Geknakte stedenbouw
Worden de tuinsteden en ook de architecten aan hun lot overgelaten
06-12-2010 / artikelen
06-12-2010 / artikelen
In de stroom van de tegenvallende berichten uit de cultuursector kon het volgende nieuws er nog wel bij: de herstructurering van de westelijke tuinsteden in Amsterdam wordt gestaakt. De ontwikkelingsorganisatie Far West wordt ontmanteld; taken worden overgeheveld naar woningcorporaties De Key, Rochdale of Stadgenoot.
Dat het voor de architectuur en stedenbouw de somberste tijden zijn sinds 1980, blijkt niet alleen uit het feit dat een op de vier architecten werkloos thuis zit, dat sommige bureaus zonder pardon worden opgedoekt, maar ook uit dit besluit. Geen architect heeft meer iets te zoeken ten westen van de Ring A10, de komende jaren. Een half voltooid stuk stad is een feit.
Met terugwerkende kracht zullen markante gebouwen als Parkrand van MVRDV (met zijn enorme open geboorde gevel) en Scala van Faro Architecten gerekend worden tot de laatste huzarenstukjes van Far West. Stuk voor stuk vormden deze Megablocks een breuk met de eenvormige laag- en middelhoogbouw van Slotermeer en Geuzenveld. Ze waren de voorboden van een nieuwe toekomst voor de tuinsteden; ze zullen de geschiedenis ingaan als aanzetten. Mooier gezegd: hier is sprake van in de knop gebroken stedenbouw.
Even terug naar de noodzaak van deze transformatie. Vermoedelijk geldt die als een van de grootste naoorlogse hervormingen op het gebied van volkshuisvesting. Halverwege de jaren negentig voelden de gemeente en de kersverse stadsdeelbesturen de noodzaak om de tuinsteden op de schop te nemen. Het gevoel kwam gelijk op in Amsterdam, Den Haag en Arnhem-Zuid, om een willekeurige stadsdeel in het land te noemen.
De naoorlogse revolutiebouw was aan het eind van zijn Latijn. Gehorig, tochtig en te klein voor nieuwe Nederlanders met grote gezinnen. De oorspronkelijke bewoners, aanvankelijk behorend tot de middenklasse, waren overleden of weggetrokken naar de groeisteden die het rijk begin jaren zeventig had aangewezen: Nieuwegein, Zoetermeer of Purmerend. Tegelijk ontbrak er een doorstromingsmogelijkheid voor een nieuwe niet-Nederlandse middenklasse. Ook zij vertrokken naar ruimere woningen in de periferie van de grote stad. De tuinsteden zakten in een snel tempo af naar gettos voor kansarmen met alle gevolgen van dien: overlast op straat, bedreigingen, inbraken en verloedering. De flats uit de jaren vijftig waren domweg niet berekend op een ander type bewoner dan de brave kantoorklerk en zijn moederende huisvrouw.
De strategie van de woningcorporaties om het verval een halt toe te roepen was ambitieus en verbeeldingsvol. Ze wezen de ergste rotte plekken aan en vervingen die door nieuwe, fraai ontworpen woningblokken. Archipunctuur werd het wel genoemd, beter is wellicht het begrip stedelijke chirurgie. Eersteklas architecten leverden vanaf 1998 tot nu indrukwekkende prestaties. Ik pik er een paar uit: DP6 ontwierp in Amsterdam-Osdorp De Stadstuinen, een lichte rij woningen op een parkeerdek met vlonders en terrassen aan het water. Ooit was dat een slecht onderhouden groenstrook, die vanwege sociale onveiligheid matig werd gebruikt. De Stadstuinen is nu een leefbare toevoeging aan Osdorp, het spreekwoordelijke extraatje waarom de wijk te springen zat. Van Osdorp maak ik een stap naar Malburgen, een Vogelaarwijk in Arnhem-Zuid. De gemeente knapte enkele van de vier etages hoge flats op (een cosmetische behandeling), maar spectaculairder was bijvoorbeeld het blok Nachtschade van de architecten Kother/Salman/Riedijk dat inspeelde op de plaatselijke omstandigheden. Malburgen ligt verstopt achter een rivierdijk. Door het blok op een basement te plaatsen en te stapelen, kregen de bewoners eindelijk uitzicht op de Rijn.
In feite laten die architectonische voorbeelden in een notendop de keerzijde en kansen van de naoorlogse stedenbouw zien. Hoewel de wijken zeer gunstig bedeeld zijn met parken, plantsoenen en waterlopen, stonden de woningen er met de rug naar toe. Het groen verdeelde de wijk, terwijl het een bindend element had kunnen zijn. Het water of het nu de Rijn is of een uitloper van de Sloterplas leed aan hetzelfde euvel. Wat een succesnummer is in veel Vinex-locaties, namelijk een natte achterdeur met een bootje aan de steiger, kon moeiteloos getransplanteerd worden in de tuinsteden. Er is immers openbare ruimte te veel. Er is in de jaren vijftig en zestig royale stedenbouw bedreven met lange zichtassen, brede wegen en grote pleinen.
De directeur van Far West, Jacques Thielen, zag in de stopzetting van zijn organisatie een voordeel. We gaan de bestaande woningen opknappen, we gaan over op een meer kleinschalige toer. Wie diep in het hart van Thielen kijkt, zal vermoedelijk stuiten op een andere gemoedstoestand. Een hartgrondige vloek, een verbittering. Maar omdat de directeur zal nooit zal toegeven, zal ik de teleurstelling woorden geven. Die kent vele gezichten. Om te beginnen zullen bewoners in de desbetreffende wijken het een domper vinden dat de hun beloofde ruimere en comfortabele woning een illusie wordt. Jaren hebben ze gewacht op verhuizing naar een betere toekomst, nu worden ze afgescheept met woningverbetering typisch het soort stadsvernieuwing uit begin jaren tachtig dat bekend staat om zijn geringe kwaliteit. Goedkoop, duurkoop. Er is weinig verbeelding voor nodig om te voorspellen dat deze bescheiden ingrepen niks met duurzaamheid te maken hebben. Over tien jaar staan de huizen er verloederd bij je kunt dat vaststellen in de Amsterdamse Dapperbuurt of in Het Oude Westen in Rotterdam. Punaise-architectuur is het smalend genoemd.
Niet alleen de bewoners zijn de verliezers, maar ook de stedenbouwers en architecten. Natuurlijk worden lopende projecten voltooid, maar zodra dat is het gebeurd vormen ze mastodonten in een stadsdeel met voornamelijk schamele laagbouw. De samenhang is zoek, en met de samenhang ook de synergie die de consortia nastreefden in de tuinsteden. Om het grof te zeggen: je krijgt architectuur met een A-kwaliteit en de bijbehorende bewoners tussen woningen met een C-stempel waarin de losers moeten achterblijven. Niet bepaald bevorderlijk voor de emancipatie van sommige bevolkingsgroepen, en helemaal niet voor de sociale cohesie in een stadsdeel.
Voor architecten kun je de beslissing niet anders betitelen dan lullig. Een architect ontwerpt nooit een (mega)blok op zichzelf, hij kijkt naar de stedenbouwkundige context, naar de aansluiting op parken en wegen en houdt rekening met de voorzieningen. Een geslaagd voorbeeld is de metamorfose van Osdorp. Het vernieuwde winkelcentrum sluit door de herstructurering beter aan op de omgeving, de oevers van de Sloterplas zijn goed uitgebuit met horeca en terrassen, en de woningen zelf kennen een aangename diversiteit en afwisseling. Architecten hebben zich laten inspireren door de locatie. De eerder genoemde architectuurstudio DP6 heeft met Vrankendijke een nieuwe entree voor het noordelijk deel van Osdorp geschapen, met bedrijven, een school en een gebedsruimte op de begane grond, en woningen daarboven. Met zijn vuurrode gevel en de helwitte balkons is het een baken in een wijk die vroeger vooral gezichtloos leek.
Zon architectonische interventie in dergelijke slaapsteden heeft een enorme impact. Het geeft de bewoners de indruk dat er wat gebeurt, het versterkt de trots en het geloof in gebieden waar het de afgelopen decennia was weggeëbd. Osdorp heeft geluk gehad dat de herstructurering daar eerder voltooid is.
DP6, een afsplitsing van het beroemde Mecanoo, heeft zich op twee plekken in Osdorp kunnen manifesteren. Voor anderen zullen het papieren plannen blijven. De Nieuwe Seneca van de veelbelovende architecten Arons en Gelauff is er zo een: gepland voor het Confuciusplein in Geuzenveld en opgetuigd met een interessant programma. Een buurtcentrum, met restaurant, een zorgvoorziening (behandelcentra voor dementerende ouderen en zorghotel), een school en een sportzaal zouden daarin een plek krijgen. Typisch extraatjes die nodig zijn om bewoners van uiteenlopende komaf en met verschillende behoeften aan de buurt te binden. Blijft het bij de maquette? Het valt te vrezen, want de opdrachtgever is Far West.
Het is zuur voor architecten die al zover op streek waren en nu hun werk gefnuikt zien. Maar het is ook bitter voor de metropolitaine ontwikkeling. Een argument voor de opheffing voor Far West was dat koopwoningen in de wijk moeizaam liepen. Daar is iets voor te zeggen: de markt zit door de crisis op een hopeloze manier vast. Niemand durft op dit moment zijn huurwoning in te wisselen voor een koophuis als de prijs daarvan labiel is. Nu er op dat gebied geen initiatieven meer worden genomen in Amsterdam-West, bestaat de vrees dat beleggingsmaatschappijen toch weer woningen gaan bouwen in de wei, omdat dat goedkoper is. Daar zijn de huizen met een tuin kansrijker en lucratiever. Het zou een ongewenste ontwikkeling zijn, is mijn stellige overtuiging. Juist nu moet de gemeente met allerlei coalities inzetten op stedelijke verdichting en de naoorlogse woonwijken zijn daar met hun ruime layout het meest geschikt voor.
Het risico bestaat dat er een nieuwe trek komt van bewoners uit de stad naar de stadsrand, en dat de tweedeling in de samenleving opnieuw wordt aangezwengeld: tussen de achterblijvers die het niet kunnen of willen betalen, en tussen de kansrijken die een koopwoning buiten hun wijk zoeken. Het spel in de woningmarkt kent op dit moment uitsluitend verliezers.
Wat misschien nog het meest teleurstelt, is de oncreatieve oplossing die de opheffing van Far West inhoudt. Zomaar hele stukken stad schrappen en opgeven omdat de markt tegenzit: je had van bestuurders meer vindingrijkheid verwacht. Voor architecten zit er niets anders op dan te wachten tot de storm over is. Als dat is gebeurd, is het nog maar de vraag of ze gemotiveerd de draad weer zullen oppakken in West. Tegen die tijd zullen ze zijn uitgeweken naar China waar de perspectieven gunstiger zijn en creatief talent meer op waarde wordt geschat.