• Boer zoekt schuur, maar burger ook

    De schuur beleeft een kleine zegetocht in Nederland: past goed op het platteland en maakt de geest vrij

    03-11-2009 / artikelen

  •  
    • De 'Dinxperloods' bij Aalten van K-2
    • Landgoed Drakenburg van Nieuw Nederland Architecten
    • Drakenburg bij nacht

    Jan-Richard Kikkert herinnert zich nog goed de scepsis die heerste bij de eerste kennismaking met de handelaar in tweedehands landbouwmachines uit Dinxperlo. Of een Amsterdams architectenbureau wel in staat was een schuur in Dinxperlo, het uiterste puntje van de Achterhoek, te ontwerpen. Die weerstand was, toegegeven, ook veroorzaakt door gehannes buiten de schuld van de architecten om. Johan Hoftijzer, de eigenaar van een landbouwmechanisatiebedrijf, had een jaar lang van onderhandelingen en procedures achter de rug met de provincie, nadat hij zijn plannen had ontvouwd om een schuur voor zijn landbouwmachines in het landelijk gebied te bouwen. Ze stonden maar weg te roesten op het erf, en daar gaat dan je handel. Omdat de provincie Gelderland de regels voor bebouwing had aangescherpt, was er een patstelling gerezen. Zomaar een schuur bouwen was er niet (meer) bij. Hoftijzer was genoodzaakt een architect in de arm te nemen. Dat waren ze in Dinxperlo niet gewend. Een schuur bouwde je zelf en als je het zelf niet kon, was er altijd wel een handige neef of bevriende aannemer.
    Verschenen daar Jan-Richard Kikkert en Judith Kurpershoek (samen Architectenbureau K2 vormend) aan de tafel. De provincie had hen voorgedragen omdat ze waarschijnlijk feeling hadden voor het bouwen op het platteland. Op een muisgrijze waterkoude dag in december laten Kikkert en Kurpershoek de bewijzen daarvan zien in Amsterdam-Noord waar ze kantoor houden op de bovenste verdieping van een schamel torentje uit de jaren zestig. De kou wil maar niet wijken uit de tekenzaal, waar Judith de foto’s laat zien van een complex ouderenhuisvesting in Lemele, Overijssel. Ook dat is, goedbeschouwd, een schuurachtig gebouw, dat harmonieert met de bosrand erachter. Niet dat de ouderen daar automatisch als een blok voor vielen. Wonen in een schuur, het zou wat, werd er gemopperd. K2 had een gevoelige snaar geraakt: schuren zijn voor gereedschap en dieren, niet voor mensen.
    Een klassieke opdracht, zo omschrijven Kikkert en Kurpershoek de verhouding tussen K2 en Hoftijzer. Een vraag, een antwoord, en een inspraakbijeenkomst met het groepje onderhoudsmonteurs. Dat ging als volgt: aan de mannen werd tijdens de koffie gevraagd wat ze van de plannen vonden en vervolgens werd er, zo zegt Kikkert, flink op geschoten. Waar ze moeite mee hadden, was dat het voor hen te precies was. ‘De monteurs zijn gewend voertuigen met blikschade te repareren, ze houden van improviseren. Komen wij daar met liggers van 30 meter lengte die op de millimeter nauwkeurig passen.’

    Hellingbanen

    Een gedeputeerde had voorgesteld om de reusachtige schuur in de grond te verzinken, maar dat leek Jan-Richard geen goed idee. Dan heb je lange hellingbanen nodig om de machines in en uit te laten rijden en ontstaan er sleuven in het land, die misschien nog meer ontsieren. Beter was het de schuur op een plaat beton te verankeren, met een enorme schuifdeur als toegang die je bij wijze van spreken met een vinger kunt openduwen. Die schuifdeur was niet zo voor de hand liggend. Judith: ‘Boeren zijn tegenwoordig gewend aan overheaddeuren die met afstandsbediening onder het plafond rollen. Wij vonden een schuifdeur mooier en beter. Die kan je op een kier zetten. Met roldeuren krijg je gaten in het volume.’
    Wat er niet doorkwam, was het gebruik van hout in de gevel. ‘We hebben ze alle soorten schuren op een excursie laten zien, maar aan het slot van het liedje bleef het commentaar onveranderd: geen hout. Hout vonden ze hopeloos ouderwets. Geprofileerd staalplaat, dat wilden ze, omdat de andere boeren dat ook hebben en het beter te onderhouden is. Daar richt je een keer per jaar een straal water op. ’ K2 kan er nu wel mee leven, sterker zelfs, ze zijn ervan overtuigd dat staalplaat beter op zijn plaats is. ‘Je moet in landelijk gebied niet met opzichtige architectuur komen. Het gaat om een fatsoenlijke schuur waar de machines in passen.’ Dat zijn geen kinderachtige apparaten. Kikkert registreerde een gevaarte dat gelijkenis vertoont met een theaterinstallatie van de Dogtroep, een machine met banden van ruim twee meter omtrek die eenmaal op het land, zich zo kan uitspreiden, dat het gewicht wordt verdeeld en hij niet in de bodem kan wegzakken. Dat soort machines staan er in de ‘Dinxperloods’, naast oude vertrouwde verschijningen als combines, rooi- en pootmachines.

    Folkloristisch

    Dat schuren architectonische objecten kunnen zijn, daarover had niemand tien jaar geleden een gedachte bij. Kikkert en Kurpershoek verbazen zich er eigenlijk over: alsof de ene opgave architectonisch zou zijn en de andere niet. Maar goed, de praktijk leert dat een schuur het handwerk van de boer is, en die schakelt steeds vaker over op silo’s, loodsen of loopstallen. Architectuur houdt op bij de stadsrand, een enkele villa voor een welgestelde pionier daargelaten. Elke romantische notie lijkt bovendien verdwenen: de zwart geteerde houten schuur met zijn gepotdekselde planken is een relikwie voor het Openluchtmuseum in de categorie folkloristische bouwsels. Langzamerhand is de Nederlander ermee vertrouwd geraakt dat het platteland een verloren paradijs is geworden, overgelaten aan de witte schimmel, windmolenparken en horizon vervuilende silo’s rondom boerderijen. Verbazingwekkend genoeg blijkt de schuur als typologie aan een kleine revival bezig, misschien niet direct voor agrarische doeleinden, maar als autonoom atelier buiten de woning of als retraiteplek. In november vorig jaar werd de loftrompet gestoken over de schuur bij de boerderij van Ed Nijpels, commissaris van de koningin in Friesland. Die zou vanwege zijn goede akoestiek prima geschikt zijn voor (kamer)concerten. Nijpels, uit op enige levendigheid in het gehucht waar hij woont, was niet te beroerd de stallen ter beschikking te stellen aan de musici.
    De herwaardering blijft niet beperkt tot het platteland. In de Eilandenbuurt in Almere-Buiten experimenteerde Laura Weeber van het bureau Made met een langwerpige, met hout beklede woning, waarin met enige fantasie een schuur in valt te ontdekken. En ook in Leidsche Rijn duiken varianten op, waardoor de conclusie valt te trekken dat de aandacht groeit voor een vernacular-achtige (streekgebonden) bouwstijl. Zo lijkt een stukje erfgoed te worden hersteld in een tijd dat dagelijks boerenbedrijven moeten sluiten en zelfs worden afgebroken.

    Vee en mensen

    Spijtig, vindt Alex van de Beld, een van de partners in het Groningse bureau Onix, want het scherpe contrast tussen rood en groen, tussen hoeven en landerijen, is misschien nog het enige charmante in het verder bedorven Nederlands landschap. Van de Beld en zijn compagnon Haiko Meijer hadden al eerder een herkansing voor de schuur gezien. ‘Het is een architectonische ruimte die tot diverse soorten gebruik uitnodigt. Ik heb een hekel aan het woord multifunctioneel, maar in feite leidt overmaat tot allerlei mogelijkheden.’ Er is nog een aspect waar Van de Beld niet direct aan had gedacht. Op het platteland herbergt de schuur van oudsher werken, wonen, maar ook vee en mensen onder een dak, een huis clos in een open landschap. Terwijl mensen weer op zoek zijn naar gemeenschapszin in een tijd van vervreemding kan de schuur uitkomst bieden als bastion.
    Onix is schuurdeskundige, zoals dat heet. Het bureau bracht vorig jaar een catalogus uit met de veelzeggende titel Schuurpapier: vijf vel geschikt voor het schuren van schuren. Op de achterkant van het papier een rijtje schuren die onder de vlag van Onix het leven zagen, waarvan twee genomineerd voor de houtprijs van dat jaar: een ‘multifunctionele’ schuur in het Drentse Noordlaren en een ecologische zorg- en kinderboerderij in het naburige Haren.
    Het voordeel van een schuur is dat er een van alles wat-programma op losgelaten kan worden, zegt Van de Beld in het kantoor van Onix, dat qua bijzonderheid kan wedijveren met dat van K2. Onix is gehuisvest in een deel van het Helpman-openluchtzwembad van Groningen. De schuur in Noordlaren bijvoorbeeld dient als agentuur voor een kledingbedrijf, als terras maar ook als caravanstalling. Dat veelzijdige gebruik was overigens niet de reden om voor het type schuur te kiezen. Van de Beld: ‘Zo konden we de kavel helemaal volbouwen. Noem het onze verdichtingstrategie van het platteland. Alles is, terecht overigens, zo in bestemmingsplannen verankerd en wordt zo onder een vergrootglas bekeken, dat je niet veel speling hebt. Wil je een kavel volbouwen, zoals in Noordlaren, dan is de schuur het meest aanvaardbare middel, ook als erfafscheiding. Dat stoort het minst.’
    Belangrijker nog dan een fysieke ruimte is de schuur volgens Van de Beld een mentale ruimte, te vergelijken met kelders en kappen. De hoogte en de leegte maken de geest vrij. Misschien om die reden vroegen vrienden om een schuur achter hun huis aan de oever van het Spaarne in Haarlem waarin ze een atelier konden houden of gewoon, dichtbij de natuur, een boek konden lezen. Wezenlijk is het dat om een autonoom, los staand gebouw gaat, waarin men een eigen leven kan leiden. Voor een dergelijke kleine opdracht haalt Onix zijn neus niet op. Integendeel, het stelt het bureau in staat te experimenteren. ‘De basis van ons werk is onderzoek, we zijn een soort laboratorium. Kleine dingen zijn de opmaat voor grotere gebouwen. We spelen met de inhoud en het programma. Dat het dan nog niet automatisch tot het perfecte gebouw leidt, is niet bezwaarlijk. Misschien maken we wel nooit het perfecte gebouw. Als je maar zo dicht mogelijk bij je zelf blijft en je wilt ontwikkelen’, heeft Van de Beld bedacht. Toen Onix nog maar net begon, stelden de oprichters Van de Beld en Haiko Meijer geinspireerd door de Deense filmers zijn eigen Dogma-manifest op, toegespitst op het bouwen in het open land. Eerlijke vormen, eerlijke materialen en meer van dat soort spelregels. Dat geeft je paradoxaal genoeg een zekere vrijheid totdat het moment komt dat je de regels van je afschudt, zodra ze niet meer bevallen. In zekere zin hebben Von Trier en de zijnen dat ook gedaan.

    Schuine kap

    Typerend voor de schuur is de schuine kap en de wisselwerking van open en dicht. Geen hooischuur zonder kieren, zegt Van de Beld, anders ontstaat er kans op hooibroei. ‘Ventilatiekieren, die maken de ruimte in de traditionele schuur. Zo bereik je lichteffecten in een verder donkere ruimte, krijg je het spel van streepjes licht die binnenvallen.’ De kieren in de eigentijdse schuur zijn dunne glasstroken in de wand of houtlamellen op de kop van het gebouw. Voor de Dinxperloods van K2 was de hoekrichting van het dak bepalend. Kurpershoek: ‘Als de hoek minder dan 30 graden is, is het net een varkensstal. Die associatie mag dus niet. Als het dak weer te steil is lijkt het op een boerderij. Je probeert wel een beetje aan te sluiten bij de plattelandsarchitectuur in dat gebied.’ Die is in dat deel van de Achterhoek niet rijk. De historie is er een van betrekkelijke armoe, een groot verschil met de luxe in het Groningse Hogeland of de kop-hals-rompboerderijen in Friesland.
    Een knieval voor eventuele folklore wilden ze niet maken. Onix introduceerde daarvoor de term ‘vreemd vertrouwen’, de combinatie van plaatselijke en onbekende elementen. Letterlijke citaten zijn ook voor K2 niet aan de orde. Het bureau weigerde witte windveren, de plank tussen kap en gevel, toe te passen. ‘Dan zie je een afschuwelijke schuur met een witte lijst. Men zei dat dat streekgebonden was, maar we ontdekten dat het niet zo is. Ooit was het een technisch middel om lekkages te voorkomen, dat is uitgegroeid tot een versiersel. We zoeken naar een abstractieniveau waar het letterlijke niet meer inzit. Daardoor ontstaat een gebouw dat klopt en dat er met recht kan staan.’
    Onix gebruikte larix, K2 zwart staalplaat. De zwarte geribbelde plaat moest bevochten worden, omdat antraciet op het platteland meer geliefd is, maar dat deed K2 te veel aan bejaardenvloerbedekking denken. Zwart is de juiste kleur om het volume en de schaal te benadrukken, vindt Kurpershoek, want de Dinxperloods mag er qua omvang zijn. Hij meet 30 bij 60 meter, een niet weg te cijferen object in het coulissenlandschap. Stoer en toch niet macho. Larix, het Nederlandse antwoord op het tropisch hardhout, heeft het voordeel dat het verkleurt. Een gevel op de zuidkant wordt op lange duur pikzwart. Van de Beld: ‘Kijk maar naar de schuren in de Alpen, die zijn helemaal zwart. Daar verloopt het proces door de UV-stralen sneller dan in Nederland.’ Hout is nog op een andere manier attractief. Je kunt het constructieproces er makkelijk aan aflezen, en het roept een informele sfeer op. ‘Je hoeft het niet te perfectioneren.’ En vooral bij een schuur gaat het om iets simpels, een onaf bouwwerk, dat niet met de hoofdletter A van architectuur is geschreven. Beter goede confectie dan slechte couture – dat adagium lijken zowel Onix als K2 te onderschrijven.
    De vingeroefeningen van Onix op het platteland zijn niet ongemerkt gebleven. De gemeente Zaanstad vroeg de Groningers een wijkje van 24 woningen te ontwerpen. Niet verrassend kwamen Van de Beld en Meijer uit op het houten Zaanse huis als inspiratiebron. ‘Het nadeel is dat ze op palen staan en eigenlijk te klein zijn. Wie wil er nog zo’n klein huisje? Wat we gedaan hebben is het volgende: we geven de mensen twee huizen onder een kap, die samen 150 procent meer kuub hebben dan een standaard Vinex-huis. Daarvan is het voorhuis ingericht en blijft het achterhuis oningevuld. Kale muren, gelamineerde dakspanten, een houten geraamte, ook nog geen isolatie: dat laat de gebruiker vrij om te gaan pionieren.’ Dat is een bijkomend voordeel van het schuurconcept, vindt Van de Beld. Je hoeft je minder te bekommeren om details en je voorkomt dat de mensen nog eens zelf een schuur in de tuin plaatsen die het stedelijk beeld zal verstoren.

    Subtiel

    Ook in de landbouwmachine-loods spelen details nauwelijks een rol, en als ze het al doen, zijn ze heel subtiel, zoals de asymmetrische stand van de kolommen en het licht dat via een transparante strook eterniet op de machines valt. Er moet zo makkelijk mogelijk gemanoeuvreerd kunnen worden, daar was het allemaal om begonnen.
    Die scepsis tegenover Amsterdammers die een schuur kwamen bouwen is weg, hebben Kikkert en Kurpershoek ondervonden. ‘Eerst kijken ze je van top tot teen aan met zo’n blik ‘wat kom je hier doen?’. Een jaar later zijn ze je beste vrienden en kom je niet meer weg.’ Van de Beld droomt ooit nog eens een Ikea-concept uit te voeren. Dat je een prachtig bouwpakket van hout bestelt, dat je per container van 6 kuub krijgt aangeleverd en dat je zelf met vrienden en kennissen in elkaar timmert. Eigenlijk is dat de bouwmethode die al eeuwen op het platteland in ere wordt gehouden.