• De Zuidas is een concert van ego's

    Waaron het prestigeproject van Amsterdam een interessante mislukking genoemd kan worden

    18-01-2010 / documenten

  •  
    • De jury (Arend Hilhorst vooraan) beraadslaagt in Amsterdam
    • Een van de binnenhoven van het Westerdokseiland

    Is de stad en met name de binnenstad bezig aan een herovering van de publieke waardering? Afgaande op cijfers van de Nederlandse Vereniging van Makelaars lijkt dat beslist het geval: verloren de steden de afgelopen decennia stelselmatig inwoners aan ‘slaapsteden’ en Vinexwijken, de laatste paar jaar is een terugkeer naar de stad waarneembaar, althans in de gebieden waar de vergrijzing nog geen gaten in de demografische bevolkingssamenstelling heeft geslagen. Als deze revival van de binnenstad zich doorzet, is er sprake van een historische breuk – want de steden zijn decennia lang alleen maar teruggegaan in inwonertal. Stedelingen trokken naar satellietsteden als Zoetermeer, Nieuwegein of Hoorn, en de afgelopen tien jaar naar Vinexwijken met als grootste Leidsche Rijn (Utrecht) en Vathorst (Amersfoort).
    Helemaal onbegrijpelijk is deze omslag niet. Immers, de bouwopgave in de meeste Vinexwijken is zo goed als afgerond en heeft bovendien een knauw gekregen door de kredietcrisis waardoor er veel minder woningen zijn gebouwd dan was gepland. Er was dus niet eens een behoorlijke doorstroming mogelijk. Daarnaast zijn juist in en aan de rand van de binnensteden oude havengebieden, rangeer- en industrieterreinen blootgelegd die een garantie blijken voor hoogwaardige woonmilieus. Want hier spelen ontwikkelaars en gemeenten in op de behoefte aan voorzieningen (gezondheid, cultuur) in samenhang met andere waarden die het woongenot verhogen, zoals bereikbaarheid, privacy en woningoppervlak. Had de stad een paar decennia nog een bedenkelijke reputatie vanwege zijn te kleine, te dure en te weinig flexibele woningen, de afgelopen tien jaar hebben ontwikkelaars en woningcorporaties het roer drastisch omgegooid. Er zijn ruime appartementen gebouwd, met royale buitenruimtes of gelegen rondom min of meer besloten binnenhoven. Parkeren is bijna als vanzelfsprekend in het programma opgenomen.
    Voor vitale ouderen, maar ook jonge tweeverdieners, is hiermee een waardig alternatief geschapen voor het wonen in de slaapstad. Wat meespeelt bij de herwaardering voor de stad is dat er klaarblijkelijk een makkelijke combinatie gevonden kan worden voor wonen en werken. Met de komst van de zzp’ers (zelfstandige zonder personeel) is een werkruimte aan huis geen uitzondering meer maar een gegeven. Vergaderen of het ontvangen van opdrachtgevers kan in nieuwe complexen bij stations (Regardz in Den Haag en Amsterdam of De Tijd in Utrecht) die een deugdelijk antwoord vormen op het fileleed. Steden zijn zo op weg duurzame steden te worden, waar onnodige mobiliteit zo veel mogelijk is uitgebannen. Waarschijnlijk speelt dat aspect de Vinexwijken ook parten: er klit een onafzienbare rij auto’s samen die ’s ochtends en ’s avonds de wijk in of uitmoet. Er zijn gevallen bekend van burgers die om die reden Almere maar weer de rug hebben toegekeerd en zijn teruggegaan naar Amsterdam-Zuidoost omdat de rijtijden van woning naar werk (Schiphol of het AMC bijvoorbeeld) te lang werden. De compacte stad plukt hier zijn vruchten van.

    Onafheid

    Geeft de Neprom-prijs van 2009 een getrouw beeld van deze demografische veranderingen? In zekere zin wel. Dat geen enkele Vinexlocatie door een gebiedsontwikkelaar is ingezonden, is veelzeggend. Vier jaar geleden bij de eerste editie van de prijs was dat nog verklaarbaar omdat de wijken nog heen en weer zwenkten tussen zandwoestenij en voltooid woonerf, in 2009 is die onafheid niet langer een excuus. Grote delen van Vathorst, Leidsche Rijn en IJburg zijn klaar – en ze hoeven zich doorgaans niet te schamen voor de kwaliteit. Er is, zo laat de eind 2008 gepubliceerde Vinex Atlas zien, een topprestatie geleverd door in betrekkelijk korte tijd zulke uiteenlopende woonwijken uit de grond te stampen, waar de architectuur een nieuwe richting is ingeslagen. Stedenbouwkundig mag er hier en daar veel op aan te merken zijn – met name vanwege de ontsluiting en onheldere structuur -, architectonisch zijn de wijken een reactie op de eenvormigheid van de jaren zeventig en tachtig.
    Desondanks geen Vinexwijk op de groslijst voor de Nepromprijs. Daarentegen wel binnenstedelijke gebieden, winkelcentra en enkele herstructureringswijken. Dat spoort met de speerpunten die in de jongste architectuurnota zijn aangegeven. De ministeries van VROM en OCW geven immers aan dat de komende jaren de nadruk moet worden gelegd op herbestemming en de herontdekking van de stedenbouw als – verwaarloosde - discipline. Met name herbestemming of herontwikkeling moet gaan voorzien in de behoefte aan woningen, waarvoor nu oude terreinen worden blootgelegd. Dat zijn vergeleken met complexen uit het verleden veel omvangrijkere stedelijke gebieden. In Ede bijvoorbeeld ligt het reusachtige terrein van de voormalige Enkafabriek braak in afwachting van woningbouw, bij Leiden vlassen ontwikkelaars op de vrijkomende landingsbanen van het opgeheven vliegveld Valkenburg. Ze zullen ooit geheide nominaties zijn voor een Nepromprijs.
    Maar nu zijn het de Dobbelmanfabriek in Nijmegen, het Las Palmas-pakhuis in Rotterdam, Katendrecht in Rotterdam en de Zaanse Chocoladefabriek, die een gooi deden naar de prijs. Stuk voor stuk zijn het voorbeelden van hoeken in de stad, die met toegangspoorten en hekken van het openbare leven waren afgesloten. Van Dobbelman wisten de omwonenden alleen dat het op zomerdagen kon sneeuwen op straat, wat dan rondstuivend waspoeder was. Van de Zaanse fabriek snoof de omgeving de alles doordringende geur van cacao op – een eerste klas hoofdpijn veroorzaker.
    De industrie is allang verkast naar lage lonenlanden en dus grijpt een samenleving die nu in het teken staat van de diensteneconomie, haar kans: machinehallen of directiekantoren, ze veranderen in appartementen, grand cafés of cultuurpodia. Ze zijn de reden dat mensen terugkeren naar de stad, ze zijn voor degenen die in de stad zijn blijven wonen, voertuigen voor al dan niet fraaie herinneringen. Dobbelman is daarnaast het bewijs dat de metamorfose van een waspoederfabriek in een wooncomplex (met ruimte voor mindervaliden) de katalysator kan zijn voor verbetering van de hele wijk. Van een ‘arbeiderswijk’ is de wijk Bottendaal opgeklommen tot een middleclass-omgeving, zeer geliefd bij jonge gezinnen.

    Malls

    Maar de afgedankte en nu gerevitaliseerde industrie- en haventerreinen zijn niet de enige tekenen van de vernieuwde stad. Terwijl in Frankrijk, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten nog steeds de tendens bestaat om reusachtige shoppingmalls in de weide aan te leggen, blijven de ontwikkelaars in Nederland gericht op het centrum van de binnenstad. Kennelijk heeft dat nog steeds potentie, een ambitieus plan om in de buurt van Tilburg zo’n mall aan te leggen, ten spijt. Van Kerkrade tot Hardenberg, van Maastricht tot Tilburg, is er de afgelopen jaren gewerkt aan verbetering van het kernwinkelgebied. De aanleidingen zijn divers. De binnenstad is te klein en het areaal dient te worden vergroot (Maastricht) of de bestaande situatie was hard aan upgrading toe, zoals in Geleen en Tilburg is gebeurd. Het betreft de projecten die zijn ingezonden voor de Nepromprijs, meestentijds ‘jonge steden’, die de laatste decennia een transformatie hebben ondergaan. Ook hier werden fabrieken gesloten, ook hier waren wonden geslagen in de binnensteden.
    Hardenberg mag dan op papier een ‘oude’ stad zijn dankzij zijn stadsrechten uit de middeleeuwen, een brand heeft het centrum in de 19e eeuw zo verwoest dat het Hardenberg als het ware opnieuw moest worden uitgevonden. De recentelijk voltooide Markt is de wederopstanding, of liever gezegd, de heruitvinding van een stadshart. Zo is dat ook het geval bij het Pieter Vreedeplein in Tilburg, een stad die in feite al een decennium bezig is zichzelf te vernieuwen – de onvoltooide symfonie van Nederland als het om stedenbouw gaat.
    Dat is geen eenvoudige opgave. Wie A zegt moet B zeggen, wat het gevaar met zich meebrengt dat het een binnenstad uit zijn evenwicht haalt. De Koopgoot in Rotterdam mag dan een geslaagde interventie zijn geweest in het modernistische grid van Lijnbaan, het heeft diezelfde Lijnbaan de wacht aangezet. Gemeente en ontwikkelaar studeren nu al een tijdje op een vervolg richting het voormalige Ter Meulenwarenhuis dat de sfeer en aankleding van de Koopgoot moet overnemen. Dan ligt het in de lijn der verwachting dat de Lijnbaan weer een stukje verder afsterft.
    Het Spuikwartier in Den Haag, ook ingezonden voor de Nepromprijs, illustreert diezelfde ambivalentie. Natuurlijk was de Grote Markstraat aan de beurt na injecties in het Haagse centrum als stadhuis/bibliotheek en het Lucent-theater aan het Spui, de meningen over de nieuwste toevoegingen zijn verdeeld. Zijn dergelijke megablokken passend in de klassieke Haagse binnenstad? Is de straat wel een gezellige winkelstraat waar het goed flaneren is? Net als Tilburg en Rotterdam lijkt Den Haag bezig zich elke vijf jaar opnieuw uit te vinden en komt de vraag op: wanneer is het goed en wanneer is het klaar?

    Eenzijdigheid

    Anderzijds zijn dergelijke binnenstedelijke ingrepen het bewijs dat een winkelhart van binnenuit vernieuwd kan worden en dat een stad niet op zijn lauweren kan of moet rusten. Het zijn tekenen van geloof en kracht in de stad, klaarblijkelijk is het toch het magnetisch veld dat de omgeving aantrekt. Maar met welke middelen doen ontwikkelaars dat, met nog meer Blokkers en H&M’s, met het zoveelste nieuwe stadskantoor? Het is in een eerder verband, door de vorige directeur van het NAi, Aaron Betksy bijvoorbeeld, wel gesignaleerd, dat de Nederlandse binnenstad lijdt aan een slaapverwekkende eenvormigheid als het gaat om aanbod en uitstraling. Ben ik in Hoogeveen of in Geleen, wie zal het zeggen? En het antwoord van de gemeente en investeerder zal zijn, dat de gemiddelde consument nu eenmaal een gemiddeld en voorspelbaar aanbod behoeft. Het is de 21e eeuwse variant van ‘wat de boer niet kent….’

    Wat dat betreft kan het streven van de gemeente Maastricht om de aanlanding van de Wilhelminabrug – die je met gemak ooit een stedenbouwkundig verkeersongeluk kon noemen – te transformeren tot een nieuw promenadegebied met een nieuw type winkelaanbod, bepaald ambitieus genoemd worden. Twee sterarchitecten, Jo Coenen en Bruno Albert, werden aan het werk gezet voor een bijna onmogelijke opgave: een verkeerskundige ingreep, een reeks nieuwe winkels, een handjevol appartementen, een parkeergarage en een stadskantoor. Mosae Forum, zoals het project heet, is een illustratie van de ambitieuze stad die het onderste uit de kan wil halen om zijn fraaie binnenstad een nieuwe flank te bezorgen.
    Het is mislukt.

    Mosae Forum is een commercieel debacle en architectonisch gezien een hybride verschijnsel: van alles een beetje en een beetje van alles. Maastricht, dat een food plaza à la de Parijse Hallen heeft nagestreefd, zit al na twee jaar met een uitgestorven souterrain waar de kreeften niet meer dood, laat staan levend worden aangetroffen.

    Duurzaam

    Mislukkingen of fouten zijn niet erg, daarvan kun je leren om het de volgende keer beter te doen. Maar gevreesd moet worden dat het in Maastricht een onomkeerbaar proces is, dat Mosae Forum over betrekkelijk korte tijd overnieuw gedaan moet worden. Dat staat haaks op de duurzame stad-gedachte. De clou ligt in de clichébegrippen ‘lat’ en ‘ambitie’. De gemeente heeft zich verslikt in zijn meer-en-meer-ambitie, die ertoe leidt dat het programma allengs ingewikkelder is geworden en de functies steeds meer divers. De polsstokhoogspringer die de de sprong waagt, ziet de lat van de houders aftuimelen en de medaille aan zijn neus voorbijgaan. De gemeente zit zoals dat zo plastisch heet, ‘met de gebakken peren’.
    De gefnuikte ambitie lijkt het leitmotiv van de Nepromprijs 2009, want als een project er ‘op papier’ veelbelovend uitzag, was het wel Mosae Forum. Misschien wat al te massief, maar dan nog een waardevolle toevoeging aan de pittoreske binnenstad.
    Hetzelfde dilemma kleeft aan Mahler IV, het hart van waarschijnlijk wel het meest ambitieuze project van Nederland: de Amsterdamse Zuidas. Kredietcrisis of niet, het wil maar niet sprankelen in dat overgangsgebied tussen Zuid en Buitenveldert. De spreekwoordelijke optelsom van een plus een maakt drie komt in Mahler IV niet uit, maar misschien is die constatering nog te vroeg omdat de Zuidas voorlopig nog niet klaar is. Desondanks is het project, zoals het is ingezonden niet hoopgevend. Afgezien van dubieuze transacties die de glans van het project hebben afgehaald, is de samenballing van toparchitecten met toparchitecten nog geen garantie voor een afwisselend en levendig stadsdeel. Net als in Maastricht rommelt het programma. De voormalige supervisor van Mahler IV, Pi de Bruijn, was overtuigd van een mengeling van ‘high and low’, van een gewoon Amsterdam naast een witteboorden-gemeenschap, omdat ook de gemeente hier sterk op had aangedrongen. In de praktijk is Mahler IV een Amsterdamse variant op de Londense City geworden, beheerst door internationale advocatenkantoren en accountants. In de plinten van de kantoorkolossen moet het leven nog gaan beginnen – waarmee Mahler IV een typische 9 tot 5-wijk is.

    Ligt de lat te hoog, zijn de verwachtingen te hoog gespannen? Het voorlopige antwoord is ja, hoewel de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het niet eenvoudig is een compleet nieuw centrum te stichten, een centrum waarvan de kern ook nog eens afhankelijk is van de beslissing om sporen en snelweg ondergronds te leggen.

    Veelzeggend is dat een belangrijke onderneming als TNT voor zijn hoofdkantoor is uitgeweken naar Hoofddorp omdat de aanleg van het dok voor sporen en wegen is vertraagd. Er is kennelijk te veel concurrentie tussen A-locaties in de regio-Amsterdam wat absoluut de Zuidas fnuikt. Had de overheid bijtijds een keus gemaakt tussen de locaties waar internationale ondernemingen zich concentreren, dan zou het proces vermoedelijk anders zijn gelopen. Nu is het een wijk die niet alleen een programma zoekt, maar ook nog eens hart. Wie er niet werkt, heeft er niets te zoeken.

    Flexibel
    Hoewel het anderzijds prijzenswaardig is dat ontwikkelaars en bestuurders hoog inzetten, kunnen er lessen geleerd worden uit het verleden dat flexibele aanpassingen in het proces soms heilzaam kunnen werken. In feite is dat gebeurd met de ontwikkeling van de IJ-oevers in Amsterdam, begin jaren negentig nog als een majeure opgave op de kaart gezet, maar na verloop van tijd al in partjes opgeknipt. Het resultaat is een kralensnoer langs het IJ, waar de delen van het sieraad meestal glanzen en een enkele keer dof blijven. De winnaar van de Nepomprijs 2009, het Westerdokseiland, is zo’n parel die is opgedoken uit zee en die aan land gebracht, glanst. Ook hier lagen de ambities hoog en was de samenwerking van verschillende consortia gecompliceerd. Zoveel woningen bijeenbrengen in zo’n grote dichtheid, en dat in de nabijheid van wegen en sporen, was vragen om een nieuw stedenbouwkundig verkeersongeluk. Dat het er niet van is gekomen, is te danken aan de kennelijke beheersing van de operatie, die van een voormalig rangeerterrein een interessante nieuwe woonwijk heeft gemaakt.
    Ambities kunnen dus toch worden waargemaakt.
    Dat is niet louter een grootstedelijke aangelegenheid. Ook op kleinere schaal, zoals in Hardenberg en Tilburg, werkt het als een voortvarende bestuurder met een gedreven ontwikkelaar een plan tot een goed einde brengt. Hardenberg hoeft natuurlijk niet zo nodig zijn eigen Mahler IV, en Tilburg is geen equivalent van het Westerdokseiland, waar het om gaat is dat men op een sympathieke manier een element aan de binnenstad heeft toegevoegd. Dat hoeft zich dan niet altijd te vertalen in ‘jaarboekarchitectuur’ zoals in Hardenberg, of in een bijzonder winkelaanbod (Tilburg), wat overtuigt is de doortastendheid waarmee in beide gevallen het stadshart is opgepoetst.
    Stedenbouw is een proces van lange adem. Het is bovendien een speelveld waarop vaak van spelers gewisseld wordt. De bezielende ‘vaders’ van het eerste uur hebben na enkele jaren plaatsgemaakt voor meer ongeïnspireerde partijen, die het project desondanks tot een goed einde moeten brengen. Dat is de kunst van (binnen)steden maken. In de tussentijd bestaat het gevaar dat de scherpte uit de opgave verdwijnt, of dat men vergeet de plannen nog eens te toetsen aan de oorspronkelijke ambitie. Waar ging het ook al weer om, en hoe verhoudt het streven zich met het einddoel? Is het project uit de rails gelopen door megalomane gedachten, of juist afgekloven, bijvoorbeeld door effecten van de kredietcrisis? Het zijn de sleutels die leiden tot al dan niet geslaagde gebiedsontwikkeling.

    What you see is what you get. Het zijn de artist’s impressions of de luchtopnamen die in dit verband vaak vertroebelend werken. Een veelgehoorde klacht van architecten is ‘dat de leuke dingen uit een project zijn wegbezuinigd’, waardoor het gebouw minder betoverend is geworden dan het op papier heeft geleken. Het is opmerking waar je in de praktijk niet zoveel mee kunt, omdat die is zoals die is – zie Mosae Forum of Mahler IV. Met die werkelijkheid zal een stad moeten leven. Anderzijds zijn die enthousiasmerende beelden ook nodig om een project vleugels te geven. Naast ambitie bestaat er ook nog zoiets als verbeeldingskracht. Je moet, zeker in economisch moeilijke tijden, geloof in een ontwikkeling hebben, in herbestemming of in nieuwbouw. De sterke deelnemers in het veld van de editie van de Nepromprijs 2009 zijn er het bewijs van. Aan enthousiasme heeft het in ieder geval de ontwikkelaars, corporaties en bestuurders niet ontbroken om de Nederlandse stad vitaal te houden. Dat er dan af en toe een lat niet gehaald wordt, is jammer. Als de mislukte sprong maar aanzet tot een nieuwe geslaagde sprong in de toekomst.