Het balkon als ondergeschoven kind
''Ik moet toch ergens mijn schotelantenne laten!''
19-08-2008 / documenten
19-08-2008 / documenten
Het lijkt een klein detail van een huis of gebouw, onbelangrijk voor de kritiek waardoor het vaak wordt verzwegen of over het hoofd gezien, maar het is een toevluchtsoord waar bewoners en machtshebbers niet zonder kunnen: het balkon. Om zichzelf uit te laten, op zoek als ze zijn naar lucht en licht, om zichzelf te uiten, als podium voor macht en vertoon. Krakers die er hun zwarte vaandels zwaaien, koningen en koninginnen die er de overdracht van de troon bezegelen voor het oog van het volk waar kan het theater voor de straat beter worden opgevoerd dan daar?
Zo uiteenlopend kan de functie van de uitstulping zijn, dat het librettisten en schrijvers inspireert in wat bijna emblematisch de balkonscène is gaan heten. Balkonscène: het verzamelbegrip voor een sleutel-onderdeel in opera of toneelstuk. Don Giovanni of Cyrano (de Bergerac)hadden beiden hun avances wel kunnen vergeten als ze geen balkon met geliefden ter beschikking hadden gehad. Maar de beroemdste zijn natuurlijk wel Romeo die zijn Julia bezong terwijl ze smachtend op het balkon in Verona stond te luisteren. Het is waarschijnlijk de meest afgezaagde scène aller scènes, maar hoe dat ook zij, clichés ontstaan nu eenmaal door herhaling en ridiculisering.
In werkelijkheid stelt dat balkon op die binnenplaats in Verona wat teleur, zo nietig is het waarbij we voorbijgaan aan de kwestie of dat het beroemde balkon is maar dat doet er niet toe. Gebouwen en ook verlengstukken van gebouwen kunnen uitgroeien tot symbolen, zoals ook de figuren van Romeo en Julia zich daarin ontwikkeld hebben.
Als het balkon zo belangrijk is in het drama, waarom speelt het dan zon ondergeschikte rol in de architectuur? Eind jaren tachtig werd het verschijnsel zelfs smalend afgedaan als een ziekte, toen het te pas en te onpas werd toegepast in de stadsvernieuwing. Alsof iedere stadsvernieuwingsurgente recht had op zijn eigen private loopren buiten de woonkamer en alsof iedere architect daaraan kritiekloos tegemoet kwam. Het leidde bijvoorbeeld in de Amsterdamse Dapperbuurt tot een woekering aan balkonnetjes die binnen de kortste keren werden afgeschoten met zeildoek, rietmatten, kleden en parasolletjes. Kort daarop zouden de schotelantennes hen volgen.
Toen architecten die uitwassen ontdekten en de woningcorporaties problemen ondervonden met het beheer werd de koers gewijzigd. In het begin van de 21e eeuw kregen architecten die een hekel hebben aan een balkon omdat het de compositie van een gevel zou kunnen verstoren, hulp via de regelgeving. Hoewel de mens recht heeft op buitenruimte vijf procent van het woningoppervlak is een balkon niet langer een verplichting. Als de geluidsoverlast of de dreiging van fijn stof ten gevolge van het autoverkeer groot is, kan de buitenruimte zelfs achterwege blijven. De mens wordt in dat geval weggestopt achter dubbel glas hij behoudt uitzicht maar blijft verstoken van (on)frisse lucht: het is onder meer het geval bij de nieuwe pakhuizen aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam.
Dat architecten een haat-liefde-verhouding hebben met een balkon, is een terugkerend element in de bouwgeschiedenis. Bij de Amsterdamse School maakten de gebeeldhouwde balkonnetjes deel uit van de gevelcompositie, fraai te zien in de golvende gevelwand van Piet Kramer aan de Vrijheidslaan, maar ze waren niet bedoeld als recreatieruimte. Je kan er om het plastisch te zeggen je kont niet keren. In de Spaarndammerbuurt is het al niet anders. De Amsterdamse huisvrouw week daarom uit naar de vensterbank, waarover ze een kussen heen drapeerde en vanuit die positie commentaar leverde op het straatleven. Over balkonscènes gesproken. Om dat gedrag te verhinderen, maakte een architect als Michiel de Klerk de ramen hoog genoeg. Ook in het Bauhaus en het Nieuwe Bouwen zijn balkons niet geliefd omdat ze de strakke, gladde gevel verstoren. Liever houden architecten vast aan inpandige terrassen, loggias of galerijen als sterk horizontaal effect van een flat.
Bij het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht speelt Gerrit Rietveld een spel met balkons: langgerekt, uitstulpend, half inpandig en altijd afgezet met een dunne balustrade. Ook hier is de benutting van de buitenruimte geen hoofddoel. Je kunt je althans niet voorstellen dat mevrouw Schröder daarop haar ligstoel heeft uitgeklapt. Het is niet meer of minder dan een driedimensionale ruimtelijke compositie.
In het winderige Nederland lijken balkons alleen al klimatologisch niet handig in het gebruik. Dat verklaart de opkomende populariteit van de loggia die als voordeel heeft dat die kan worden gebruikt als wintertuin en als verlengstuk van de woonkamer. Buiten of niet buiten, dat is de vraag bij het Franse balkon, dat je de meest subtiele knechting van het menselijke streven naar lucht kunt noemen, omdat hij stuit op een balustrade voor een naar binnen openslaande deur.
Zijn dakterrassen en atriums varianten van een balkon? Het valt te betwijfelen. De mens heeft zo weliswaar een extra buitenruimte geschapen, maar het dakterras is een organisch onderdeel van het huis, geen openbare toevoeging zoals het balkon. Met het balkon opent het huis zich naar buiten, barst het interieur als het ware open, terwijl het dakterras een voortzetting is van het interieur. Geen uiterlijk vertoon dus, meer een soort loopplank richting de openbare ruimte.
Kijken en bekeken worden, dat lijken de meest intrigerende aspecten van het gangbare balkon: het is niet voor niets de meest prominente plek in een schouwburg. Sevilla, sterk beïnvloed door de Arabische architectuur, staat bekend om zijn mirador, een overdekte vierkante ruimte in een torentje waar de bewoners s zomers koelte vangen en ondertussen ook nog uitzicht hebben op de straat. Amsterdam kent een mirador: in de Beurs van Berlage, maar die heeft alleen een panoramisch doel. In het Arabische interieur komt ook een inpandige balkon voor waardoor de vrouw des huizes het bezoek van achter een vlechtwerk kan bespieden, zonder zelf gezien te worden. In de James Bond-film The spy who loved me wordt dit visueel eenrichtingsverkeer prachtig uitgebuit waarbij de setdesigner gebruik heeft gemaakt van een de mooiste klassieke huizen in Cairo, waar het uitkragende bordes is afgezet met filigrain houtsnijwerk.
Fungeren de Arabische balkons een rol in het spel tussen openbaar en privé, tussen vrouwen en mannen, in de westerse cultuur heeft het balkon een heel andere betekenis. Het is de no-nonsense uitlaatklep van de huishouding de plaats waar de huisvrouw haar was te drogen hangt, en als die was is gedaan, ging ze er zelf rusten. In alle Italiaanse neorealistische films uit de jaren vijftig verschijnen zo balkons met Anna Magnanis en Sophia Lorens die tussen de wapperende lakens door hun kroost op straat in de gaten proberen te houden. Het balkon als sociaal instrument, controlepost, commandotoren.
In de hete zomers aan de Middellandse Zee is het ook de plaats om gecamoufleerd door markiezen en luifels siësta te houden of de avondkoelte te kunnen ontvangen in Griekenland is het zelfs gebruik bij extreme hitte op het balkon te overnachten. Een stuk veiliger ook, gesteld dat zich een aardbeving voordoet. De sociale component in de vorm van interactie tussen straat en huis is noordelijker minder van belang. De Parijzenaar stalt er zijn potplanten en poedel uit, de Londenaar een teakhouten meubelset, en in Nederland is het balkon een vergaarbak voor alles wat niet in een woonkamer past. De lege bierkratten. De kattenbak of het konijnenhok. Mottige tafels en stoelen. Luxe tafels en stoelen. De schotelantenne. De afgedankte kerstboom. De racefiets. Het droogrek. En bij de wereldkampioenschappen voetbal: de televisie, de vlaggen, de slingers en de ballonnen. In sommige loggias: de wietplantage. Hadden de volkshuisvesters maar niet zo krap moeten ontwerpen. Hoewel het balkon aan het eind van de 20e eeuw eindelijk een fatsoenlijke maat heeft gekregen, was het daarvoor de ontsnappingsclausule voor de krap behuisde consument. Misschien is het daardoor teruggebracht tot een voetnoot in de architectuurgeschiedenis.