe stijl. Het Sankt Petri-hotel in Kopenhagen bijvoorbeeld in het verleden een warenhuis beschikt over een lounge waar menige club jaloers op zou zijn. Die verandert ook in de loop van de avond in een club. Loungen gaat dan over in clubbing. The New Standard in downtown Los Angeles gooit het over een andere boeg. Daar fungeert the pool on the roof als hangplek of catwalk, net waar je zin in hebt.
In de nieuwe hotels van Amsterdam vermengen sferen en activiteiten zich eveneens. Het voormalige Volkskrant-gebouw maakt zich op voor een alliantie tussen low budget-hotel en creatieve broedplaats. Dat is min of meer geïnspireerd op het enkele jaren geleden geopende Lloyd Hotel dat als extra attractie de culturele ambassade heeft ingezet. Het vooraanstaande architectenbureau MVRDV veranderde de voormalige jeugdgevangenis in een bont allerlei van kamers, waar geen een hetzelfde is. Dat klinkt speels maar kan in de praktijk ongemakkelijke situaties opleveren: een kamer delen met een collega terwijl de douche vrijuit in de ruimte staat, doet een beroep op heel veel tolerantie. Het Lloyd is, zoveel is duidelijk, geen allemansvriend.
Sinds december heeft het Lloyd er een zusje of broertje bij, aan de morsigste straat van Nederland, The Exchange aan het Damrak. Dat mag je een gedurfde investering noemen, aangezien het (toeristisch) publiek ter plekke is op snelle, goedkope kicks. Opnieuw is het duo Suzanne Oxenaar/Otto Nan (van het Lloyd Hotel) op zoek gegaan naar jong creatief talent dat vaak voor een grijpstuiver de kamers heeft ingericht.
Elke kamer een individueel pareltje, daaruit spreek dat we niet meer uitsluitend in het Van der Valk-tijdperk leven, ook al voorziet die keten in een behoefte. Strategisch gelegen en financieel bereikbaar, om een paar argumenten ten faveure van dit marmer-en tapijt-imperium voor de gewone man te noemen. Die krijgt de illusie aangereikt een avond in weelde te verkeren en daar is op zich niets mis mee. Een hotel hoort een tovenaar in dromen te zijn, letterlijk en figuurlijk. Dat geldt zowel voor the Ritz (voor wie het zich kan veroorloven) als voor Motel de Witte Bergen.
Veel van dit soort ketens hebben alleen al door de omvang een reden van bestaan, maar ze hebben de afgelopen jaren gezelschap gekregen van het zogeheten boutique-hotel. Het is het verschil tussen slow en fast food, tussen de massaliteit en de verfijning. En nog een belangrijk verschil: het hotel nieuwe stijl mikt op een reiziger voor wie architectuur, interieur en goed eten belangrijker zijn dan de standaardformule. Het past bij de individualisering van deze tijd, een stroming die naast de groepsreis voorkomt.
Ze staan op Bali, in Shanghai en Dubai, Ibiza of Berlijn, en inmiddels ook in Amsterdam, dit soort oogstrelende resorts, ze worden aangeprezen in glossy magazines als Villa dArte en ook al zou je je nimmer een verblijf daarin kunnen bekostigen, de fotos alleen al sleuren je mee in een droomwereld. Er komen stylisten aan te pas om de bamboestokken in wit grint te arrangeren en de rotan bedden in slagorde langs de pool op te stellen.
Dit soort hotel heeft een nieuw stokje uit de toverdoos te voorschijn gehaald: wellness. Uit alle illustraties straalt een boodschap: U zult zich wel bevinden. Hiermee heeft het loungen een overtreffende trap gekregen.
Dat er daarnaast accommodaties voor (omvangrijke) groepen noodzakelijk zijn, bewijst de hausse aan openingen van hotels in Amsterdam, in zowel nieuwe complexen als in verbouwde kantoren. De toestroom van Chinezen en Russen moet ergens worden gegarandeerd. Dit is een andere categorie hotelgasten, die in geen enkel opzicht voor verrassingen of buitenissigheden wil worden geplaatst. De onzekerheid van een ander land met een ander schrift is immers al groot genoeg. Dit was ooit de reden voor een correspondent van een groot dagblad om waar hij ter wereld was voor Best Western te kiezen. Dan weet je waar de ijskast staat, hoe het bed ligt en wat de badkamer te bieden heeft. Verrassingen zul je bij een designhotel voor lief moeten nemen. In The Exchange te Amsterdam bijvoorbeeld lopen de ventilatiebuizen en leidingen open en bloot in de hotelwinkel. Ik neem aan dat de Chinese toerist bij het zicht daarvan iets moet wegslikken. En al helemaal als de receptionist in een soort bushokje is weggeborgen. Maar ja, voor grote groepen is The Exchange niet bedoeld.
In het toegenomen reizigersverkeer zijn hotels, in wat voor gedaante dan ook, noodzakelijker dan ooit. Parasitaire vormen duiken daardoor tegelijk op, in de vorm van bed&breakfasts en short stay-accommodaties. Niet omgeven door de beste waarborgen, zo heeft het Amsterdamse raadslid Frank van Dalen ondervonden, die een slaatje probeerde te slaan uit de booming toeristenbusiness door appartementen aan te bieden, zonder een deugdelijk brandweerkeurmerk. De druk is groot omdat de vraag groot is, niet alleen van de op persoonlijke behandeling gestelde toerist, maar ook de groepsreiziger.
Dat die massaliteit een keerzijde kent, werd ons onlangs duidelijk gemaakt aan de hand van het voorbeeld Venetië. Het aantal bewoners is tot een minimum geslonken, het aantal hotelovernachtingen en het verhuur van appartementen zijn daarentegen spectaculair gestegen. Venetië is uitgegroeid tot een hotel.
Voor sommigen, zoals de hoofdpersoon Gustav von Aschenbach uit de film Dood in Venetie mag dat misschien een aantrekkelijk visioen zijn, zolang hij zich kan bewegen op het terras van het inmiddels gesloten Hotel Des Bains, het is maatschappelijk gezien wel degelijk een dood. De reiziger is immers een passant, niet iemand die zich wortelt of wil nestelen in een habitat. Hotels worden daarom niet voor niets beschouwd als de ultieme vorm van anonimiteit. Waar alles mag of kan. Alleen bij een incident wordt die anonimiteit opgeheven: de affaire DSK springt daarvan recentelijk in het oog. Ineens krijgt de buitenstaander een beeld van een suite in een van New Yorks duurste hotels, een beeld van schuldig tapijt.
DSK is er, vermoedelijk, de man er niet naar om in kleinschalige hotels te vertoeven. Het is de anonimiteit en de zekerheid van de keten die aantrekt.
De tegenbeweging manifesteert zich in het kleinere boutique- of designhotel: het Calimero-verzet tegen de Hiltons, Best Westerns en NH Hoteles in deze wereld. De grondslag hiervoor werd in Nederland gelegd door Hotel New York te Rotterdam (ontwerp Dorine de Vos en ondernemer Daan van der Have) begin jaren negentig. Zoveel kamers, zoveel stijlen, was het uitgangspunt, maar belangrijker was het streven een huiskamer voor Rotterdam te ontwikkelen. Het is twintig jaar na dato nog steeds een doorslaand succes. Het duo De Vos/Van der Have heeft het concept tien jaar geleden herhaald met Villa Augustus in Dordrecht, gevestigd in een voormalige watertoren en pompstation. Hier is de formule niet zozeer huiskamer maar het biologisch product uit de moestuin en in de winkel. Het gaat dus in het moderne hotel allang niet meer om een bed en ontbijt maar om een totaalbeleving.
De opkomst van het designhotel is, hoe kan het ook anders, gelijk opgegaan met design met Philippe Starck in de jaren tachtig als vaandeldrager. Starck bedacht voor zowel Londen als New York sterke concepten, die vreemd genoeg pas na het millennium navolging hebben gekregen. Modern chiq zou de stijl genoemd kunnen worden, interieurs waarin elk detail en meubelstuk samenhang met elkaar vertonen. Starck greep daarmee terug op de hotels uit de jaren zestig waarvan het Radisson van Arne Jacobsen in Kopenhagen misschien het bekendst is. De boodschap aan de gast is dat de smaak uit de hotellobby wordt doorgezet tot in de kamer zelf, zodat hij niet voor een verrassing komt te staan. Want hoe vaak komt het in het standaard-hotel niet voor dat de teleurstelling over de benepen kamer groot is na een ontvangst in de overrompelende hal. What you see is what you get dat heeft het design- of boutiquehotel goed begrepen.
In dat opzicht voldoet ook de nieuwe generatie goedkope hotels aan de verwachting. Het Easyhotel van de Griek Stelios in de Pijp is basic, van lobby tot hotelkamer, omdat het mikt op een rugzaktoerist die zich niet meer kan veroorloven. Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich het net geopende Conservatorium Hotel in de voormalige Rijkspostspaarbank aan de Van Baerlestraat. Een Israelische miljardair heeft daarin 100 miljoen geinvesteerd om een voor Amsterdam - ongekende allure te presenteren, ingericht door de Italiaanse architect Piero Lissoni. Lissoni is de man achter diverse Cassina-zitbanken en Boffi-keukens. Iemand die net zo makkelijk een villa als een jacht ontwerpt.
Het Conservatorium Hotel is een slimme zet op een uitgekiende plaats. Estelle Gullit hoeft maar even de PC Hooftstraat te verlaten om haar boodschappentas uit te stallen in de lobby van dit hotel. Alsof de voormalige spaarbank geschapen is voor de welgestelde reiziger. Er is in het verleden geklaagd dat Amsterdam te weinig kosmopolitisch ingesteld zou zijn. Daar is nu geen reden meer toe, van het verbouwde LEurope en The Grand tot het College Hotel en het Conservatorium Hotel rond het Museumplein, alles is er aan gedaan om de vetste creditcard leeg te melken. Het is een bizarre constatering in de grootste crisistijd die het Westen sinds decennia meemaakt. Maar opmerkelijk genoeg zijn de sjiekste hotels juist in dit soort periodes van de grond gekomen.
Er is slechts een tekortkoming aan de hotels nieuwe stijl in Amsterdam en daarbuiten. Ze voldoen niet aan een aspect waardoor bijvoorbeeld Dubai aantrekkelijk is geworden voor de westerse reiziger. Een shopping mall ontbreekt. Een overdekt winkelcentrum dat de gast, laten we zeggen van Arabische herkomst, verwent en binnenhoudt. In een heet klimaat als dat van Dubai is dat een pre, maar er is geen reden te bedenken waarom dat in het regenachtige en winderige Amsterdammer evenmin mogelijk zou zijn. Hotel annex shopping mall, waaraan de naam van Armani verbonden is, zoals in de allerhoogste wolkenkrabber ter wereld (de Burj Dubai), daarvan kunnen we in Nederland alleen nog dromen.
Maar we zijn er nog niet. Het Waldorf Astoria moet er nog komen, aan de Herengracht in Amsterdam. Nieuwe panden, nieuwe kansen. Nog even en Amsterdam volgt het niet zo aantrekkelijke voorbeeld van Venetië dat elk gebouw van enige omvang wordt veranderd in een hotel. Het is te hopen dat er genoeg auteurs van het kaliber Gustav von Aschenbach over zijn, want de lobby moet wel gevuld blijven.