Afstand nemen van Alvar Aalto
Finse grootmeester introduceerde golvend baksteen
25-11-2007 / artikelen
25-11-2007 / artikelen
De verstandhouding tussen Finland en de meesterarchitect Alvar Aalto zou je zonder overdrijving moeizaam kunnen noemen. Aalto, overleden in 1976, mag dan tot de s werelds vijf productiefste en meest vernieuwende architecten van de 20e eeuw worden gerekend, als zijn naam valt onder hedendaagse Finse architecten, wordt die gevolgd door een zuinige reactie. Zoveel invloed heeft Aalto niet gehad op de moderne Finse architectuur, omdat hij een Einzelgänger was, zegt de een. Meestentijds werkte hij in het buitenland, is een ander antwoord, onder meer wijzend op de opera in Essen. Hij sleepte de grote opdrachten binnen en gaf jonge talenten daardoor nauwelijks kans, is een ander punt van kritiek. Aalto-kenner en hoogleraar Aino Niskanen ving de scepsis op tijdens colleges: Studenten zijn niet erg in hem geïnteresseerd, hij is een soort vergeten grootvader. En als ze hem kennen, hebben ze moeite met zijn onaantastbaarheid. Invloeden zijn er weinig. De enige Finse architect die in zijn voetsporen is getreden is Juha Leiviska. En inderdaad, bij Leiviska stuit je op een handelsmerk van Aalto: het plooien van de gevels als betrof een gemodelleerde houten schutting, alleen dan van baksteen.
Zoals gebruikelijk is en te verwachten valt in Finland, experimenteerde Aalto met hout en vooral met het gebogen berkenhout waaruit hij voor de Tweede Wereldoorlog sierlijke stoelen en krukjes kneedde. In zijn architectuur komt hout hooguit voor als raamwerk tussen een trap en een kamer of hal, of in een gewelfd plafond zoals in de bibliotheek van Viipuri. Hout mag dan het Finse bouwmateriaal bij uitstek zijn, grote gebouwen kun je er niet mee realiseren, dan zit een architect vast aan beton of steen. Niet in Finland maar in de Amerikaanse staat Massachusetts zou Aalto zijn eerste experimenten met gevels van baksteen uithalen. Om de massaliteit van de dormitory van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) te benadrukken, gebruikte hij een grove steen die hij op een onregelmatige manier over de gevel verspreidde, zodat ie eruit ging zien als een pokdalige huid. Die gevel onderbrak hij nog eens door de trappen als strakke diagonalen buiten het volume te plaatsen. Hoewel het MIT niet tot zijn beste werken wordt gerekend, was het een statement omdat Aalto met die expressieve stijl en de grillige curven van de plattegrond lijnrecht inging tegen de modernistische zakelijke tijdgeest.
Vaas
Wat hem aan baksteen interesseerde was dat het in tegenstelling tot beton zich goed leende voor golvende vormen. Zoals zijn beroemde vaas voor Iitala de omtrekken van een Fins meer lijkt te vormen, zo sluiten sommige Aalto-gebouwen aan op het rotslandschap, het gaafst in zijn Kultuurhuis uit 1953 in Helsinki. Dat cultuurcentrum voor de communistische partij ligt om een heuvel gekromd. De feestzaal is een meesterwerk met gesloten muren van een speciaal daarvoor ontworpen soort baksteen, waarin muur en plafond in elkaar overvloeien. Bij het Kultuurhuis durfde Aalto het aan een gesloten, dus vensterloze, façade te maken die contrasteert met een langgerekte, strakke luifel. Juist door de façade te plooien en ook nog eens te bekleden met een warme gevlekte steen, krijgt elke associatie met saaiheid of introvertie geen kans.
Dat de muur of de muren als middel dienen om de buitenwereld op afstand te houden, niet vreemd wie bedenkt dat het in Finland vier tot vijf maanden koud en grijs kan zijn, is een terugkerend element in de gebouwen van Aalto. In zichzelf gekeerd, zelfs fortachtig, is het raadhuis van Säynätsalo vlak bij Jyväskylä, dat deel uitmaakt van een stedenbouwplan dat Aalto in 1945 voor deze Finse plattelandsgemeente maakte. Säynätsalo hoort tot de eerste naoorlogse urbanisatieprojecten en ligt op een met bossen overwoekerd schiereiland. Alle functies, zoals bibliotheek, ontmoetingsruimte en woningen liggen op en rondom een verhoogd binnenplein, terwijl een niveau lager, de voet van de heuvel, is gereserveerd voor winkels en kantoren. Schuine dakvensters loodsen het daglicht binnen naar het hart van de gebouwen. Säynätsalo wordt wel genoemd als een nieuw hoofdstuk en keerpunt in Aaltos carrière, waarin monumentaliteit, detail, omgeving en landschap en vooral de menselijke maat in een complex samenvloeien.
Geribde tegel
Hoe zeer Aalto zocht naar de juiste steen en tegel, is enkele kilometers van Säynätsalo te zien, in Muuratsalo waar hij zijn zomerhuis gebruikte als klein laboratorium. Proeven van metselwerk en decoratie puilen uit de buitenmuur. Hier vond hij, in 1953, een beige geribde tegel die als een boomstammetje in al zijn gebouwen terugkeert, als bekleding van kolommen, balustrades en deurposten. Het is de handtekening waar elke architect op een zeker moment naar op zoek is.
De bleke geribde tegel vinden we dus terug in de technische faculteit van de universiteit in Otaniemi. In 1949 al werden Aalto en zijn vrouw Aino gevraagd een stedenbouwkundig plan te maken voor een campus in Espoo, een voorstad van Helsinki, op de plek van een voormalig landgoed. Het landschap is overweldigend door zijn geaccidenteerde terrein en vistas op Helsinki in de verte over de baaien heen. Aalto bedacht een campus waarin de studentenflats, collegezalen en faculteiten als strooigoed tussen de bomen liggen. Hij had een kleur steen beschikbaar, de alom tegenwoordige dieprode Finse steen. Andere zijn bijna niet voorradig.
Als we langs de gebouwen fietsen, wacht ons een kleine teleurstelling. De technische faculteit in de vorm van een taartpunt, het meest gezichtsbepalende gebouw van de universiteit, is in reparatie. Steen voor steen wordt uit de gevel gebikt en vervangen.Optrekkend vocht geeft Niskanen als verklaring: de geprefabriceerde elementen waren op de betonconstructie gelijmd. Hoewel het bureau van Aalto na zijn overlijden is opgeheven, houdt een stichting toezicht op het onderhoud van zijn erfgoed, dus ook de gebouwen in Otaniemi.
Het taartpuntvormige hoofdgebouw kent een voor Aalto kenmerkende wisselwerking tussen buiten en binnen. Een monumentale hal rondom het auditorium dient als een soort ontmoetingsruimte, en buiten is het amfitheater een spiegeling van dat auditorium, in een beschutte kom voor het gebouw, met uitzicht op het park. De bewegende oppervlakken in het werk van Aalto zijn als het ware een commentaar op rationeel ontwerp.
In vrijwel alle ontwerpen laat de architect zich leiden en inspireren door het landschap daarin is Aalto geen uitzondering op andere Finse architecten, ook al beweren ze nog zo van hem te verschillen. Het lijkt erop alsof de gebouwen meebewegen met de heuvels, rondom bomen gekruld staan en zijn uitgerust met ramen die op het meer zijn gericht. Logisch vindt Niskanen, dat ontzag voor de natuur. Aaltos vader was houtvester; hij trok als jongen al regelmatig het bos in. En hij wilde de natuur versterken met zijn architectuur. Aalto was niet geïnteresseerd in een landschap zonder gebouwen.
In Otaniemi, waar een handvol gebouwen van zijn hand staan, lijkt die aanvulling van cultuur op de natuur het best geslaagd. Het rood wordt roder door het groen en omgekeerd lijkt het groen ook intenser van kleur dan elders. Dat is zeker het geval bij de bibliotheek uit 1969 naast het auditorium waar Aalto het opnieuw heeft aangedurfd een volledig gesloten gevel te maken. En er is een raadselachtige onderbreking in de hermetische buitenkant, een rooster met keramische kolommetjes, op een al even curieuze plek: in de uiterste zuidwesthoek van de bibliotheek boven een dienstingang. Het gemis aan ramen wordt gecompenseerd door glazen zaagtanddaken.
Het kon niet anders: Aaltos concept voor Otaniemi moest wel worden voortgezet of hij nu afgewezen of geaccepteerd is in Finland. Voorbij de bibliotheek staat het in 2003 opgeleverde computer- en ICT-centrum: het TUAS-gebouw van Arkkitehtitoimisto HKP Oy. Ze hebben het recept van de bibliotheek overgenomen, een gesloten buitenwand en een langgerekt atrium in het hart, alleen is het baksteen nu aangevuld met titanium en staal. Maar ze hebben ook nog op een ander terrein goed gekeken naar de grootvader van de Finse architectuur en dat is het geraffineerde spel dat hij speelt met licht en donker. Nergens in Europa zie je zon sterk aangezet contrast tussen de glaswand en de stenen muur, maar ook tussen horizontaliteit en verticaliteit. Na een betrekkelijk lage ingang volgt altijd een hoog oprijzend atrium of trappenhuis. Leiviska, al weer in de zeventig, blijkt in dat opzicht de beste leerling van Aalto. De kerken die hij op verschillende plaatsen in Finland heeft ontworpen, hebben met elkaar een bescheiden, bijna saaie entree gemeen, gemarkeerd door een luifel. Daarna ontrolt het spektakel zich, een ruimte waar het hoofd zich kan vullen met spirituele boodschappen dankzij langwerpige perforaties in de muur waar het licht probeert binnen te kruipen. Het is architectuur waar de sensatie schuilt in het gewone.
Maar daarbij houdt het dan ook op in Finland. De navolgers van Aalto zitten elders, zij hebben de handschoen opgenomen. En ze heten John Utzon in Zweden, Louis Kahn in Amerika, Alvaro Siza in Portugal, Alberts & Van Huut en Mecanoo in Nederland. Hij was, stelt Niskanen, domweg te groot voor Finland.