• Het dak van het Scheepvaartmuseum is een must

    Maar de vloer met travertintegels ook - zo hoort iedereen elkaar het best.

    05-07-2011 / artikelen

  •  
    • ook de gewelven met de toiletten zijn niet te versmaden

    Het adembenemende spinnenweb van Laurent Ney dat de binnenhof van het Scheepvaartmuseum overspant, is de enige gllmp die het museum van het interieur zijn bezoekers gunt. De grote klap moet immers op 2 oktober komen als het museum na een restauratie van enkele jaren opnieuw zijn deuren opent. Maar dat spektakel in de binnenhof kon of kan je ook eigenlijk niet ontgaan – alleen al de aanvoer van de metalen spanten en constructie van dit puzzelstuk was een evenement dat moeilijk geheim kon worden gehouden. Er zat, zo zegt adjunct-directeur Rick van Wijk, geen millimeter afwijking of speling tussen de spanten en het glas, resultaat van een haarscherpe computerberekening van de Luxemburgse kunstenaar.
    En nu het als een flinterdun dek boven de binnenhof hangt, is het door zijn schaduwwerking op muren en vloer overrompelend. Hier is een abstracte weergave van een oceanisch kaart tot leven gebracht, passend bij de collectie van het Scheepvaartmuseum. Schitterend natuurlijk, zo’n koepel, hoe is die alleen schoon te houden? Daarvoor staat een felblauw schrobbend ‘monster’ paraat, een robot op wieltjes die vanuit de dakrand het glas oprolt en zo zijn werk verricht – op afstand bestuurbaar.

    Akoestiek
    De koepel riep een volgende vraag op: hoe de akoestiek in de binnenhof zo te regelen dat het publiek elkaar dankzij een galm niet verstaat. Zonder de kap was er een nagalmtijd van 2,5 seconden, met de kap liep dat op tot 16 seconden. Het liefst wilde de museumdirectie die tijd weer terugbrengen naar 3, maar stuitte daarbij op een aantal ‘verboden’: geen aantasting van de binnenwanden en evenmin de camouflage van het dak met een velum. De uitstraling van de voormalige buitenmuren moest zo veel mogelijk ongeschonden blijven. Het natuurlijk licht moest doordringen tot de binnenhof, zodat het lijkt alsof je buiten staat.
    Dan blijft de vloer over. Er zijn terrazzo-tegeltjes gestrooid in een kunststof composiet dat verdacht veel op cement lijkt met kruisvormige uitsparingen tussen de tegels. Die tegels rusten in een metalen frame. Daaronder ligt een akoestische deken die de ondergelegen tongewelven afdekt – maar dus ook het geluid van boven absorbeert. Daarmee is de nagalmtijd verkort tot 3,3, zeer aanvaardbaar aldus Va Wijk. De komende maand zullen er soundchecks plaatsvinden om te kijken wat er op de binnenhof mogelijk is, maar Van Wijk is optimistisch. Hier kunnen moeiteloos groepen recipiëren of feesten als dat nodig is. Daarbij zullen ze vergezeld worden van de ledverlichting die subtiel in de dakspanten is aangebracht, een al even overrompelend lichtspel, zo voorspelt de adjunct-directeur. Maar dat effect moeten we nog even afwachten.

    Pleisterlaag
    Minstens zo spectaculair als de overspanning van de binnenhof is de reiniging van de gevel die een ivoorwit Scheepbaartmuseum heeft tevoorschijn getoverd. Voordien was het gelig of creme. Het 17e eeuws gebouw heeft een baksteen gevel die na de herbouw na een brand in 1791 is gepleisterd. Er wordt een blokverband gesuggereerd in het pleisterwerk. De oorspronkelijke kleur was volgens restauratiearchitect Kees Doornenbal moeilijk te achterhalen. Er bestonden kleurverschillen tussen de binnenhof en de buitenkant. In overleg met verschillende monumenteninstanties kwam men uit op deze frisse witgrijze tint. Tegelijk zijn de ornamenten gereinigd en duif-bestendig gemaakt. De timpanen vertonen qua beeldengroepen overeenkomsten met het Paleis op de Dam – opnieuw een Triton en waternimfen - maar missen de gouden of koperen accenten, afgezien van het Je Maintiendrai-wapen op de zuidgevel. Maar in tegenstelling tot de beelden op de timpanen van het paleis zijn die bij het Scheepvaartmuseum van gips en niet van natuursteen. Dat verklaart waarom ze veel minder door de tand des tijds zijn aangetast. Gips is sterker.
    De admiraliteit werd in slechts negen maanden gebouwd door architect Daniel Stalpaert in 1665. Er werden scheepstuig, benodigdheden voor de vloot en ook munitie opgeslagen. Het was in zijn tijd internationaal gezien zo’n attractie dat het veel belangstellenden trok. Dit was in die tijd het maritieme centrum van de wereld, met de scheepswerf ernaast en de kruitmagazijnen. Om dat bezoek op ordentelijke manier te ontvangen was er een speciale trap aan de noordkant gebouwd waarover we nu ook weer lopen – alleen is die nu niet hout maar van glas en beton, met roestvrijstalen balustrades. Het is een moderne toevoeging die mooi afsteekt bij de wit gesausde binnenmuren.

    Standvinken
    Onder de zolderkap zijn de kantoren al operationeel. Ze liggen ingeklemd tussen standvinken en balken, zijn afgeschermd met schuine glazen wanden. De cijfers en codes op de balken herinneren aan het depot dat hier vroeger gevestigd was. Zo konden de stukken makkelijk worden teruggevonden. Ook hier zijn akoestische voorzieningen aangebracht. De Wijk wijst op de bekleding van een kast die het geluid dempt.
    We lopen door de zalen waar hard wordt gewerkt aan de opbouw van de (vaste) tentoonstelling. Zeven verschillende internationale ontwerpers laten hun licht schijnen over de inrichting, zodat er aldus Van Wijk, een grote afwisseling in sferen ontstaat. Er is bovendien de mogelijkheid om na verloop van tijd te wisselen – daardoor wordt een statisch museum vermeden. Hoe, dat zullen we in oktober, gaan zien.
    De grootste bijzonderheid van de expositieruimtes is de klimatisering van – in dit geval – de vitrines. Gewoonlijk kiest een museum voor een doos-in-een-doos constructie, een schil voor de buitenwand die de kwalijke invloeden van buiten (vocht, licht) weerden. Uit duurzaamheidoverwegingen is bij het Scheepvaartmuseum gekozen voor kleinere klimaatzones die met compacte luchtbehandelinginstallaties worden gekoeld. Zo blijft de luchtvochtigheid voor de houten scheepsmodellen en andere kwetsbare maritieme objecten op peil. Alleen op de 2e verdieping waar de schilderijen hangen en tijdelijke exposities worden gehouden, is de standaard klimatisering aangehouden.
    Het voordeel van deze innovatie, die volgens Van Wijk nog nergens ter wereld zo is toegepast, is dat de bouwkundige structuur van het museum met zijn langwerpige zalen niet wordt aangetast en dat er veel minder energie wordt verspild aan koeling en ventilatie.
    Wat in de 17e eeuw al werd aangeduid als een wereldwonder aan het binnen-IJ, zou het daarom zomaar drie eeuwen later weer kunnen worden, alleen dan op grond van heel andere uitvindingen van nu dan toen.