Waarom is Rob Krier zo hot in Nederland?
Interview met de architect die ons Brandevoort en Broekpolder gaf (en de Meander in Amsterdam).
06-04-2008 / documenten
06-04-2008 / documenten
Tien jaar geleden nog dacht Rob Krier dat het niets meer zou worden met zijn carrière. De Luxemburgse architect werkte en woonde in Wenen en was op een doodlopend spoor beland. Ik dacht dat ik de rest van mijn leven zou slijten in Wenen en daar begraven zou worden. En dat ik voor die tijd me uitsluitend met beeldhouwen zou bezig houden, mijn grootste passie. Er bestond geen zicht op wat voor activiteit dan ook. Zijn bureau was zo goed als bankroet, zijn architectuur werd met name in Duitsland met argusogen bekeken. Ik paste met mijn romantische houding niet in het architectuurlandschap.
Toen won het bureau Krier tot zijn grote verrassing een prijsvraag voor een uitbreiding bij Potsdam. We verhuisden naar Berlijn, waar we plotseling met twintig man zaten in plaats van met twee in Wenen. Niet alleen de opdracht in Potsdam luidde de ommekeer voor de loopbaan van Krier in, vrijwel gelijktijdig benaderde de ontwikkelaar MAB (Ton Meijer) Krier om het masterplan te tekenen voor De Resident in Den Haag. Een traject met workshops volgde, waaraan grote architecten deelnamen, zoals Cesar Pelli, Michael Graves, Adolfo Natalani en de Nederlanders Karelse van der Meer, Peter Drijver, Sjoerd Soeters en Gunnar Daan. De Resident is na een kleine acht jaar tekenen en bouwen voltooid, en Krier is al weer vele opdrachten verder, van de Vinex-wijk Brandevoort in Helmond tot de Meander in Amsterdam, een klassieke nederzetting aan de Kostverlorenvaart. Lelystad en Bussum kloppen aan zijn deur.
Ik had niet verwacht dat ik in Nederland zou werken, zegt Krier. Spanje of Italië ja, maar Nederland nee.
'Uw land heeft zich immers bekeerd tot het modernisme. Ik verklaar die belangstelling uit de tolerantie in Nederland. Je wordt hier niet gediscrimineerd als je in een bepaalde stijl bouwt. In Duitsland wel, daar verachten ze je, of noemen ze je fascistisch. Wat me ook is opgevallen is de kracht van de cultuur die je in de Nederlandse en Vlaamse steden aantreft. Deze streek is zo rijk, en dat komt door een vrije samenleving, waarin het parlement al bijna duizend jaar bestaat. Die cultuur is ook geëxporteerd, tot in Amerika toe.
Wat vond U in Nederland tot dusver de interessantste opgave? Mijn werk begon met De Resident in Den Haag, wat natuurlijk zeer spannend was, omdat ik voor het eerst een object onder handen had met een enorme dichtheid. De hele Resident is net zo groot als het Sony Center van Helmut Jahn in Berlijn! Voor De Resident hebben we workshops gehouden onder leiding van rijksbouwmeester Kees Rijnboutt. Toen viel me de transparantie op die in Nederland bestaat, die het mogelijk maakt iets tot stand te brengen. Hoewel aan het masterplan niet zo veel veranderd is, heb ik achteraf wel enkele aanmerkingen. Het had nog wat kleiner verkaveld moeten worden. In de straat tussen het Muzenplein en de Herengracht heeft Karelse Van der Meer geprobeerd een grote verscheidenheid aan te brengen met huizen die verschillen van de ene met andere kant van de straat. Dat was niet nodig geweest, denk ik nu. Die variatie bereik je op een andere manier ook.
Ja, en Natalini is ook wel eens beter op dreef geweest, vind ik. Ik houd er niet van collegas af te vallen, maar wat hij in Groningen gedaan heeft en in Helmond met Boscotondo is beter geslaagd dan op het Muzenplein in Den Haag. Ik had voor dat plein eigenlijk een ander concept. De wanden zouden louter uit herenhuizen bestaan, waardoor er meer variëteit was bereikt dan nu. Het moest geen monumentaal plein worden, er mocht niet het handschrift van een architect zichtbaar zijn. Elk huis had anders moeten zijn. Dat is me bij De Meander in Amsterdam beter gelukt.
Vindt u dat een supervisor ook moet of mag bouwen in zijn eigen masterplan? Daarover bestaat kritiek nu Pi de Bruijn op de Zuidas in Amsterdam het belangrijkste bouwwerk, de Arc, zal neerzetten. Ik zeg altijd tegen een opdrachtgever: als U van mij een masterplan wil, krijgt U ook een gebouw. Het is een pakket, anders doe ik het niet. Voor De Resident heb ik zo de Muzentoren ontworpen. Ik begeleid vaak jonge architecten. Om dat goed te doen, moet je zelf ook actief zijn.
Zoekt U die architecten zelf uit? Dat kan zeer pijnlijk zijn, en ik heb ook veel pech gehad. Bij het nieuwe stadsdeel voor Potsdam, dat tienduizend inwoners krijgt, had ik die mogelijkheid niet. Dan krijg je grote bureaus, zoals Holzbauer of Skidmore, Owings en Merill, mensen die je nooit op de bouwplaats zult tegenkomen, wat volgens mij moet.'
Het probleem van oudere architecten en grote bureaus is dat ze een oud plan uit de la halen en dat afstoffen. Het resultaat is vaak matig.
'' Bij mijn eerste operatie met woningbouwvereniging Het Oosten bij de Sloterplas in Amsterdam stelde ik dan ook voor louter jonge architecten te nemen, tussen de 30 en 37 jaar. Dat hebben ze geaccepteerd. Je kunt als masterplanner beter een jongere generatie leiden, omdat die ontvankelijker en nieuwsgieriger is.
Kun je als stedenbouwkundige nog wel een ambachtelijke manier van bouwen afdwingen? Bij Brandevoort in Helmond werd gezegd dat weinig architecten konden voldoen aan die stijl, omdat ze daartoe niet waren opgeleid. Het is ook moeilijk. Maar aan dat straatje in Borneo/Sporenburg in Amsterdam, waar een serie herenhuizen is gebouwd, kun je zien dat je verschillend en vaktechnisch kunt bouwen. Ik heb het zelf in de Meander ook geprobeerd, omdat ik een gebaar wilde maken naar bewoners. Het moest mogelijk zijn voor vijftien families een eigen huis te ontwerpen, zodat kinderen zich niet kunnen vergissen in de voordeur. Waar ik bij Brandevoort trots op ben, is dat we voor 250 duizend euro al een fatsoenlijk huis konden leveren. Het was voor mij een droom. Toen de eerste fase werd ingewijd, heb ik mijn hele familie meegenomen om het te laten zien. Mijn ouders stonden paf. Ik ben zeer verbaasd dat het gelukt was, want zon oefening heb ik eerder alleen met studenten kunnen doen, omdat je van hen een spontane, natuurlijke, vrolijke en diverse reactie krijgt. Van professionals krijg je dat nooit, en toch is dat bij Brandevoort ook gelukt.
U wilde met Brandevoort het idee van een Brabants dorp overbrengen. Ik zag daar eerder een Belgisch dorp in. Nee!!! Als je in Luxemburg zegt dat iets Belgisch is, is dat een scheldwoord. Oh, is dat in Nederland ook zo? Ze noemen de Belgen tegelbakkers. Dat is zeer gemeen van de Luxemburgers, en ik moet me er ook voor schamen, omdat een deel van mijn familie uit Gent komt. Het is gebaseerd op een verkeerde trots. Voordat we met Brandevoort begonnen, heeft wethouder Jonkers van Helmond ons in een bus rondgeleid langs Nederlandse stadjes zoals Naarden en Heusden. Zo hebben we de mooiste plaatsen bekeken. Als je die steden ziet, dan weet je dat iedereen wel in zon huis zou willen wonen mits hij het zou kunnen betalen. Want die oude huizen hebben zowel aan de voor- als achterkant kwaliteiten die niemand van de hedendaagse ontwerpers kan evenaren.
'Sommigen beweren dat je net zo goed grachtenhuizen kunt kopiëren omdat ze hun waarde bewezen hebben. Ik ben gevraagd huizen aan een gracht in Den Haag te maken, waar nu de hoeren zitten! En in Bussum moet ik een haven reconstrueren met soortgelijke huizen.
Wat is dan het verschil tussen uw grachtenhuis en het oorspronkelijke? Het nieuwe is slechter dan het oude. Het huidige handwerk en de vensters kunnen nooit zo degelijk zijn als het vroegere. Alleen met de installaties zijn we erop vooruit gegaan. Nee, ik geloof niet dat de cultuur op een dood spoor is beland en dat het weldra schluss zal zijn. Het gaat altijd verder, ook de techniek bij het imiteren van kwaliteiten verbetert. Van mijn vader, die kleermaker was, heb ik het handwerk geleerd. Je kunt de snit van een jasje niet zomaar veranderen, want dan zit dat jasje niet meer goed. Dat is een les die je leert. Imiteren betekent niet blindelings kopiëren maar innovatief omgaan met je materiaal. Ik heb mijn vader eens gevraagd een kostuum te maken waar de strepen overdwars in plaats van verticaal liepen. Toen antwoordde hij, jongen, je zult zien wat dat oplevert. En wat gebeurde er? Het kostuum is gemaakt, ik heb het gedragen, maar de stof scheurde op de knieën. Je kunt zoiets dus niet straffeloos maken.
Hoe maak je dan een oud model tegenwoordig beter? Het gaat er minimaal om dat je bewoners een middel geeft om zich ergens mee te identificeren. Dat is de kracht van de oude steden. Ik vind die massaficatie met woningblokken en rijtjeshuizen beledigend voor de mens. Dat kun je vergelijken met het onderbrengen van mensen in kazernes en, in het ergste geval, in concentratiekampen. Die kampen hebben nota bene dezelfde thematiek als de opzet van de moderne woonwijk. Toen ik jong was, was dat mijn belangrijkste drijfveer: ik kwam in opstand tegen de manier waarop onze steden die in de oorlog waren verwoest, werden herbouwd. Dat kon niet waar zijn! Het had niets met ruimtelijke kwaliteiten te doen, niets met de historische erfenis. Het was een vloek die internationaal over elke stad werd uitgesproken. Aannemers maakten zich schuldig aan snel en goedkoop bouwen, zodat ze makkelijk geld konden verdienen.
Inmiddels rijpt het besef dat het verkeerd was en wordt menige binnenstad uit de wederopbouwtijd weer gereconstrueerd. Laat U zich leiden door die historische referenties bij uw architectuur? Dat is de belangrijkste aanwijzing die je hebt, zeker als je hier als reiziger verblijft. In Nederland reageer je anders op de omgeving dan in Zuid-Frankrijk. Daarom bouw ik in Nederland ook het liefst met baksteen, U hebt het gezien met de Meander en in Brandevoort. Baksteen is voor uw land een ongelofelijk geschenk. Voor een minimale kwaliteit heb je al een behoorlijk uitgangspunt, zonder dat je er meteen vorm aan hoeft te geven. In Frankrijk wordt goedkoop gebouwd met beton en kunststof, maar die zijn veel kwetsbaarder. Door een wonder is baksteen in Nederland het goedkoopste materiaal voor de façade en ook nog heel expressief. Daar kunnen ze in Duitsland jaloers op zijn, waar ze vanwege het budget de gevels de laatste jaren met een thermohuid van kunststof hebben bekleed. Als je ertegen aan stoot, heb je een gat, en over een paar jaar kun je het weer vernieuwen. Baksteen is veel duurzamer en hoort bij mijn opvatting van een langzame architectuur. Bouwkunst, het is misschien ouderwets maar zo heb ik het wel in München geleerd, is iets van langere adem. Die beweeglijkheid, het zapgedrag, past niet bij het onbeweeglijke van architectuur.
U bent opgegroeid in Luxemburg. Hebt U daar voorbeelden gehad die U inspireerden, architecten die U bewonderde? Ik woonde zeven jaar in een internaat, in een barokke abdij te Echternach. Kunt U zich voorstellen dat je daarvan niet onder de indruk raakt? Die abdij staat ook nog eens naast een basilica, bijna honderd meter lang, uit het jaar duizend. Dat is voor een klein dorp met enkele honderden zielen een enorme prestatie geweest. Toevallig bouw ik nu voor het eerst in Luxemburg en ook toevallig op het terrein van de kazerne waarin ik zelf gelegerd ben geweest. Die opdracht kreeg ik al in 1991, maar het heeft veel politieke strijd gekost om het gebouw geaccepteerd te krijgen. Het is de cité judiciaire die ik daar ontwerp, en het is het grootste opdracht tot dusver, mijn eerste openbare gebouw. Ik was namelijk altijd met sociale woningbouw bezig! De stad Luxemburg vroeg me om een Paleis van Justitie, maar dat heb ik samen met mijn broer Leon omgebogen in een cité, een kleine stad.