Concertzaal is er voor de muziek en niet andersom
Het onverwachte huwelijk tussen muziek en architectuur
28-10-2010 / artikelen
28-10-2010 / artikelen
Op het eerste gezicht, zou je zeggen, hebben muziek en architectuur weinig met elkaar te maken. Twee gescheiden disciplines zijn het, waarvan de eerste op het gevoel en de tweede op het gebruik is gericht. Ze kennen ook hun eigen wetmatigheden: in de mooiste concertzaal kan de erbarmelijkste muziek ten gehore worden gebracht, terwijl je net zo goed meegesleept kunt worden door een klein ensemble in de buitenlucht waar geen gebouw aan te pas komt.
Toch zijn er gedenkwaardige coalities tussen ontwerp en composities gesmeed in de geschiedenis, die het oude adagium van 1 plus 1 maakt 3 bevestigen. Toen in 1958 voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog een wereldtentoonstelling haar poorten opende, de Expo op het Heizelterrein in Brussel, was een van de voornaamste trekpleisters Le Poeme Electronique, een joint venture van de componist Edgar Varese en de architect Le Corbusier. Hoewel het paviljoen helaas in 1959 met dynamiet aan stof geschoten, is het blijven voortleven als een nieuwe poging, misschien wel de eerste, om de mens een ruimtelijke, zintuiglijke ervaring te laten ondergaan. Wie het paviljoen betrad, door Le Corbusier omschreven als een maag die ingrediënten opslokt, legde vervolgens een parcours af waar de klankkleuren en tonen van Varese via 425 luidsprekers de bezoeker overweldigden. Muziekcompositie ging samen met projectie: beelden buitelden op de wand over elkaar heen, lang voordat de mens verwend werd met 3d, visual effects, imax en andere technische verworvenheden.
Aanvankelijk zou Gerrit Rietveld het paviljoen ontworpen, totdat ook Le Corbusier door de opdrachtgever, Philips, werd aangesteld. Twee kapiteins op een schip zou averij opleveren. Rietveld trok zich terug. Le Corbusier voltooide het paviljoen, dat hij overigens vrijwel volledig liet ontwerpen door zijn assistent Yannis Xenakis, die later beter bekend zou worden als componist dan als architect. Le Corbusier bemoeide zich vooral met het concept en de versmelting van vorm en projectie.
Uiteraard was het Philips vooral begonnen om zijn technisch vernuft te etaleren, zoals dat gaat, of hoort te gaan bij wereldtentoonstellingen. Ik vermoed dat de effecten in 1958 omvangrijker waren nu omdat de Europeaan die de verschrikkingen van de oorlog achter de rug had, open stond voor iets nieuws. Geen tijdperk dat zo hartstochtelijk de toekomst omarmde dan de periode 1950-1965. In die zin zou Le Poeme Electronique tegenwoordig beslist minder impact hebben. Interessant was het daarom dat het experiment in 2009 herhaald is, in het Planetarium van Artis, tijdens het Holland Festival. Goed bedoeld, maar toch een gemankeerd initiatief. Immers de ruimtelijke constructie van Le Corbusier ontbrak. Zinvoller lijkt het plan om het paviljoen te herbouwen in Strijp, Eindhoven, op het terrein waar het ooit is geconcipieerd. Philips zou zo de stad een cadeau kunnen geven, misschien wel een Wiedergutmachung, voor het vertrek van het hoofdkantoor uit Eindhoven.
De creatie van Le Corbusier/Varese kwam een halve eeuw na de stichting van de eerste echte concertzalen in de wereld. Over legendarische architectuur gesproken: kennelijk was een goed doordacht ontwerp wenselijk om muziek tot klinken te brengen. Na de uitvinding van de symfonie bleken bestaande concertzalen ontoereikend. De schoenendoos-vorm kwam akoestisch gezien als beste uit de bus, zelfs zo dat orkesten boven zichzelf uitstegen, van de Wiener Philharmoniker in de Wiener Musikverein, het Gewandhausorchester in het gelijknamige gebouw in Leipzig en ons eigen Concertgebouworkest in de schepping van Van Gendt. Zalen zonder te veel afleiding, het orgel op het podium en de cartouches onder de balkons uitgezonderd. De aanbedene hoorde de componist te zijn, de hogepriester heette Berlioz, Wagner danwel Mahler.
Toen ik twee jaar geleden oog in oog stond met het Gewandhaus, kon ik een teleurstelling niet onderdrukken over het staaltje onbarmhartige DDR-architectuur dat daar tegen de binnenstad was aangeplakt. Was hier ooit Mendelssohn-Bartoldy dirigent, je kon het je niet voorstellen. Lagen hier de wortels van Johann Sebastian Bach? Het oude Gewandhaus (letterlijk: Lakenhal) is dan ook niet meer, verwoest door geallieerde bommen in 1944. Verslagen was een muzikaal/architectonisch monument, hoewel niet helemaal: de Boston Symphony Hall is een kopie van de zaal uit Leipzig en heeft zich dezelfde klankkleur eigen gemaakt.
De ruïne in Leipzig werd bijeengeraapt, verwerkt en hergeprogrammeerd in een nieuwe concertzaal die in 1981 na vijf jaar bouwen openging, geen glorieus moment in de architectuurgeschiedenis. De zaal heeft zijn rudimentaire rechthoekige vorm teruggekregen, hoewel de zijbalkons, anders dan bij het Concertgebouw, diagonaal ten opzichte van de wand verspringen.
Twee jaar voordat het nieuwe Gewandhaus werd opgeleverd, kreeg Utrecht zijn Muziekcentrum Vredenburg van Herman Hertzberger, van de Nederlandse architecten misschien wel de meest muzikale. Hertzberger wilde met een achthoekige vorm afwijken van de traditionele rechthoek (de schoenendoos) in de hoop dat de akoestiek nog sterker zou worden, de klankkleur van het orkest nog helderder. De critici lieten zich overtuigen, hoewel het aanvankelijke commentaar was dat het orkest te hard klonk, de muziek subtiliteit verloor. Zelf vond ik de achthoek en de bijbehorende foyers en toegangen voornamelijk een doolhof en deed de sfeer me eerder denken aan een stadion dan aan een concertzaal. Het feestelijk gevoel dat nu eenmaal ook hoort bij het beluisteren van muziek de schrijfster Margriet de Moor heeft het zelfs over erotiek blijft uit in Vredenburg, of bleef uit, want het muziekcentrum ondergaat een metamorfose.
Als je de evolutie van de rechthoekige concertzaal naar de podia van de 21e eeuw overziet, dan valt op dat akoestische wetmatigheden er minder toedoen. De architect is vrijer. Dat komt in de eerste plaats door de verbeterde geluidstechniek en de opkomst van versterkte muziek. Popzalen zijn in dat opzicht grenzeloos, zowel in uiterlijk als in het interieur. De Mezz van Erick van Egeraat in Breda of 010 in Tilburg, ontworpen door Benthem Crouwel, zijn bonbons die met hun totaal verschillende uiterlijke vorm de bezoeker willen verleiden. Binnen wacht hen de gebruikelijke zwarte doos die slechts een doel heeft: de muziek en de performance zo voordelig mogelijk naar het publiek toe sturen. The medium is the message.
In feite onderstrepen Mezz, 010 maar ook Patronaat in Haarlem, de Amsterdamse Heineken Music Hall en het Paard van Troje in Den Haag de volwassenwording van de pop/hiphop/trance/house (of wat dan ook) als muziekstroming. Die muziek wordt niet meer afgewerkt in morsige zaaltjes die ooit dienst hebben gedaan als school, nee, daarmee bemoeien architecten met een reputatie zich. De technische verbetering manifesteert zich in de manier waarop een performance belicht wordt: letterlijk de verbeelding van de klankkleur van een concert.
Omdat niet iedereen bezoeker is of wil zijn, is het aan de architect (en zijn opdrachtgever) de taak om een concertgebouw of poptempel uitstraling te geven. Het gebouw hoort ook van buiten muzikaliteit uit te stralen. In het Concertgebouw heeft Van Gendt dat letterlijk gedaan door een lyra op de nok van het fronton te plaatsen. De classicistische architectuur laat geen twijfel toe: hier hebben we te maken met hogere cultuur, wat we vroeger de kunst met de grote K noemen. Waar we ter wereld ook zijn, is deze verschijningsvorm het boegbeeld van de klassieke muziek, waarmee het concertgebouw een archetype is geworden. Althans een kleine eeuw lang.
Sinds de bouw van de opera van Sydney is de vorm vrij. Het gebouw hoeft niet meer te vertellen wat er binnen gebeurt. Vorm heeft zich losgemaakt van functie. Met operas kan dat misschien makkelijker, omdat de lyriek en het theater van iets groter gewicht zijn dan de strenge akoestische norm van de concertzaal. Bij opera moet de architect zich in eerste instantie bekommeren om de zichtlijnen wat soms ten koste gaat van de verstaanbaarheid. De voornaamste kritiek op het Muziektheater was de eerste jaren dat de klankkleur van het orkest maar niet wilde bloeien op en bij de duurste rangen. Zangers verloren het soms van het orkestgeweld. Architectuur blijkt dan een onbeholpen middel voor het ideale geluid. Laat de zangers dan microfoons opspelden, is het advies van technici. Maar ja, opera glorieert nu eenmaal bij de gratie van de natuurlijke stem in combinatie van een gekunsteld concept.
Is er dan sinds de uitvinding van de schoenendoos geen ideale concertzaal tot stand gekomen, als we de pop- en jazzcentra niet meerekenen? Een zaal waar de muziek volmaakt tot klinken wordt gebracht? Het Muziekgebouw aan het IJ, van de Deense architecten 3xNielsen, komt een eind in de richting. De oorzaak is in feite triviaal. Ontwikkeling en bouw duurden zo lang dat de architect samen met akoestisch expert Peutz het concept konden vervolmaken. De list die ze bedachten, neigt naar genialiteit: de grote zaal kan worden aangepast aan elke soort muziek, intiem als kamermuziek wordt gespeeld, hol en fris bij barok, ruimtelijk zodra een orgel moet klinken en lekker droog bij wereldmuziek. Het plafond kan zakken, de vloer kan stijgen, tribunes kunnen maar een vlakke vloer eveneens. De zaal is dus manipuleerbaar. En om het luistergenot te verhogen, zijn er achter de houten stroken in de wand tl buizen gestoken die van kleur veranderen tijdens het concert. Hier is dus letterlijk en figuurlijk klankkleur mogelijk.
Het Muziekgebouw voegt een element toe dat ten tijde van Van Gendt er minder toedeed: een esthetische, ruimtelijke ervaring. Het zien en gezien worden, waarvoor de foyers met uitzicht op het IJ zich goed lenen. Een concert bezoek je voor die unieke uitvoering, zeker, maar dient er ook toe om in vervoering te raken. Als het oor gestimuleerd wordt, mag het oog niet achterblijven. Kennelijk is een zinnenprikkelende omgeving de conditio sine qua non voor muzikaal genot. De kleur die de muziek aanneemt, is weliswaar persoonlijk van aard, alleen wordt die gevoed door een rijke architectuur. Een karakterloze zaal in een anoniem gebouw kunnen dat kleurpalet niet garanderen. Alleen daarom zou het experiment van Le Corbusier en Varese een vervolg moeten krijgen.