Nu de Amsterdamse Zuidas steeds meer vaste vorm krijgt, wordt geleidelijk aan duidelijk wat het gebied vooral niet is. Het is niet de zoveelste voorstad van Amsterdam, het is zeker niet zomaar een invuloefening tussen twee stadsdelen en het is als je rondloopt over het Mahlerplein geen nine to five-wijk, te vergelijken met de Londense City, waar het licht in de kantoren tegen de avond uitfloept. Het heeft inmiddels ook de status gepasseerd van een knooppunt van infrastructuur.
De ambities wijzen dan ook een heel andere richting uit. De Zuidas is de concurrentie aangegaan met andere Europese forums, zoals de Potsdamerplatz in Berlijn, Orestad in Kopenhagen/Malmo of The South Bank in Londen. Alleen al vanuit dat perspectief bezien ontstijgt de Zuidas de Amsterdamse en zelfs Nederlandse schaal, omdat het de vestigingsplaats is of kan worden voor global companies, grote advocatenkantoren en financiele instellingen die gewend zijn de wereld als hun speelveld te beschouwen.
Maakt het wat uit waar een internationale onderneming haar hoofdkantoor neerzet? Zeker wel: de footloose-tendens verliest snel aan betekenis. Dat komt door de snel stijgende energieprijzen waardoor de kosten van transport steeds zwaarder gaan wegen, maar ook doordat ondernemingen de behoefte hebben zich te binden aan een plek. Men wil een adres hebben met een identiteit, niet zomaar terugvallen op een onvindbaar en anoniem callcenter. Dat adres is bovendien een middel om personeel aan het bedrijf te verbinden dat ook vraagt om een plek. Act local in a global world is daarom al een jaar of tien een opgave voor mondiale ondernemingen; het bewijs voor die stelling werd in de zomer van 2008 opnieuw geleverd door de voorspelling dat nota bene op Europese schaal een centraal gelegen stad als Utrecht grote groeikansen heeft, op de voet gevolgd door Amsterdam. Dat komt door de combinatie van verkeersknooppunt en de levendige plaatselijke economie, in Utrecht de dienstensector en in Amsterdam de financieel/zakelijke sector met een uitstraling richting de kunst en de ICT.
VOC
Dat het zover met de Zuidas in iets minder dan vijftien jaar tijd heeft kunnen komen, komt door de gelukkige omstandigheid van de nabijheid van Schiphol (zeven minuten reistijd), door de economische bloeiperiode in de late jaren negentig en het besef bij de politiek dat een dergelijk project alleen van de grond kon komen door publiek-private samenwerking. Groot denken met andere woorden het is iets wat in Nederland vermoedelijk hooguit in de VOC-tijd met succes is beproefd. In dat opzicht is de overeenkomst tussen de Zuidas en de grachtengordel treffend: beide hebben/hadden internationale ambities, in beide gevallen werd de stad kavelgewijs ontwikkeld en in relatief korte tijd.
Het vermogen tot groot denken vertaalt zich in de grootschaligheid van de stedenbouwkundige opzet en in een architectuur die steeds gedurfder wordt. Terwijl de markante torens van vooraanstaande architecten zich aaneenrijgen, wordt er streng gewaakt over de kwaliteit van de openbare ruimte. Pleinen en straten krijgen vorm zodra er een nieuwe toren is opgeleverd. Waar de bouw in volle gang is, scheiden beschilderde bouwschuttingen de bouwput af van de openbare ruimte. Het virtuele museum leidt met billboards de aandacht van de bezoeker af. Je krijgt daardoor nergens het gevoel in een work in progress te verblijven, anders dan in Rotterdam bijvoorbeeld, waar de onrust en onafheid voortdurend voelbaar is. Dat moet ook wel. Geen zichzelf respecterende internationale onderneming wil haar relaties ontvangen in een door bouwkranen overheerste omgeving. Er moet een virtuele rode loper klaarliggen vanaf het station naar de ingang of vanaf de parkeergarage naar de receptie.
In dat opzicht heeft de Zuidas geprofiteerd van mammoetprojecten die eerder van start zijn gegaan, zoals La Defense in Parijs, de Docklands in Londen en de Potsdamerplatz in Berlijn. De transformatie stelde de leefbaarheid op de proef en al helemaal toen de werkzaamheden ten gevolge van een economische inzinking stokten. Met name de Docklands kende begin jaren negentig een aarzelend begin waar een enkel postmodern gebouw probeerde stand te houden in een onherbergzame zandvlakte.
Fout
Een latere ontwikkeling heeft dus haar voordelen. Supervisor van de Zuidas, stedenbouwkundige Pi de Bruijn, noemt een ander aspect waarvan het belang later tot hem doordrong. De fout die bij La Defense is gemaakt, is dat het een wijk zonder woningen is geworden, stelde hij bij zijn verkenning vast. Ook in andere internationale bouwprojecten ligt de eenzijdigheid van de werkstad op de loer. Eigenlijk is alleen de Potsdamerplatz vergelijkbaar. Die heeft dan ook als referentie gediend met zijn mengeling van kantoren, bioscopen, horeca, winkelcentra en appartementen. Een langgerekt park dient daar als compensatie voor de straat, zodat het nieuwe hart van Berlijn leeft en gonst. Het gebrek aan woningen in La Defense maar ook in de Docklands wordt door urban planners gezien als de grootste mislukking, vandaar de bijna verbeten ambitie om de Zuidas op te tuigen met een breed programma: 42,5 procent kantoren, 42,5 procent woningen en 15 procent voorzieningen. Waarmee het gebied opnieuw een afspiegeling wil zijn van de Amsterdamse binnenstad.
Berlage en Van Eesteren
Met terugwerkende kracht is het onvoorstelbaar dat de groenstrook ten zuiden van de A10 niet eerder tot ontwikkeling is gebracht. De voetbalvelden en tennisbanen tussen de Ring en de Boelelaan lagen als het ware te wachten om te worden wakker gekust, niet door sporters maar door stedenbouwkundigen. Architect Berlage had het belang van dit gebied al gezien. Hij tekende in zijn plan voor Amsterdam-Zuid op het einde van de Minervalaan een station dat een bekroning van die noord-zuid-as zou vormen. Dat was de gedroomde situatie rond 1920. Toen veertig jaar later Buitenveldert op de tekentafel verscheen, hield stedenbouwkundige Van Eesteren eerbiedig afstand. Buitenveldert zou een ander karakter krijgen dan het Zuid van Berlage: meer open, een sterke afwisseling tussen hoog- en laagbouw, een wijk met plantsoenen en singels. Van Eesteren negeerde de Minervalaan als ruggengraat door de stad. Die liep dood op het talud van ringweg en de in de jaren tachtig geopende spoorlijn.
De invulling van de Zuidas kan daardoor worden opgevat als het herstel van een missing link, het verbinden van twee van elkaar afgekeerde stadshelften. Zoals het Damrak de logische promenade voor het Centraal Station vormt, zo moet de Minervalaan in de optiek van Pi de Bruijn uitgroeien tot de strategische as vanaf het nieuwe station Zuid-WTC. Dan moet het talud van de Stravinskylaan worden gesloopt, want dat blokkeert de zichtlijnen tussen noord en zuid. De Bruijn ziet de laan als een Avenue Louise, de sjieke allee in Brussel, waar winkels van belangrijke modeontwerpers een plaats kunnen krijgen, afgewisseld met goede restaurants, delis en fitnesszaken. De Minervalaan en de Debussylaan richting de Vrije Universiteit zouden Amsterdam eindelijk de shopping allure moeten bezorgen die de stad in de ogen van het buitenlandse bezoek node mist. De PC Hooftstraat en de Beethovenstraat, maar dan een slag luxueuzer en rijker.
- Het liefst had De Bruijn deze oprijlaan voor Zuid bekroond gezien met een markant gebouw van eigen hand, de Amsterdam Arch, waarvan tot 2005 nog tekeningen bestonden. Maar de exploitatie van een dergelijk omvangrijk complex was zo onzeker dat de financiers het niet aandurfden: de meer bescheiden Amsterdam Symphony rondt dat deel van de Zuidas nu af. Natuurlijk is het voor de samensmelting van Zuid en Buitenveldert beter als de kabel van wegen, metro en spoorlijn ondergronds worden gelegd, waardoor de Minervalaan visueel doorloopt naar het Mahlerplein, maar de vraag is of de kosten opwegen tegen de stedenbouwkundige voordelen.*
Bij de Dienst Ruimtelijke Ordening zijn de planologen ervan overtuigd dat het dok onafwendbaar is, omdat de hogesnelheidstrein er vroeg of laat toch zal aankomen en vertrekken. Bovendien vraagt het internationale karakter van de Zuidas om een representatief station een eenvoudige overkapte halte steekt dan in ongunstige zin af bij de architectonische kwaliteit in de omgeving.
De bebouwing van het dok kan desnoods in een latere fase aan de orde komen, als het gedeelte tussen de ring en de Boelelaan (straks Boelegracht) is voltooid en het nieuwe hart op Zuid zijn potentie laat zien. Eigenlijk twijfelt niemand aan het succes van de Zuidas gezien de ingredienten die worden ingezet: de culturele voorzieningen, de hoogwaardig aangeklede pleinen en straten, de waterbekkens als reservoir voor het hemelwater maar ook als spiegeling van de kantoren en woningen en de plannen om een deel van de Vrije Universiteit het stadshart in te trekken. Dat moet uiteindelijk de katalysator zijn voor een tweede of misschien wel derde fase aan weerszijden van het station dat net als de metro en het autoverkeer onder het maaiveld verdwijnt.
Van regionaal naar internationaal
Dat de torens van de Zuidas pas nu uit de grond schieten en met deze kwaliteiten, past in het streven naar een nieuwe stedelijke identiteit. De tijd was er rijp voor, en niet uitsluitend in Amsterdam. In de jaren tachtig concentreerde Amsterdam zich op de regio door de woningbouw te verspreiden over de Haarlemmermeer, Almere en Purmerend. Men vergeet wel eens dat in die periode geleidelijk aan het geloof in de binnenstad werd herwonnen na een somber tijdperk waarin speculatie en leegstand de sfeer bepaalden: kantoren trokken weg naar nieuwe bedrijfslocaties en verpaupering sloeg toe. Nadat krakers de misstanden in de vastgoedwereld aan de kaak hadden gesteld, durfden huurders en kopers voorzichtig terug te keren. Eerst de grachtengordel maar later ook de 19e eeuwse volksbuurten knapten zienderogen op. Het is niet gewaagd te veronderstellen dat de Zuidas pas tot wasdom kon komen, zodra de restauratie van de monumentale binnenstad flink op dreef was. Toen de ABN Amro besloot zijn versnipperde kantoorvoorraad op te geven en zijn hoofdkantoor te bundelen in Mahler 4, wist de gemeente het zeker. Dit moest de Zuidas wel een impuls geven. Er was uit die begintijd een minpunt te bedenken: de gemeene heeft de kans gemist het gebied een treffende, aansprekende naam te geven.
Die nieuwe stedelijke identiteit is geen typisch Amsterdams verschijnsel. Overal in historische Europese steden krijgen afgedankte havenbekkens, rangeerterreinen en fabriekscomplexen een herbestemming. Wat Amsterdam tot voorbeeld zou kunnen dienen is het ambitieuze Hafen City in Hamburg waar naast de Speicherstadt een voormalig entrepotdok met majestueuze pakhuizen nieuwe kantoor- en woontorens elkaar afwisselen met binnenhavens als blauwe parken ertussen. De architectuur is spectaculair eigentijds, de kades zijn fraaie esplanades om te flaneren en rond te hangen.
De Zuidas en Hafen City hebben met elkaar gemeen dat ze inspelen op een nieuwe stedeling die prijs stelt op royale appartementen, restaurants in de plint van hun toren, creches die 24 uur open zijn, een concertzaal om de hoek en een monumentale binnenstad binnen handbereik. Die binnenstad is, hoe graag we dat misschien anders zouden willen zien, het mekka voor de (buitenlandse) toerist geworden. Prognoses wijzen op een verdubbeling van het aantal toeristen in de komende tien jaar, zodat er meer hotels nodig zullen zijn: beduidend meer hotels. De hoge dichtheid van de bebouwing in Hamburg en de Zuidas is geen bezwaar voor de nieuwe stedeling, hebben sociaal geografen aangegeven, want men heeft geen tijd om een tuin of een ruim dakterras te onderhouden. Degene die op de Zuidas besluit te wonen, doet dat in eerste instantie vanwege de (goede) verbindingen en een zekere anonimiteit het buurtgevoel blijft voorbehouden aan de oude stad. Het hoeft geen verbazing te wekken dat de Zuidas vooral geliefd zal zijn bij de kosmopoliet die gezien zijn leefstijl en werk hecht aan tijdelijke verblijfplaatsen.
In de geest, niet in uiterlijk lijkt de Zuidas op de oorspronkelijke grachtengordel. Immers in het klassieke grachtenpand combineerde de bewoner werk (handel drijven) en wonen op de beletage. Het achterhuis was de basis van het bedienend personeel. In de luxueuzere panden stalde men de koets achter de dubbele deur. De Zuidas is in feite het vervolg op die functies, parkeren onder de torens, het bedienend personeel vervangen door service en de representatie in de belendende kantoortoren. Was de grachtengordel de vrucht van de Gouden Eeuw en het geloof in de potentie van de stad, de Zuidas is een weerspiegeling van een nieuw elan uit het milleniumtijdperk. De stad, Amsterdam niet uitgezonderd, was niet populair in de jaren zeventig en tachtig, getuige de terugloop van de bevolking. De nieuwe toekomstverkenningen wijzen op een ander beeld. Het platteland zal verder vergrijzen en leeglopen, terwijl de Randstad kan rekenen op onverminderde aantrekkingskracht. Decennia lang lag in Amsterdam het accent op sociale woningbouw in grote hoeveelheden, en hoewel die nog wel nodig zal zijn, is duidelijk dat meer diversiteit het spectrum van de stad zal verrijken. Alleen al daarom hebben de eerste woontorens op de Zuidas meer dan louter een symbolische waarde.