•  
    • Het dak van de Kunsthal Rotterdam

    Halverwege de jaren tachtig begon er iets te broeien in Barcelona. Er ontwikkelde zich een creatief klimaat dat kon gedijen dankzij de toekenning van de Olympische Spelen aan de stad. Het was de stedenbouwkundige/architect Oriol Bohigas die met een lumineus voorstel kwam om de stad op strategische plekken bloot te leggen. Hij boorde als het ware gaten in het 19e eeuwse grid en transformeerde die tot pleinen en ontmoetingsruimten.
    Alsof de stad een injectie kreeg, zo kwamen volkswijken in Barcelona tot leven en zo werd de hoofdstad van Catalonië geleidelijk aan een bedevaartsoord voor stedenbouwkundigen uit de hele wereld die met eigen ogen ‘ het wonder’ wilden aanschouwen. Niet zelden namen ze de concepten van Bohigas over, die erop neerkwamen dat een zorgvuldig ingerichte openbare ruimte een katalysator voor een buurt kan betekenen. En een betere wijk op zijn beurt draagt bij aan een betere stad. In die zin had de ingreep van Bohigas verregaande gevolgen, niet alleen voor Barcelona maar ook voor andere Europese steden, ook al betreft het een stedenbouwkundige visie en geen object van architectuur.
    Wie Barcelona zegt, zegt Gaudi en zijn Sagrada Familia – het is een icoon waarmee de stad zich nu honderd jaar tooit, net als andere bouwwerken van Gaudi maar opmerkelijk genoeg staan al die monumenten op zichzelf. Ze maken geen noodzakelijk deel uit van een stedenbouwkundige context, ook al staan ze in een gevelwand van de Passeig de Gracia. Objecten zijn het, of liever nog sculpturen.
    Wat zijn dan wel gekende architectonische iconen, die hun status ontlenen aan het feit dat ze prijken op ansichtkaarten of zich makkelijk in een paar schetsen laten vangen? Iedereen zal zeggen de Eiffeltoren of de toren van Pisa, en misschien de Tower Bridge en sinds een jaar of vijftien ook de Erasmusbrug in Rotterdam. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze op het netvlies blijven hangen, dat ze ondanks hun eenvoudige, overzichtelijke vorm uitzonderlijk zijn en daardoor een breed publiek aanspreken. Dat ze boven hun eigenlijke functie zijn uitgestegen, en daardoor meer dan een toren, meer dan een oeververbinding zijn.
    Toch is het niet louter de vorm waaraan ze die status danken en is evenmin de esthetiek bepalend. De Eiffeltoren bijvoorbeeld sprankelt zo in verschillende stedenbouwkundige assen, dat ze vanuit welke optiek dan ook gezien een baken vormt. De Erasmusbrug is niet alleen een ingenieuze tuibrug met een piloon, het was ook de toverstaf die een nieuw stadsdeel – de Kop van Zuid in Rotterdam – aanraakte. Het Luxortheater of de Montevideotoren waren misschien nooit verwezenlijkt, als de Erasmusbrug niet zo’n troef was geweest. Er zijn, met andere woorden, meer factoren voor nodig om een icoon tot icoon te maken.
    Voor Huub Smeets, CEO van Vesteda, is het kenmerk van invloedrijke gebouwen dat ze de architectuur een impuls hebben gegeven, bijvoorbeeld in kleurgebruik of in nieuwe opvattingen over het interieur. Verder noemt hij de invloed die architectuur op stedenbouw heeft gehad, waarbij de naam van Aldo Rossi valt. ‘Door zijn benadering van de stad heb ik de stad beter begrepen en ben ik een stadsmens geworden. Door zijn dietestudies en stadsontwerpen gekoppeld aan zijn beeldend vermogen is stedenbouw op een hoger plan beland.’ Essentieel is daarnaast de persoonlijke betrokkenheid van een architect. ‘ De uniciteit van een gebouw, iets wat nooit herhaald kan worden. Wat me in dat opzicht heeft geraakt is het Maison de Verre van Pierre Chareau in Parijs voor een doktersechtpaar waar hij voor het eerst glazen bouwstenen heeft gebruikt verbonden met een industrieel interieur, waardoor een prachtig resultaat ontstond. Andere architecten hebben dat bestudeerd en er hun eigen interpretatie aan gegevenWiel Arets om er een te noemen. Het Maison de Verre is een zeldzaam goed voorbeeld van een Gesamtkunstwerk. Jean Prouvé vind ik ook zo’n baanbrekend architect, met name zijn eigen woonhuis in Nancy en zijn bedrijfsgebouwen. Beide zijn misschien architecten voor architecten, maar ze hebben nieuwe ontwikkelingen te weeg gebracht.’
    Op het gebied van kleurgebruik is Barragan in Mexico toonaangevend geweest, terwijl de bibliotheek van Norman Foster in Nîmes, le Carré d’Art, als wegbereider voor de moderne bibliotheek beschouwd kan worden. ‘Een nieuw type gebouw voor een jonge doelgroep, en dat nota bene tegenover een gave Romeinse tempel.’
    Mighty powerful-architectuur interesseert Smeets niet zo en ook niet elke creatie van OMA/Koolhaas krijgt wat hem betreft het predikaat ‘invloedrijk’. ‘Wel de villa bij Bordeaux voor de gehandicapte uitgever, maar niet de concertzaal in Porto omdat die zo buiten de context valt.’
    Sinds tien jaar geldt als Het Architectonisch Icoon ter wereld het Guggenheim Museum van Frank O’Gehry in Bilbao. Zodra het museum was voltooid, schreef het al onmiddellijk geschiedenis. Smeets noemt Gehry met opzet niet, omdat hij zijn werk net als dat van Calatrava te veel voor de hand vindt liggen. De kunst komt op de tweede plaats, de architectuur domineert. Dan bevalt de vernieuwing van een bestaand gebouw, zoals de Tate Modern in Londen van Herzog en De Meuron hem beter, zonder dat de architectuur opdringerig is.
    Toch noemt Floris Alkemade, architect en partner bij OMA het Guggenheim Museum specifiek als de moeder van alle katalyserende gebouwen. Niet eens zozeer omdat het grillig gevormde bouwsel een tot dan toe anonieme stad een gezicht heeft gegeven maar vooral omdat er met dat gebouw een wereldwijd verlangen is ontstaan naar spectaculaire gebouwen . Zoals Barcelona begin jaren negentig uitgroeide tot een pelgrimsoord, zo werd Bilbao daarna een must voor kunst- en architectuurliefhebbers, en zelfs gebruikt als decor voor de James Bondfilm The world is nog enough. Misschien is dat ook een bijdrage aan legendevorming, als een gebouw geschikt wordt bevonden als filmdecor.
    Maar ook het Guggenheim Museum had geen landmark kunnen worden, als het geen katalysator voor een stadswijk was geweest, want het museum is gebouwd op een rivieroever met verwaarloosde rangeer- en industrieterreinen. Een museum, een brug, een concertzaal en een promenade hebben deze vergeten achterkant van Bilbao bij de stad getrokken.
    Iedereen vraagt ons een tweede Bilbao te ontwerpen, zegt Floris Alkemade, maar dat is nou juist niet de invalshoek die OMA prikkelt. ‘Het gaat ons om een logische en radicale interpretatie van context en programma, en pas daarna om de vormgeving. Een op effect gerichte vorm is zelden of nooit de sturende factor in onze projecten geweest.’ Als er dan toch een spectaculair gebouw uit voortvloeit – neem de Nederlandse ambassade in Berlijn, de bibliotheek in Seattle of volgend jaar de televisietoren in Beijing – is dat dankzij gedegen analyses, onconventionele interpretaties en een gedegen onderzoek van de vraag zelf voordat er over antwoorden wordt nagedacht. Niet form follows function maar form follows research. En zoals Rem Koolhaas ooit predikte: fuck context; dit vanuit de overtuiging dat je de context niet noodzakelijkerwijs moet volgen maar vooral moet beïnvloeden. Alkemade zet vraagtekens bij de behoefte van steden aan een spektakelstuk. ‘Over de hele wereld verlangen ze ernaar om zich daarmee zichtbaar en attractief te maken. In onze ogen wordt de rol van de architect daardoor niet aantrekkelijker. Je wordt ingezet om een op effect gerichte act op te voeren en daar proberen wij ons bij onze projecten nadrukkelijk niet op te richten. Onze terughoudende ontwerphouding op dat punt stelt ons in staat op een aangename manier los van de heersende modes te opereren, met als bijeffect dat we lang niet altijd aansluiten bij de verwachtingen van de architectuurjury’s. We hebben het gevoel dat we regelmatig om de verkeerde redenen projecten verliezen en prijzen winnen.’
    Soms is een gebouw nodig als spreekwoordelijke schaap over de dam, een daad van betekenis die zijn schaduw vooruitwerpt op toekomstige ontwikkelingen. Kraanspoor van OTH (Trude Hooykaas en Julian Wolse) wordt genoemd als recent voorbeeld omdat het de voormalige NDSM-werf in Amsterdam-Noord een impuls kan geven. Noord gold tot dusver als een stadsdeel zonder eigenschappen. ‘Omdat we weten dat er in de toekomst voornamelijk in baksteen gebouwd zal worden, hebben we daarop geanticipeerd met een glazen, lichtvoetig gebouw’, zegt Wolse. De inspiratiebron hiervoor moeten we in Amerika zoeken, de Lakeshore Drive Appartments in Chicago en het Seagram Building in New York, beide van Ludwig Mies van der Rohe.
    Voor Wolse zijn dat invloedrijke ontwerpen geweest. In een tijd van metselwerk introduceerde Van der Rohe staalskeletbouw, en creëerde daarbinnen vrij indeelbare plattegronden. ‘ Dat was vooruitstrevend. Ook het opgetilde maaiveld waardoor de openbare ruimte onder de gebouwen doorliep, was revolutionair voor zijn tijd. De vliesgevels die Van der Rohe toepaste….hoeveel architecten hebben dat later niet overgenomen?’
    Iconen zijn daarom voor Wolse gebouwen die de toon hebben gezet, een nieuwe ontwikkeling hebben ingeluid. De transparantie, de materialisatie, de uitstraling op de omgeving, de helderheid en de eenvoud, aan die criteria dient een baanbrekend ontwerp te voldoen, vindt Wolse. Als het goed is, zijn die normen ook van toepassing op Kraanspoor, een plattegrond met een helder ritme, een ruimte die op willekeurig welk gebruik kan worden afgestemd. Klassieke gebouwen bewijzen zich in de loop van de tijd, de Mies van der Rohe-complexen zijn daarvan het bewijs.
    Invloedrijke gebouwen worden onmiddellijk herkend zodra ze zijn voltooid, want ze zijn hoog, opvallend en markant. Het is daarom niet zo vreemd dat steden excentrieke architectuur inzetten bij hun imagebuilding. Behalve het Guggenheim Museum in Bilbao zijn het Groninger Museum en het museum voor techniek en wetenschap van Santiago Calatrava in Valencia er een voorbeeld van. Maar kunnen gebouwen hun invloed ook verliezen of andersom in de loop van de tijd verwerven? Jeroen van Schooten (Meyer en Van Schooten), aanstichter van icoonvorming met het ING-House op de Zuidas, noemt de Inktpot, het hoofdkantoor van de NS in Utrecht, als voorbeeld van een bouwwerk dat rijpt en rijpt, en misschien wel dankzij de anonieme cityvorming in de omgeving een steeds sterkere indruk maakt. Aangezien steden veranderen, kunnen gebouwde iconen in een andere context komen te staan. Wat dat betreft kan de ontwikkeling hardvochtig zijn – wat ooit revolutionair was, kan afdalen naar een gewoon niveau en, omgekeerd, wat ooit ‘ gewoon’ was kan ‘buitengewoon’ worden. Het is een cynische conclusie voor gebouwen die gesloopt zijn omdat ze niet in de tijdgeest noch in de omgeving meer pasten, zoals de vele kerken van Pierre Cuypers. Maar toegegeven, echte onbetwistbare iconen zal dat niet overkomen.