Grandeur van Paleis op de Dam nu zichtbaar
Resultaat restauratie is goed voor vele loftuitingen
10-08-2009 / artikelen
10-08-2009 / artikelen
Negentiende eeuw ontmoet zeventiende eeuw: in die geest is de recente restauratie van het Paleis op de Dam uitgevoerd. Terwijl het Empire-meubilair de glamour van het koningschap belichaamt, blijft daarnaast het stadhuiskarakter overeind: je zou zelfs kunnen stellen dat de twee gebruiksfuncties en sferen elkaar versterken. Toch was het in eerste instantie natuurlijk het huis van de Amsterdamse burgerij, dat blijkt uit opschriften, wapens en schilderingen. Een palazzo publico waar men binnenwandelde, gesprekken voerde, waar recht gesproken werd, waar gehandeld werd en politiek werd bedreven. In feite was het een verlengstuk van de Dam alleen dan overkapt en winddicht, en vooral representatief van aard. Dat representatieve karakter wordt nu niet alleen belicht door de voorname vertrekken maar ook door de inrichting met Empire-meubilair en gereconstrueerde Doornikse tapijten. Daarmee heeft het paleis vermoedelijk weer net zon warme en voorname uitstraling als het in de periode 1808-1810 was toen Lodewijk Napoleon en zijn vrouw (die slechts een aantal weken) er woonden.
Dat het architectonisch ontwerp van Jacob van Campen wel het achtste wereldwonder is genoemd, is, gezien zijn strikte symmetrische plattegrond, geen overdreven benaming. Nu ondersteunt het interieur het predikaat. Het paleis uit 1655 kan als Gesamtkunstwerk wedijveren met het Venetiaanse Dogenpaleis of het Louvre in Parijs, ook allemaal symbolen van wereldlijke macht, maar met dit verschil dat het gebouw in eerste instantie een bestuurlijk en juridisch centrum was. En veel meer dan dat.
Het was rechtbank, huis van bewaring, wisselkantoor, Raad voor de Kinderbescherming, kunstgalerij en militair hoofdkwartier. Vooral verbonden met de Amsterdamse bevolking en een belichaming van de sterke positie van de stad in de Gouden Eeuw ten opzichte van het Haagse regeringscentrum. Het bewijs dat Amsterdam destijds het welvarendste en invloedrijkste gewest was. Het stadhuis is daarmee ook een symbool van de samenstelling van de Republiek waar de zeven provinciën de macht gelijkelijk verdeelden en geen stad op papier de machtigste mocht of kon zijn. De facto was Amsterdam dat natuurlijk wel.
Bruyt, daar t al om danst en die, zo fier en rijck. Op haeren schoonsten dagh op t kussen zit te prijck. Dat was het lofdicht dat Joost van den Vondel, dichter des vaderlands, uitbracht op het stadhuis toen het eenmaal klaar was in 1655. Nou ja klaar, er barstte na de Spaanse overheersing weer een oorlog uit met de Fransen en de Engelsen zodat er pas later een extra verdieping kon worden opgezet en de laatste grote plafondschildering, die van de Burgerzaal, kon worden voltooid. Toen was het al 1706. In dat opzicht herhaalt de geschiedenis in Amsterdam zich: verbouwingen of projecten duren lang, decennia soms. De metrolijnen in de stad, de bebouwing van de IJ-oevers, er zijn voorbeelden te over. Maar als het eenmaal is voltooid, staat er ook wat, een schepping die als het om het Paleis op de Dam gaat, met name toeristen uit de hele wereld de mond doet openen. Want zij stromen toe. Amsterdammers nee, die lopen er hoofdzakelijk aan voorbij, denkend dat het een vast onderdeel van de binnenstad is, een meubelstuk op de Dam.
Dat heeft voor een deel te maken met het ongenaakbare en wat afwerende exterieur dat door de tand des tijds is vergrijsd, en door het ontbreken van een fatsoenlijke voordeur. Maar wie naar binnen gaat, had niet kunnen vermoeden hoe groots, licht, ruim en monumentaal het paleis is, hoe rijk versierd ook. Daarmee volgt Van Campen het gebruik in de 17e eeuw zie de Amsterdamse grachtenhuizen waar doorgaans de rijkdom aan de binnenkant zit en nauwelijks aan de gevel. Pronken doe je binnen. Wand- en plafondschilderingen, beeldhouwwerk, Italiaans wit marmer, cassettenplafonds, het wemelt ervan in de huizen op de Herengracht maar in overtreffende trap in het Paleis op de Dam.
Nog steeds is het onbegrijpelijk dat zon gebouw er halverwege de 17e eeuw kon komen. Immers, de Spaanse bezettingstijd siste nog na, de rust was in Nederland niet neergedaald want er woedde op dat moment in alle hevigheid de eerste oorlog met de Engelsen. De plannen voor een nieuw stadhuis lagen al ter tafel in 1640 en met de bouw daarvan was al begonnen, toen plotseling het bestaande stadhuis van Amsterdam (naast de Nieuwe Kerk) afbrandde. De bouw kwam dus onder grote tijdsdruk te staan.
En gering was het niet wat de vroedschap had verordonneerd: een ontwerp door Van Campen om een stadspaleis van grote allure te ontwerpen op een plek aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Een vrijstaand gebouw ook nog eens, een unicum in Amsterdam, waar de gegoede burgerij zij aan zij woont. Daarvoor werd een heel blok huizen gesloopt alsof er een puzzelstuk uit de Amsterdamse plattegrond werd gelicht, zo laat de maquette op de benedenetage in het paleis zien. Tegelijk werd de hele Dam, voordien een rommelig plein, leeg geruimd, op de Waag na die in het hart stond. Het stadhuis is daarmee de stedenbouwkundige bekroning van een getransformeerd stadsplein dat sommigen vergelijken met het San Marcoplein in Venetie.
Het stadhuis ontpopte zich tot het grootste gebouw ter wereld volgens een strikte symmetrische plattegrond met de statige Burgerzaal in het hart van de hoofdverdieping. Dat moest het spectrum van de Amsterdamse democratie worden met aan de kant van de Dam zalen voor de bestuurders waaronder de Burgemeesterskamer en bijna 100 meter ertegenover de rechterlijke macht in de Schepenzaal. Anderhalve eeuw later, sinds Lodewijk Napoleon, zouden in deze zaal twee tronen onder een baldakijn staan. Maar toen was het uiteraard geen stadhuis meer.
Duizenden arbeiders waren in touw om de droom van het Amsterdamse stadsbestuur te realiseren, onder leiding van Van Campen. In 1657 zou hij overlijden zodat hij in feite maar kort heeft kunnen genieten van zijn schepping. Maar de contouren en perspectieven van het gebouw stonden vast, een architectuur geïnspireerd op de Vitruviaanse uitgangspunten. Duurzaam zouden we het nu noemen. Een heel leger kunstenaars werkte mee aan het project. Artus Quellinus (Quellijn) houwde de beelden van Griekse goden uit Italiaans marmer, hoewel het pronkstuk wel de Atlas is die de wereldbol torst. Ferdinand Bol schilderde, Govert Flinck, Jan Lievens en Jacob Jordaens ook, echter niet Rembrandt: het schilderij van Claudius Civilis van hem aan de zuidoostkant van de Burgerzaal werd door het stadsbestuur afgekeurd. Het hangt tegenwoordig in Stockholm. Alom tegenwoordig lijkt Jacob de Wit, fameus om zijn witjes, grisailles schilderijen in verschillende grijstinten en plafondschilderingen met eindeloze perspectieven en illusies. Ook in kunstzinnig opzicht is het Paleis op de Dam een vertoon van smaak en rijkdom uit de 17e eeuw. Dat Amsterdam neigde naar megalomanie in die tijd, bewijzen de wereldkaart en het sterrenstelsel op vloer en in het plafond. Dit was een stad die wilde laten zien dat het de wereldzeeën beheerste en niet terugdeinsde voor de bestorming van het heelal.
Merkwaardig is de combinatie van functies, afleesbaar aan de in marmer uitgehakte voorstellingen boven de deuren. Politiek, rechterlijke macht en geldzaken gingen hand in hand in een gebouw. Maar de trias politica van Montesquieu moest dan ook nog worden uitgevonden. De vier burgemeesters, die voor een jaar benoemd werden, zetelden aan de Damkant, de thesaurier (een vroege minister van Financiën) in een hoekkamer tegenover de Kalverstraat, secretarissen aan de kant van de Paleisstraat, terwijl in de vertrekken langs de Nieuwezijds Voorburgwal de advocaten, procureurs, schepenen en schouten (een combinatie van officier van justitie en commissaris) hun intrek hadden genomen.Aan de kant van de Nieuwe Kerk werden faillissementen uitgesproken in de Desolate Boedelkamer, mooi gesymboliseerd door een Icarus boven de deur, wiens vleugels van was smolten naarmate hij dichter bij de zon vloog. Op de hoek van de Nieuwezijds/Nieuwe Kerk bevonden zich twee Rekenkamers, in de andere hoek lag de Weeskamer. De zogeheten weesmeesters oefenden toezicht uit op alleenstaande kinderen, voor wie een plaats in het weeshuis werd geregeld.
In de Justitiekamer, gelegen in het middenrisaliet aan de Damzijde, werd een gevangene ter dood veroordeeld. Hier ligt onder een nieuw Doorniks tapijt het zwaard in de marmeren vloer verstopt. De veroordeelde kon daar een laatste gebed uitspreken en vervolgens het stadhuis verlaten, op weg naar het schavot op de Dam waar de galg het vonnis in het openbaar zou bekrachtigen.
Een gevangenis was het stadhuis ook: in de onderaardse kerkers konden veroordeelden hun straf een tijdje uitzitten. Lodewijk Napoleon liet deze ruimtes tot wijnkelder verbouwen. Zuur en zoet, de overgang tussen cel en wijndepot was abrupt.
De rechtbank zelf, de Vierschaar, is het indrukwekkende beeldrelief naast de ingang op de begane grond, ook van Quellinus. Via een venster konden de burgemeesters vanuit hun kamer toezicht konden houden op de rechtspraak in het benedenvertrek. Vanuit die burgemeesterskamer loopt een langwerpig vertrek langs de voorgevel, de zogeheten pui of afleesplaats waar beschikkingen, besluiten en vonnissen aan het volk op de Dam kenbaar werden gemaakt.
Waar de gasten van de koningin slapen, de derde etage, was in de 17e eeuw de kantoorverdieping en de plaats waar gildes hun kamers hadden, maar waar ook de krijgsraad vergaderde. Hier moet Frans Banninck Kock, hoofdpersoon van de Nachtwacht hebben rondgelopen. Een etage hoger, nu fraai opgeknapt voor het paleispersoneel, was een klein wapenarsenaal met zo ongeveer elk denkbaar wapen waarmee de vijand te lijf kon worden gegaan. Weer terug op de tweede verdieping is een interessant vertrek de kamer voor Huwelykse Zaken, die in de volksmond de Krakeelkamer heette. Daar werden huwelijken gesloten en verbroken, daar schelden echtparen elkaar de huid vol vanwege overspel of mishandeling. Rembrandt schijnt hier een keer te hebben moeten verschijnen.
Maar begin 19e eeuw was dit bestuurspakhuis te klein voor het groeiende ambtenarenapparaat in de stad. Stadhuis werd paleis. Bovendien had Lodewijk Napoleon zijn oog op dit optrekje in Nederland laten vallen. De hoekkamers veranderden in slaapkamers, nu schitterend gerestaureerd met nieuwe gespikkelde wandbespanningen in vier kleuren. Lodewijk Napoleon gaf de Amsterdamse stadsarchitect Ziesenis de opdracht er een balkon aan toe te voegen dat in 1937 weer werd versmald. Het is het enige stuk waarmee het paleis zich naar buiten toont: dit is de plek waarop koninginnen kwamen en gingen, waarop een koninklijke kus werd gepresenteerd en waarop Churchill in 1946 een sigaar stond te roken.
Op dat moment had het paleis een onbekend maar roerig hoofdstuk in zijn bestaan net achter de rug. Nog niet zo lang geleden is onthuld dat een Joodse arts in het paleis verscholen zat met zijn bouvier en anderen zochten er hun toevlucht, terwijl de Duitsers van niets wisten. Opzichter Adriaan Perfors woonde er vanaf 1939 in de voormalige conciërgewoning op de hoek van de Nieuwezijds/Paleisstraat. Ze verborgen het kostbare zilver onder een trap, maar ook de kroningsmantel en de troon. In 1943 kostte het Perfors nog grote moeite de Duitsers op afstand te houden die wel belangstelling hadden het paleis als hoofdkantoor te benutten. Niet te verwarmen, zo ontmoedigde hij hun voornemen. (En zo was het ook, tot in de jaren dertig waren turf en kolen voor de kachels niet aan te slepen). In het laatste jaar van de oorlog overnachtten ook jongeren in het paleis om de razzias van de Arbeidseinsatz te voorkomen: tien tot vijfentwintig sliepen op veldbedden in de Schoutskamer. In april, een maand voor de capitulatie, werd Willemijn Perfors in het paleis geboren, vernoemd naar de koningin die op dat moment in Engeland zat.
Wilhelmina zelf is terug in het paleis, net als vele Willemen, allemaal op schilderij uit koninklijk bezit die schitteren in de Weeskamer en de Vroedschaps- of Raadkamer. De jonge Wilhelmina prijkt tussen het Empire meubilair, een stijl die Lodewijk Napoleon naar Nederland importeerde en hier werd uitgevoerd. Op oudere leeftijd is Wilhelmina gespot op het dak. Een van de mooiste fotos uit de geschiedenis van het paleis is de koningin die met haar schildersezel op het dak zit te schilderen, de Atlas van Quellijn binnen handbereik. Wat schilderde ze? De Nieuwe Kerk, de Dam?
Lodewijk Napoleon was er een paar jaar gelukkig, zijn vrouw kon niet tegen het Nederlands klimaat en de stinkende gracht en zo is er sinds 1655 een kleurrijke geschiedenis ontstaan rond een van de trofeeën van de Nederlandse architectuur. Een stadhuis/paleis dat zich ontvouwt in ontelbare verhalen.