• De school van nu is vooral een hangplek

    Op scholen hebben ontzag en gezag plaats gemaakt voor gelijkheid

    15-09-2007 / artikelen

  •  
    • Het net opgeleverde IJburgcollege van HVdn.
    • Nieuwe basisschool op IJburg
    • Het Bredero College van Search Architecten in Amsterdam-Noord

    De klassieke school uit de Nederlandse onderwijsgeschiedenis is de Rijks Hogere Burgerschool die halverwege de 19e eeuw op prominente plekken in het straatbeeld opdook. Architecten als T. Romein en C. Vermeys ontwierpen in Leeuwarden, respectievelijk Utrecht al even klassieke gebouwen met een vrij eenvoudige plattegrond. Langwerpige symmetrische gebouwen opgetrokken uit een donkere steen met twee lagen en een kap, in het midden de ingang, in veel gevallen geaccentueerd door een middenrisaliet, dat was HBS ten voeten uit. Dankzij de onderwijswet van 1857 had de rijksoverheid een minimale maat aan de klaslokalen gesteld: 0,6 vierkante meter vloeroppervlak en drie kubieke meter per leerling. Die maat, dus de actieradius van de leerling in een klaslokaal, is altijd de norm geweest in het onderwijs in Nederland, een van de sterkst van hogerhand gedirigeerde rijkstaken. Tot in detail werd de afstand van de schoolbanken aangegeven, maar ook de afstand tot het bord, rekening houdend met het ‘gezichtvermogen der leerlingen’.
    De hygiëne op de scholen was, begrijpelijkerwijs, in de 19e eeuw een van de belangrijkste opdrachten aan een architect, omdat dat in de particuliere woning spaarzaam voorkwam en omdat ziektes als tbc de samenleving in hun greep hielden. Maar natuurlijk hadden de HBS en aanverwante middelbare scholen het doel het kind door onderwijs te verheffen wat op een hiërarchische manier gebeurde met een onderwijzer voor het bord, een kaart, een krijtje en een stapel boeken. Het onderwijs stond in het teken van gezag van en ontzag voor de docent. Anderhalve eeuw later is dat archetype verdwenen; de leraar gaat vrijwel op temidden van zijn leerlingen in het studiehuis. De leerling onderwijst min of meer zichzelf, moet een beroep doen op zijn zelfstandigheid en de kennis die hij aanboort, komt overal vandaan. Hij surft op internet, grasduint in de schoolbibliotheek en vormt werkgroepen met medeleerlingen voor een opgave.
    Logisch dat die aloude klassieke school van 1857 er niet meer zo uitziet als die van tegenwoordig. De oude HBS is veranderd in appartementencomplex of een museum.

    Collectiviteit
    Het conto van de revolutionaire schoolverandering komt op de naam van Herman Hertzberger. Hij heeft als geen ander de school een ander aanzien heeft gegeven. Daarbij concentreerde hij zich op de basisschool. De Montessorischool in Amsterdam-Zuid, de Evenaar in Amsterdam-Oost of de Polygoon in Almere kenmerken zich door een sterke nadruk op de collectiviteit in de vorm van een speelse aula, tevens forum in het hart van de school. Net als Aldo van Eyck had Hertzberger oog voor de belevingswereld van het kind, en dus rangschikte hij ruimtes voor het kind op zijn maat en formaat, waarin het kind zich even kon terugtrekken uit de grote mensen-wereld. Er is geen architect van dit moment die die lessen van Hertzberger niet heeft overgenomen. Met name de aula en de trappen zijn een terugkerend onderdeel in elk instituut. Dat zijn de ingrediënten waarmee een middelpunt van de school wordt geschapen; rust en concentratie zijn voorbehouden aan het klaslokaal, daarbuiten ‘gebeurt het’.
    Omdat Hertzberger een liefhebber was van kalkzandsteen en hout, vallen zijn scholen in dit verband buiten de context. Zijn erfgenamen hebben het hout gehandhaafd en dat gecombineerd met baksteen: iets van de HBS-geest of liever nog de aandacht trekkende scholen van Willem Dudok is terug in Nederland. Zoals de scholen van Dudok een centrale plaats innamen in een wijk, doen de scholen van nu dat ook. Het verschil is alleen dat ze meer dan een school alleen zijn. Het zijn culturele centra of buurtcentra. Leren staat niet meer voorop, maar ontmoeten en opvoeden. Zeker in de gedesintegreerde wijken uit de jaren vijftig, waar kaalslag een einde maakt aan de monotonie, ziet de overheid de school als het middel bij uitstek om buurtbewoners aan elkaar te laten binden. Ze omvatten een sporthal, een GG&GD, therapieruimtes, soms een politiepost en uiteraard een kinderdagverblijf. In Hoogvliet hebben de schoolparasites terecht prijzen gewonnen omdat ze hulp bieden aan jonge (Antilliaanse) moeders bij de opvang van hun kinderen, voor en na schooltijd.

    Vetzucht
    Dat de school de belangrijke opgave in deze zoekende tijd is, werd onderstreept in het recente Architectuurjaarboek dat de stand van zaken in de Nederlandse architectuur beschrijft. In enkele jaren tijd hebben gerenommeerde architecten zich aan de opgave gewaagd, onder wie Atelier Pro, Marlies Rohmer, Snelder Architecten, Mecanoo, Karelse van der Meer en Erick van Egeraat. Wat opvalt is de verzorgde behandeling. Ze gebruiken fraai metselwerk gecombineerd met andere materialen (glas, staal, hout) en ze hebben vooral oog voor de mengeling van collectiviteit en individualiteit. De aula is nog steeds het middelpunt voor cultuuropvoeringen, recepties en herdenkingen, de sport manifesteert zich – zoals in de scholen van Rohmer – als een mogelijkheid voor kinderen om hun vetzucht kwijt te raken. Ze wijdde er dit jaar een heel boek aan.
    Wat het formaat betreft is het gezien de krappe budgetten zaak een zo compact mogelijke school te maken. Hoe meer buitenmuur, hoe kostbaarder de gevel bij de bouw en hoe lastiger het onderhoud (want graffiti-overlast). De compacte school heeft de aloude symmetrische HBS vervangen. Wat we zien zijn lokalen rondom een atrium dat voor allerlei functies geschikt is, enorme trappen waarop leerlingen kunnen hangen en ruimtes voor meervoudig gebruik. Dat stelt enorme eisen aan de akoestiek. Een school is geen klooster, maar de leefbaarheid is wel in het geding als gejoel de overhand heeft. Vandaar dat veel architecten experimenteren met geluidswerende platen in het atrium of met loungebanken naast de entree. Was de school een jaar of tien geleden een soort huiskamer, nu lijkt hij meer op een hotellobby, alleen minder luxueus.
    De architect van nu heeft ook rekening te houden met de computer. Tien jaar geleden was de vondst het computerlokaal, tegenwoordig staat de computer of laptop in elk lokaal. Op de hogeschool voor verpleegkundigen in Amsterdam heeft architecte Dekkers een cascade aan ruimtes geschapen waar de studenten de beschikking hebben over eindeloze counters met beeldschermen; daarbij staat steevast als verbodsbord een doorgekruiste hamburger. Het is symbolisch voor deze tijd. Het monofunctionele leren heeft plaatsgemaakt voor een mix van kletsen, eten, leren, kennis uitwisselen, examen doen, vergaderen en sporten.
    Was de aloude HBS een vertrouwd terugkerend element in de stad, het college/de scholengemeenschap van nu is kameleontisch, ingespeeld als het is op de omgeving. Het neemt telkens een andere gedaante aan. En de basisscholen hebben zich ontwikkeld tot middelpunt van de Vinex-wijken. Niet zelden staan katholiek, christelijk en openbaar in een rijtje naast elkaar, zoals in Vathorst (Amersfoort) en Veldhuizen (Leidsche Rijn). Dat zal de verdedigers van het buitengewoon onderwijs een gruwel zijn, het is symptomatisch voor de ontzuilde samenleving.