•  


    • De installatiekelder onder de tuin aan de kant van Hobbemakade

    ‘Elke dag is er weer een stukje af in het Rijksmuseum. Deze en vorige week zijn vrijwel alle steigers weggehaald en is de gerestaureerde gevel zichtbaar.’ Directeur Wim Pijbes, verplichte bouwhelm op het hoofd, is hoopvol en optimistisch. Na een slepende aanloopperiode zit er nu schot in de voltooiing van een van de grootste projecten die Nederland ooit heeft meegemaakt: de restauratie en vernieuwing van het Rijksmuseum. Niemand denkt meer aan het moeizame begin, alles is gericht op de oplevering, die voorzien is voor begin 2012. Het museum gaat een jaar later weer open.
    Aan de buitenkant zijn de vorderingen zichtbaar voor het langsrijdende publiek. Het metselwerk is gereinigd, de beelden opgepoetst en het leien dak is vernieuwd. De tegeltableaus schitteren weer, net als de in goud gekalligrafeerde namen van beroemde vaderlanders. Maar binnen is de verrassing zo mogelijk nog groter. Er is een compleet nieuw ondergronds circuit aangelegd, dat het personeel van het museum leidt van het nieuwe Studiecentrum naar de zalen en binnenhoven. Dat Studiecentrum is een bescheiden torentje tussen het hoofdgebouw en de Teekenschool.
    Onder de tuin aan de kant van de Hobbemakade bevindt zich een nieuw zenuwcentrum: een indrukwekkend stelsel van buizen, pijpen, knoppen en regelaars, dat het museum voorziet van warme en koele lucht. Van daaruit strekt zich een leidingencircuit van maar liefst 500 meter rondom het museum dat het klimaat in het gebouw nauwkeurig regelt – hier liggen ook de kabels voor data en beveiliging. Een vertegenwoordiger van BAM Civiel heeft berekend dat je met helm op en bouwschoeisel aan in twee minuten rond het museum kunt rennen. Dat is het voorlopige record voor bouwvakkers in werkkleding. Zonder helm en de lompe schoenen moet het beslist sneller kunnen.

    Passage
    Er is een compleet nieuwe onderwereld geschapen onder het toch al omvangrijke gebouw, dat 30 jaar geleden nog te boek stond als grootste van Nederland. Afgezien van de ringleiding is er een auditorium gebouwd onder de binnenplaats, een ondergrondse verbinding gelegd met het nieuwe Aziatische paviljoen en zijn er onder de passage ruimtes voor garderobe en kassa geschapen. Passage, zo zegt directeur Pijbes nadrukkelijk, vervangt het oude en beladen begrip onderdoorgang. Daar is immers het meest over gesteggeld. De passage wordt in de nabije toekomst een door (zon)licht beschenen route voor fietsers en voetgangers waar het in het verleden een donkere tunnel was. De boogvensters zijn geopend: zij sturen het licht van de binnenhoven naar de passage.
    De binnenhoven, nu atriums genoemd, zijn het voorlopige piece de resistance in het Rijksmuseum. Poorten van beige Portugees marmer scannen op een subtiele wijze bagage en kleding van het publiek, aan weerszijden daarvan gaan twee liften schuil achter datzelfde natuursteen. De muren van de atriums zijn voorbeeldig gereinigd zodat details als bogen en roeden veel beter in het oog springen. De muren zien eruit als de kleine exemplaren in de blokkendoos van vroeger.
    Het is bijna niet meer voor te stellen dat deze hoven tien jaar geleden nog gevuld waren met kantoren, zaaltjes en aula. De grandeur van de ruime wordt versterkt door vierkante chandeliers onder de glazen kap die niet alleen de akoestiek verzachten maar ook de vloer aanlichten (downlights) of ’s avonds het dak (uplights). De kap zelf is voorzien van nieuw glas, de gietijzeren liggers zien er weer uit als nieuw.
    Pijbes plaatst een kanttekening: op de tweede etages schermen roestkleurige schotten de museumzalen af van het daglicht. Die mogen wat hem betreft nog wat tekening krijgen zodat ze harmoniëren met de muren.

    Inrichting
    De directeur geeft ook een voorschot op de toekomstige inrichting. De bezoeker wandelt straks van Middeleeuwen naar Renaissance, van de Gouden Eeuw via de 19e eeuw naar de 20e eeuw. Schilderijen, meubelstukken, kunstnijverheid, tapijten en voorwerpen geven zo, in samenhang met elkaar, een overzicht van een bepaalde periode. De Philipsvleugel biedt plaats aan wisselende exposities. Het atrium zelf moet een plaza worden, een overdekt forum waar de Amsterdammer kan verblijven. ‘Maar ik heb natuurlijk liever dat de mensen het museum binnengaan. En dat geldt ook voor de passerende fietsers en voetgangers.’ Gemikt wordt op 2 miljoen bezoekers per jaar, waarmee het Rijksmuseum op gelijke hoogte komt te staan met instituten als Louvre en British Museum.
    De Teekenschool, het langwerpige gebouw op de hoek van Hobbemakade en Hobbemastraat, wordt een educatief centrum. Pijbes: ‘Kinderen leren wel rekenen en schrijven op de lagere school, maar tekenen schiet er soms bij in. Hier kunnen ze in de voetsporen van de grote meesters hu tekentalent beproeven.’
    Hoewel er nog water ligt op de betonnen vloeren in het leidingencircuit – dat hoort bij het afstellen van de installaties – is de fase van de afbouw nu echt aangebroken. Niets herinnert meer aan graafmachines die hier het zand weg hapten, niets meer aan de damwanden die het binnen sijpelende grondwater moesten keren. Het Rijksmuseum is als een oester die langzaam zijn schelp openklapt.
    Verder met Cuypers was en is het motto, waarmee recht wordt gedaan aan zijn Gesamtkunstwerk. Verder betekent in dit geval ook verbeteringen op verschillende schaal. De drie liften zijn vervangen door 24 personenliften. Het hele gebouw staat in dienst van het exposeren, nu de kantoren in andere panden zijn ondergebracht. Over een jaar kan het inhuizen van de kunst gaan beginnen.