• Het verlangen naar een natte achterdeur

    De Nederlandse Wanderlust zit op of ligt aan het water.

    22-08-2010 / documenten

  •  
    • In De Stad van de Zon te Heerhugowaard zijn vrijwel alle woningen gericht op grachten , singels en plassen.
    • Venetie is natuurlijk het ultieme waterparadijs waar ook de Nederlander naar hunkert

    Als er een volk is dat de natuur op een voetstuk zet, haar verheerlijkt in schilderijen of muziek, zijn dat de Duitsers. Wanderlust, een bijna onvertaalbaar woord, lijkt een gen dat alleen voorkomt bij Duitsers, dat zich manifesteert in een onstuitbaar verlangen erop uit te trekken, bij voorkeur met gebeeldhouwde stok in het avontuurlijke woud. Hoe ruiger en ongecultiveerder het landschap, hoe liever het de zwerver is, zo geeft de schilder Caspar David Friedrich uiting aan die Sehnsucht. En anders klinkt het wel door in de symfonieën van Beethoven (de Pastorale!) of meer nog in de opera’s van Wagner die de mythe van Rijndochters in zijn Ring tot reusachtige proporties heeft opgeblazen.
    Wat stelt Nederland daar tegenover? Geen woud, want daarmee is het Nederlandse landschap karig bedeeld, heidevelden hoogstens. De zee dus. De Duitse Wanderlust zouden we wellicht kunnen vertalen met ‘Een dagje naar het strand’. Kuilen graven, schuitje varen, theetje drinken, varen we naar de overkant – als het maar water is. Rivieren, beken, sloten en kanalen mogen dus ook. Maar wie de Nederlandse geschiedenis kent, weet dat zoiets geen uitgemaakte zaak was. Zo idyllisch als het strandleven werd geschilderd door Jacob Maris, was de kust niet in de beleving van de Nederlander. Hij ging er varen, maar kon er niet van genieten. Kniertje is er het symbool van geworden, de zee geeft, de zee neemt.
    Voordat de duinen versterkt werden en de dijken werden aangelegd, was de zee een bedreiging. Een badcultuur ontbrak, niet alleen vanwege dat gevaar, maar ook vanwege het geloof. De zee was voor het gewin (de visvangst, de handel) en God zag dat het goed was, onder meer in Scheveningen en Katwijk. Het waren – opnieuw- de Duitsers die snakkend naar Freie Luft und Körperkultur de Hollandse stranden veroverden met het Kurhaus als pion.
    Kurhaus, kan het Duitser?
    Waarschijnlijk waren Nederlanders, gepokt en gemazeld door overstromingen en ondergelopen kelders, allang blij dat ze droge voeten hadden. Het oorspronkelijke landschappelijke verlangen stond dan ook gelijk met overlevingskunst, via de ontsnapping naar vluchtheuvels (terpen, dijken) of de ontginning van polders: geen natuurlijk gegeven waarover de Duitsers beschikten, maar veroveringen op het water. Het genot kwam pas na de verovering. Nederland is, anders dan Duitsland of Frankrijk, geen instant landschap – en dus lijken Nederlanders in de geschiedenis ook een andere houding te hebben ingenomen ten aanzien van het ommeland. Zodra het land op het water was veroverd, moest het worden bewaakt. Het is vaak gezegd: Nederland is een land van nut en noodzaak, met het meest kunstmatige landschap ter wereld, dat ook nog eens telkens opnieuw heringericht wordt. En dat vervolgens wordt gecultiveerd. Meer akkerbouw dan in heel Australië, de grootste bollenteelt ter wereld en alleen al in Brabant meer beesten dan mensen. Hoezo landschappelijk vermaak?
    Cruciaal in het verlangen naar een natuurlijke omgeving is het begrip veiligheid. Beheersing. Pas als een mens zich zeker weet en zich kan verweren tegen de grillen van de natuur, kan hij genieten. De Duitse Wanderer doet dat door zich een weg te banen door het (oer)woud, de Nederlander door te varen, en anders, bij vrieskou, te schaatsen. Het schip – of de schaats -, het zijn de Nederlandse symbolen bij uitstek waarop de omgeving werd en wordt afgestemd. Dat gebeurt door de aanleg van havens, steigers, vlonders, kades en een enkele pier, maar ook door ijsbanen die als rare ovale meertjes of weilandjes in het landschap liggen totdat ze ontwaakt worden bij -0. De lantarenpalen staan er net zo wezenloos bij als een skischans ‘s zomers in Finland. Zelfs de ovale vijver op het Museumplein in Amsterdam, doet aan dat spel mee, ’s zomers voor het pootje baden, ’s winters voor de ijspret. Zo haal je het platteland binnen. Al deze ingrepen in het landschap belichamen het ‘buitengevoel’ van Nederlanders, de wetenschap dat je kunt wegvaren of wegrijden uit een Mondriaanachtig landschappelijk patroon.
    De schuit, eerst het zeilschip, maar tegenwoordig het motorjacht en zelfs de woonboot, is daarom bij uitstek de metafoor voor het typisch Nederlands verlangen naar buiten, naar de vrijheid. En als dat niet over het water kan, over de weg, met de caravan. Geen land met zo’n hoge caravandichtheid als Nederland. Dat is Wanderlust op zijn Hollands, waarvan de mooiste beelden opduiken uit de jaren zestig, toen de welvaart eindelijk voet aan wal had gezet in de lage landen. Dan zie je families neerstrijken met de pas verworven Daf langs de snelweg om te picknicken in de berm. Stoeltjes uitgeklapt, butagas ingeschakeld, auto’s kijken. Vermoedelijk bestaat er geen andere Westeuropeaan die dat zou doen, maar de Hollander deed en doet dat, niet onbegrijpelijk als de actieradius, anders dan in Frankrijk of Duitsland, klein is. Dan kan een berm al gauw een achtertuin zijn.
    Herkenbaar is die recreatie op kleine schaal. De cirkels die Nederlanders beschrijven bij hun recreatief genoegen zijn overzichtelijk. Voor architect Ben van Berkel, opgegroeid in Utrecht, was het luieren op de dijk van het Amsterdam-Rijnkanaal (geen strand) zijn ultieme jeugdervaring, zoals het voor vele jongeren uit de jaren zestig moet zijn geweest. En opvallend genoeg, geldt dat ook voor jongeren van nu die zich uitleven op stadsstranden, van Blijburg tot Strand aan de Maas in Rotterdam. Het verlangen naar buiten wordt gecompenseerd door een stedelijke behoefte, door instant-natuur. Dat gebeurt niet alleen in de Randstad maar ook in Parijs. De onderliggende gedachte is: als we het strand niet kunnen bereiken omdat we misschien de groepsleden uit het oog verliezen, halen we de zandbak naar binnen. Aan die behoefte voldoet ook de ijsbaan op het Museumplein. Stad en ommeland zijn in dit opzicht complementair.
    Terwijl de stedelijke verdichting toeneemt, is het opmerkelijk dat er toch mogelijkheden gevonden worden om in de stad ruimte te vinden om het buitengevoel aan te wakkeren. Ontwikkelaars zien kans huizen met tuinen of met patio’s aan te bieden – zoals met succes is gebeurd in het dichtbebouwde Borneo/Sporenburg in Amsterdam – of een nieuw fenomeen als daktuinen en –terrassen te scheppen. Zo kun je in het hart van Almere boven het winkelcentrum een totaal andere, onverwachte wereld aantreffen, een oase met groen en balkons. Je hoeft er niet meer op uit te trekken, het groen ligt aan je voeten: dit is van belang om de automobiliteit terug te dringen. Een ander stedenbouwkundig verschijnsel is de terugkeer van het water in de stad, het heropenen van gedempte grachten of de herontwikkeling van oude havengebieden. In Utrecht werd zo ten zuiden van het Jaarbeursgebied een fraai wooncomplex rondom een kanaal aangelegd: zo komt het ideaal van een bootje voor de deur of een strandje vlakbij dichterbij. Makelaars blijven het maar herhalen. Met een woning aan het water is de helft van het geld al verdiend.
    Natuurlijk hoort bij het verlangen naar buiten een tweede huis, en voor wie dat niet kan bekostigen, de caravan. Opmerkelijk is dat het tweede huis, tegenwoordig liever recreatiewoning genoemd, sinds een aantal jaren in omvang is toegenomen en een landelijke uitstraling moet hebben. Daarmee vergeleken hebben de paar vakantiehuisjes die Gerrit Rietveld na de oorlog ontwierp, het formaat van een openbaar toilet. En dat geldt in mindere mate ook voor de eerste bungalowparken van wat toen nog Sporthuis Centrum heette. Geschakelde bungalowtjes van kalkzandsteen waren het, met als grootst denkbare luxe een open haard.
    Door de toegenomen welvaart is de vakantievilla opgeklommen tot het lusthof zoals de buitenplaatsen van de elite dat in de 17e en 18e eeuw aan de Vecht of in het Gooi waren. Het verschil: de vakantievilla is gedemocratiseerd. De hedendaagse elite is dan ook al weer verder getrokken. Twintigduizend Nederlanders schijnen een tweede huis in Frankrijk te bezitten, waar ze zich te weer stellen tegen inbraken en soms buitenlanderhaat. En de horizon wordt verder gelegd, eerst Spanje, Portugal en Toscane maar nu zelfs Vietnam of Thailand. Het buitengevoel staat in dit geval gelijk met de afkeer van winter en regen, of is mogelijk een reactie op de overvolle Nederlandse steden. Een landschapsarchitect als Dirk Sijmons heeft in de tijd dat hij rijksadviseur was, gewaarschuwd voor ‘het op slot zetten van het platteland’. Geen burger kan of mag zwerven door het Groene Hart, veel boerenland is onbetreedbaar en hele stroken duin zijn afgezet met prikkeldraad – zie daar maar je vleugels uit te slaan op een warme zomerdag. Dat verklaart mede de trek naar het buitenland, waar hiking op minder belemmeringen stuit.
    Wie zich de afgelopen tien jaar een beeld wil vormen van de architectuur van de recreatieparken, kan van de ene in de andere verbazing vallen. Anything goes: Frans-meditteraans zoals in Port Zelande (Schouwen-Duiveland), gereconstrueerde vissershuizen (maar dan groter) in Makkum, Friesland, een kunstmatig Fries stadje (Esonstadt Dokkum) maar voornamelijk een eindeloze reeks boerderij-achtigen, waarvoor Wim Schippers ooit de passende naam boerderette heeft verzonnen. De zogenaamde boerderij is daarmee uitgegroeid tot rolemodel van het Nederlands buitengevoel, niet alleen op het platteland maar ook verankerd in menige Vinex-locatie, waar vrije kavels zijn uitgegeven. Als een fenomeen een populistisch antwoord is op het modernisme, is het wel de boerderette. Vreemd eigenlijk want zo lang is het niet geleden dat boerderijen en het boerenland werden afgedaan als onderontwikkelde aspecten van het Nederlandse landschap. En nog steeds is het boerenland geen pasklaar utopia, ontsierd als het wordt door megastallen, silo’s en ziektes. In de provincie Brabant bijvoorbeeld wordt het voor de stedelingen lastig om aan de verlokkingen van het buitengevoel toe te geven.
    Pas toen stedelingen eind jaren zestig van de vorige eeuw de potentie van een boerderij ontdekten, door ze te transformeren in ‘woonboerderijen, compleet met zitkuil, vide, plavuizenvloer en laaiende open haard, werd ze een begeerlijke ondersteuning van het ‘buitenleven’. Zowel geschikt voor woongroepen en communes als voor ondernemende kunstenaars en architecten. Gelukkig maar, anders waren veel historische hoeven verdwenen, waarvoor dankzij de schaalsprong in de agrarische industrie geen functie meer was. Symbool voor de erkenning van de woonboerderij is dan ook de aankoop door het Openluchtmuseum van ‘het optrekje’ van de voormalige staatssecretaris Cees van Leeuwen dat moest wijken voor de hogesnelheidslijn. Typerend voor de wooncultuur van de jaren zeventig, zo beredeneerde de directie dat besluit.
    Sinds een paar jaar hebben architecten een ander archetype ontdekt dat kan wedijveren met de boerderij, en wel de schuur. Eigenlijk komt die voort uit bittere noodzaak, omdat bestemmingsplannen op het platteland geen buitenissigheden toelaten. Het voordeel van de schuur is dat het in feite een casco is dat zich leent voor allerhande indelingen en dus gebruiksmogelijkheden. Kantoor aan huis, een apart gastenverblijf, een woongroep voor ouderen, er zijn al enkele zeer uiteenlopende nieuwe schuren op het platteland verrezen, vaak in hout uitgevoerd, soms met een rieten dak. Wat de woonboerderij was voor de jaren zeventig, zou de schuur wel eens de hype van dit millennium kunnen zijn.
    Naar buiten willen we, omdat de stad door de verdichting drukkender op het gemoed zal werken. Een Duits Wanderlust zal de Nederlander zich niet toeëigenen, maar er gloort hoop. Door de aanwijzing van nieuwe nationale parken die anders dan de Hoge Veluwe meer georiënteerd zijn op het water – plas-dras-gebieden, opnieuw onder water gezette polders – kan de Nederlander zijn kano pakken. Of anders met lieslaarzen door lisdodden. Want dat hebben de Duitsers of de Fransen weer niet. Elk volk kiest zijn eigen buitenweg.

    Bronnen:
    Naar Buiten, Ileen Montijn, SUN 2001
    = Landschap, samenstelling Dirk Sijmons, A+N, 1998
    Het land in de stad, N. Tummers e.a. Thoth, 1997
    Ben van Berkel, interview Volkskrant Magazine, 20-3-2010
    Iedereen wil een schuur, J. Huisman, Vrij Nederland, 2005
    Huis in Frankrijk, Tracy Metz, NAI, 2010-03-23