Duurzame stedenbouw: fabels en mythes
Stad van de Zon mag dan de meest duurzame wijk van Nederland zijn, maar waar zie je dat aan?
18-01-2010 / artikelen
18-01-2010 / artikelen
Hij heeft zojuist in Amsterdam het congres toegesproken dat 40 jaar Club van Rome onder de loep heeft genomen en staat op het punt het vliegtuig te nemen, terug naar zijn vaderland Duitsland. Pas tegen kerstmis zou hij weer tijd hebben om zijn filosofie over duurzaamheid toe te lichten. Michael Braungart, met de architect William McDonough, heeft zich ontpopt als een handelsreiziger die de boodschap over de hele wereld uitdraagt, een boodschap die er grofweg op neerkomt dat ondernemingen, overheden en producenten op een heel andere manier moeten omgaan met grondstoffen, energie, sociale en materiële duurzaamheid, met recycling en sloop. Geleidelijk aan groeit het inzicht bij bedrijven, dat veranderingen mogelijk en zelfs noodzakelijk zijn, stelt hij vast. Ineens beschikt de Cradle to Cradle-filosofie over aanhangers en volgelingen, zoals het ingenieursbureau Haskoning en de gemeente Almere die de opzet van nieuwe wijken helemaal wil modelleren naar de C2C-gedachte. Braungart, opgeleid als scheikundige maar nu vooral procestechnicus, zegt met tevredenheid: Het gaat nu snel.
Kunnen nieuwe projecten als De Stad van de Zon in Heerhugowaard gerekend worden tot de C2C-trofeeen? Braungart aarzelt. Uiteraard kent hij de emissieneutrale wijk, maar mijn oordeel is dat die te veel leunt op een element, een onderdeel. Wat ik mis is een samenhangend of integraal concept. De Stad van de Zon mikt op het terugdringen van energieverbruik, terwijl het bij C2C om veel meer gaat. In dat opzicht lijken de ambities van Almere beter geslaagd.
Braungart geeft les aan de Faculteit voor Sociale Wetenschappen aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, een leerstoel die door de overheid voor een deel is bekostigd. Waarom in Rotterdam en niet in Delft? In Delft kom ik ook regelmatig hoor, en daar vormt het ook al een onderdeel van de lesstof, maar in Rotterdam kun je meer behandelen dan alleen architectuur, hoewel ik wel veel architectuurstudenten onder mijn gehoor heb. Verder heb ik ontwerpers, ingenieurs en managers, want C2C raakt aan kerntaken in de samenleving. Dat moet ook wel omdat de planeet te snel wordt uitgeput als we zo doorgaan. Theres no turning back.
Hoe kijkt hij aan tegen een materiaal als baksteen als bijdrage aan de duurzaamheid? Braungart is opvallend positief. Als er een bouwmateriaal is dat lang meegaat en ook kan worden hergebruikt is het wel baksteen. Maar ik plaats ook een kanttekening. De productie past niet in de C2C-gedachte. De steenovens zorgen voor te veel cO2-uitstoot, ze belasten het milieu. We moeten onderzoeken hoe dat anders kan, want dat is nu beslist een nadeel. Zijn er andere recepturen denkbaar, andere productiemethoden? Eenmaal uit de oven is er niks met baksteen, vindt hij. Het is een rijk materiaal, het is ook duurzaam in zijn beleving. Het is reversible. We doen nu onderzoek met Mosa in Maastricht of we ook keramiek kunnen hergebruiken. Er bestaat veel goede wil en we boeken progressie. Ook dat is zon onderneming die nu open staat voor de C2C-filosofie.
En dan vraagt de vlucht op Schiphol zijn aandacht. Maar voor dat zover is, de vraag of C2C niet heel erg missionarische trekken heeft? Moeten de gebruikers daadwerkelijk alle onderdelen toepassen willen ze de goedkeuring v an Braungart krijgen? Hij lacht. Nee, zo perfectionistisch zijn we niet. Ik ben zelf ook niet perfect. Ik sta immers op het punt het vliegtuig in te stappen, wat strikt genomen niet zou mogen. Je kijkt naar de samenhang van elementen, en soms heb je aan vijf aspecten al voldoende. Het kernwoord is diversiteit. Probeer een problematiek vanuit verschillende invalshoeken te bekijken en onderzoek wat je nodig hebt om je einddoel te bereiken. Hoe diverser hoe beter, omdat je we geleerd hebben dat een oplossing en een koers niet zaligmakend zijn.
Voordat Michael Braungart en William McDonough in Nederland onthaald werden als nieuwe denkers over duurzaamheid, probeerde hoogleraar Kees Duijvesteijn aan de TU Delft studenten bij te brengen hoe je milieutechnisch ontwerpen zou kunnen integreren in stedenbouw en architectuur. Bovendien was Duijvesteijn, nu met emeritaat, een veel gevraagd deskundige op dat gebied in nieuwbouwwijken over heel Nederland. Nieuwland in Amersfoort, de wijk voorafging aan Vathorst, was zo ongeveer zijn baby. Duijvesteijn: Er was geen plan, voorstel of tekening dat niet door mijn handen is gegaan. Nieuwland moest state of the art worden als het ging om duurzaam bouwen. Alle woningen op de zon georienteerd, de daken voorzien van zonnepanelen en een balans tussen rood en groen, dat was de fillosofie van Nieuwland. De architectuur, zegt Duivesteijn was geïnspireerd op het Witte Dorp in Eindhoven. Om dat voorbeeld goed na te volgen, besloot de stedenbouwkundige gekeimde stenen toe te passen, een witte verflaag die mineraliseert met en op de ondergrond van baksteen.
Dat ging goed op een blok na, waar de aannemer besloot stenen van Boomse klei toe te passen. Duijvesteijn dacht met een begrip van doen te hebben, klei uit Boom, totdat hij erachter kwam dat in het betreffende gat afval uit Nederland was gestort. De muren begonnen zo te werken dat de keim een vlekkerig patroon begon te vormen. Ik geloof dat ze alles weer hebben moeten afbreken.
Het streven naar duurzame stedenbouw zou in de ogen van Duivesteijn consequenter en ambitieuzer moeten zijn. Wat mij altijd verbaasd heeft is dat alle kennis die we hebben verzameld in Nieuwland, niet is voortgezet in Vathorst. Daar wilde de gemeente weer opnieuw beginnen en was het nieuwe speeltje warmterugwinning en een gesloten ventilatiesysteem. Het is, zoals we inmiddels weten, een mislukking geworden, die volgens Duijvesteijn te wijten is aan een slechte begeleiding van de bewoners en het feit dat dergelijke technieken niet goed in het ontwerp zijn meegenomen. Als die ventilatoren geluiddempers hadden gekregen, was er misschien niets aan de hand geweest. Nu draaiden de bewoners ze terecht uit.
Over de Stad van de Zon heeft Duijvesteijn gemengde gevoelens. Ook daar was hij als adviseur aanwezig totdat hij in aanvaring raakte met stedenbouwkundige Ashok Bhalotra. De nadruk lag te eenzijdig op de zonne-orientatie, op een aspect, terwijl Duijvesteijn juist aanhanger is van een integrale benadering: people, planet, prosperity. Die fout maakt de politiek ook altijd, dat ze focust op een aspect, terwijl duurzaamheid niet hetzelfde is als energiebesparing.
Hij laat een lijst zijn van onderwerpen die allemaal raken aan duurzaamheid, dat reikt van gezondheid tot werkgelegenheid in een wijk, van mobiliteit tot groenvoorziening, van veuiligheid tot een goede afvalregeling. Wat het laatste betreft stuitte hij bij Nieuwland op een onverenigbaarheid. Dan was de woning heel mooi in het water gebouwd en gericht op de zon, maar moesten de bewoners de kliko-bak voor de deur zetten. Was het esthetisch effect bedorven.