• Liesbeth van der Pol over haar Rijksbouwmeesterschap

    'Ik heb the best of both worlds'

    10-11-2008 / artikelen

  •  

    Ze heeft een vel papier voor zich liggen met de onderwerpen waar ze aandacht aan wil besteden, zoals de belangrijkste projecten die haar de komende drie jaar te wachten staan. Rijksmuseum, geen geringe opgave, waarvan de verbouwing komende winter een keer zal beginnen; het Sint Hubertusslot, minstens zo interessant omdat landschap, architectuur en interieurarchitectuur met elkaar verweven zijn en vanwege de vraag hoe je dat monument brandveilig kunt maken. ‘Daarvoor heb je dus een ander soort architect nodig.’ Derde grote opgave de Hoge Raad en het debat hoe de nieuwbouw zal worden aanbesteed. En als laatste, misschien wel de belangwekkendste, het Internationaal Strafhof in Den Haag.
    Liesbeth van der Pol wrijft zich in de handen. Ze was amper Rijksbouwmeester of ze kreeg het ICC in de schoot geworpen. Geweldig vindt ze het, omdat ze mag meesturen aan een proces dat eind dit jaar een architect zal opleveren. Ze zit de jury voor. Over de kwaliteit van de inzendingen wil Van der Pol geen uitspraak doen. ‘Daarvoor is het nog te vroeg. Wat ik wel heb gezien is dat bij de architecten uit de Europese aanbesteding de crème de la crème van de wereld zat.’ Zo zijn er twintig passende gegadigden voor een zeer beladen project overgebleven, heeft ze geconstateerd.
    Want een beladen project is het. Er moet een betrekkelijk nieuw gebouw van Mecanoo voor worden afgebroken op het terrein van de Alexanderkazerne in Den Haag. Dat moet, is de stellige overtuiging van de Rijksbouwmeester. ‘Het staat op een defensieterrein. Het belangrijkste is dat mensen die daar straks naar toe gaan, troost vinden en gerechtigheid voor de trauma’s die hen zijn aangedaan. Daarin past het niet om met bestaande defensiegebouwen verder te gaan. Dat botst.’ Ze kan zich vinden in de steekwoorden die het ICC heeft meegegeven aan de architecten, dat het gebouw open moet zijn naar het publiek, ingetogenheid alsmede een troostende waarde kent, toegankelijk en dus niet de bekende gesloten vesting moet zijn. Terwijl het wel een goede beveiliging behoeft. Ga er maar eens aan staan. ‘Het is een van de moeilijkste opgaven voor een architect vanwege die combinatie van eisen en die tegenstellingen. Het moet nu juist anders dan het Vredespaleis geen macht uitstralen, nee. Dit moet recht doen aan het feit dat daders van dit soort misdrijven niet ontkomen aan hun straf. Recht doen aan wat scheef is gegaan. Het is de moeilijkste maar tegelijk mooiste opgave voor een architect.’
    En als er uiteindelijk een Amerikaanse architect wordt uitgekozen die het ICC mag ontwerpen, terwijl Amerika het niet heeft erkend, kan ze er toch mee leven. ‘Voor mij is de beste architect het belangrijkste. Die mag van all over the world komen. Het is nou eenmaal een internationaal object.’

    Expertise

    Per week groeit ze in het ambacht van Rijksbouwmeester. Ze prijst de omstandigheid dat ze is omringd door medewerkers met zoveel expertise, wat maakt dat je niet in het diepe wordt gegooid. Haar voorganger Mels Crouwel werkte Liesbeth van der Pol uitgebreid in, omdat al in een vroeg stadium bekend was dat zij de functie op zich zou nemen. ‘Ik had dus de kans om met hem mee te lopen. Ondertussen kon ik ook mijn bureau (DOK Architecten) klaar stomen om het gedeeltelijk goed achter te laten.’ Ondanks de goede voorbereiding zat ze vanaf dag een tegen een berg dossiers aan te kijken waarvan ze niet goed wist wat ze ermee moest. Van der Pol is als architect gewend van de hoed en de rand te willen weten, van draagconstructie tot dakrand bij wijze van spreken. Ze zag de dossiers dan ook als hard werken. ‘Vijftig dossiers lagen er op mijn kamer. De eerste week dacht ik: dit ga ik doen. De tweede week besloot ik ze terzijde te leggen. Ik heb ze tot een klein stapeltje teruggebracht en vertrouwde op de expertise van de medewerkers die hartstikke veel kennis hebben.’
    Van der Pol heeft nu – we spreken haar na 12 volledige werkdagen bij het atelier – redelijk overzicht, maar geeft toe dat nog niet alle projectgegevens in haar hoofd zitten. Hoeveel gebouwen staan er op stapel, hoeveel pps-constructies zijn er in voorbereiding, hoeveel monumenten heeft de Rijksgebouwendienst, dat zijn vragen waar ze nog antwoord op moet krijgen.
    Door de fusie van haar bureau met Blue Architects tot DOK, anderhalf jaar geleden, kon ze de stap maken naar het Rijksbouwmeesterschap. Van der Pol kan met een gerust hart een aantal projecten overdragen aan een architect met wie ze al lang samenwerkt.

    ‘Gelukkig heb ik de beschikking over een organisatie met goede projectarchitecten. Ik kan een stapje opzij doen. Ik ben net als Mels een bouwend architect en dat wil ik ook blijven. Dus op het bureau gaat het over details, over materialisering, heerlijk, en bij het atelier over plannen, tekeningen en beleid. Ik heb the best of both worlds. Vergaderen vind ik niet vervelend. Het goede van Mels is dat hij me heeft meegegeven meer naar buiten te gaan. Maak je zichtbaar, zei hij, en zorg dat je echt bij de bronnen zit en communiceert met stakeholders.’ In de aanloopperiode tot haar Rijksbouwmeesterschap heeft ze dat ter harte genomen. Ze sprak met projectontwikkelaars, aannemers, politici, dg’s en niet eens zoveel met architecten omdat ze die bloedgroep toch al kende. ‘Ze gaven aan wat hun agenda was voor de komende periode en vervolgens besloot ik dat zelf een kijkje moest gaan nemen.’

    Staat van het land

    Om een beeld te krijgen van de ‘staat van het land’ heeft ze de afgelopen zomer met haar man, de architect Herman Zeinstra, door het land gefietst, opmerkelijk genoeg met maar een dag regen. Ze wilde een eigen ervaring opdoen hoe erg het was met de verrommeling van het landschap die haar voorganger op de agenda had gezet. Het viel Van der Pol mee. Fietsend over de rivierdijken, langs uiterwaarden en door dorpen, kreeg ze juist de indruk van een landschappelijke idylle, en constateerde ze vooral dat de infrastructuur voor langzaam verkeer uitmuntend geregeld was. Maar dat is een ander, nog betrekkelijk gespaard Nederland dan het land dat zich van de snelweg laat bekijken. Daar zie je wel de treurige bedrijventerreinen die zich aaneenrijgen, en de weinig verheffende achterkanten van steden. ‘We hebben nog een hele weg te gaan. Mentaliteitsverbetering en instrumentaria zijn nodig. De overheid mag dan met het vingertje klaar staan om te zeggen wat wel en niet mag, maar dat is niet de methode. Aan de kant van initiatiefnemers en gemeenten moet ook gevoeld worden dat de manier waarop je je als stad presenteert aan de buitenwereld, wat vroeger het silhouet van een stad heette, ongelofelijk belangrijk is. Daarmee toon je niet alleen letterlijk je schoonheid maar ook je economische potentie.’
    Van der Pol wordt in deze problematiek bijgestaan door de nieuwe Architectuurnota Een cultuur van ontwerpen, waar de aanslag op het landschap een voornaam thema is. Ze heeft met haar eveneens nieuwe College van Rijksadviseurs kunnen meelezen en commentaar kunnen geven; op een gegeven moment zaten ze met zijn achten over de teksten gebogen. Desondanks kon ze er nog niet veel invloed op uitoefenen, omdat ze doodeenvoudig nog te veel achtergrond miste. We pikken er een ander onderwerp uit dat de komende jaren op de agenda zal staan, de herbestemming en het hergebruik. Doet dat nog wel beroep op de creativiteit van een architect? ‘Ja hoor. Bang dat we alleen oude spullen moeten opknappen? Zeker niet.

    Er ligt een grote opgave in de woningbouw in het binnenstedelijk gebied. Dat lees je ook terug in de nota Randstad 20-40 die door het hele kabinet wordt onderschreven. Wat mij interesseert is, hoe je op locaties waar erfgoed staat nieuwe functies toevoegt en wijzigt, infrastructuur integreert met duurzame woningbouw.’

    Relicten van het verleden kunnen zo karakteristiek zijn, zegt ze, en bijdragen aan de economische kracht van een wijk. Vreemd dat die potentie niet eerder is opgepakt.
    In de nota wordt ook de noodklok geluid over de stedenbouw. Van der Pol: ‘Terecht. Er valt voor stedenbouwers veel te doen. Gemeenten hebben hen in de jaren negentig weg bezuinigd en het vak overgelaten aan adviesbureaus en ontwikkelaars. De gevolgen zie je aan de eenzijdigheid van grondgebonden woningen. Er is uitsluitend een economische slag gemaakt.’ Van der Pol mist visioenen en visies, vooral op het gebied van duurzame stedenbouw. ‘Wat bedoelen we met duurzaamheid en groen wonen in hoge dichtheden? Teken dat eens! En hoe bereik je dat mensen eindelijk eens wonen op de plaats waar ze werken?’

    Pps

    Behalve herbestemming en stedenbouw zal pps haar aandacht vragen, omdat er alleen al dit jaar vier projecten in samenwerking met de markt zullen worden opgezet. Van der Pol vindt dat het niet de oplossing voor alles is, bijvoorbeeld niet voor zo’n gespecialiseerd monument als het Hubertusslot. ‘We weten ook nog niet hoe het met de exploitatie gaat over tien jaar.’ Ze pleit ervoor een range van casussen aan te leggen met de Rijksgebouwendienst met klassieke en vooruitstrevende voorbeelden, een soort best practices. ‘Laat het project en het object het centrum van denken zijn en niet de economie. We kijken te veel naar de winst die het oplevert, en te weinig naar de architectonische kwaliteit.’ Ze onderschrijft in die zin de vrees van haar voorganger Mels Crouwel dat de architect gemangeld zou kunnen raken in het pps-netwerk. ‘Je staat als architect maar voor een ding en dat is de kwaliteit van het werk. Door nauw samen te werken met een opdrachtgever, wil het nog niet zeggen dat je daardoor krachteloos wordt. Je moet alleen vooraf voorwaarden stellen over de kwaliteit die je wil bereiken. Mijn ervaring is bij de samenwerking met de markt dat je in sommige gevallen als in een citroenpers wordt fijngeknepen. En dus moet je sterk staan.’
    Hoe penibel de positie van architecten op dit moment is, blijkt ook het tumult over de eisen bij Europese aanbesteding; sommige architecten hebben publiekelijk voor de eer bedankt aan dat spel nog mee te doen, omdat ze voor een schamel honorarium al zeer uitgewerkte ontwerpen moeten indienen of voor een eindeloze competitie moeten opdraven. Voor kleine bureaus is het bijna uitgesloten in grote projecten te stappen, stelt de Rijksbouwmeester vast, niet alleen in PPS-verband maar ook bij de Europese aanbesteding. ‘Je kunt rustig zeggen dat al die eisen die gesteld worden om een project te krijgen, niet nodig zijn. We moeten veel meer kennis naar buiten brengen en gemeenten assisteren om het goede talent aan te boren.’
    Dat het vak van Rijksbouwmeester volgens haar nog voldoende invloed heeft, ondervond ze kort na haar aantreden. Minister Vogelaar vroeg haar om een advies over scholenbouw in de krachtwijken, nadat de Kamer bezorgd had gereageerd over de luchtkwaliteit en gezondheid in de wijken. Dat kun je zinvol werk doen, vindt ze, omdat je onderzoek kunt verrichten naar de ligging van de scholen, of de brede school de motor voor nieuw openbaar leven kan zijn en waarom er in een programma van eisen een goede kantine ontbreekt. ‘Als je er de budgetten bij betrekt, weet ik dat je iets op gang brengt. Dit is heel concreet.’

    Tot de prioriteiten die Van der Pol zich heeft gesteld is het versterken van de band met de Rijksgebouwendienst en de rol van de Rijksbouwmeester zoals die van origine was. Daarom is een breed samengesteld college van Rijksadviseurs ook een solide basis: alle vakdisciplines zitten bij elkaar, elke specialist kan zich profileren. ‘Het is voor mij goed om met de rijksgebouwen zelf aan actief aan de slag te gaan. Wat me bijvoorbeeld al opviel was dat het werk voor de rijksmonumenten en de taak van de Rijksadviseurs gezien worden als gescheiden dingen. Dat vind ik gek. We kunnen dat beter integreren.’

    Liesbeth van der Pol heeft zich voor drie jaar gecommitteerd, korter dan haar voorgangers. Ze wil in die periode slagkracht kunnen uitoefenen. ‘Je moet het leuk blijven vinden en kunnen volhouden. Als het goed gaat en het werk heeft effect, blijf ik misschien langer. De termijn van drie jaar past in mijn filosofie dat ik op de schouders van mijn voorganger sta. Ik heb het roer van hen overgenomen en ga door op de koers die mijn voorgangers hebben uitgezet. Anders is drie jaar tekort.’