•  

    Het mag een onsje meer zijn

    Wat is het verschil tussen een woonwagen en de villa van Frans Bauer? Vier wielen, meer niet. Dat huis van Bauer, zoals we de afgelopen winter uit en te na hebben mogen bewonderen in zijn televisiesoap, voldoet aan alle smaakvoorschriften van de hedendaagse woonwagen. Bauer wil zijn afkomst als woonwagenbewoner natuurlijk niet verloochenen.
    De scheidslijn tussen de cataloguswoning en de woonwagen is vervaagd. We noteren de volgende gemeenschappelijke kenmerken: witte stenen buitenmuren, een daklijst met sierrand, een schoorsteen met paardenwindwijzer, een witte gebeeldhouwde voordeur, en grenen ramenluiken. Het motto is, zowel binnen als buiten: mag het een onsje meer zijn?
    In zo’n soort behuizing raakten een bevriende psychotherapeute en haar man, een vertaler, terecht. Ze hadden gereageerd op een advertentie waarin een stacaravan aan de kust werd aangeboden voor een schappelijke prijs. De psychotherapeute scharrelde wat onwennig in de caravan rond. Al die spiegels: ze was zichzelf letterlijk kwijt. Haar man had de aanblik van deze barokke overdaad niet kunnen verdragen, en was de duinen ingevlucht.
    Ze hebben het overleefd. Sterker: na een week bekenden ze dat het ‘best wel gezellig was’, dat rode velours.
    Dat is de vrolijke kant van het woonwagenkamp. Pardon, het woord mag niet meer gebezigd worden, lees ik een publicatie van VROM. Het plaatsvervangend hoofd van de Dienst Woonwagenzaken heeft het liever over ‘centra’. Hij erfde de portefeuille begin jaren tachtig van het toenmalige ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Het moest maar eens uit zijn met het brandmerken van woonwagenbewoners als ‘achterstandsgroep’. Vanaf dat moment werd de woonwagen beschouwd als ‘volkshuisvesting’. De ambtenaar: ‘Toen wij het beleid overnamen, was de regel: de centra mochten niet verder dan drie kilometer van de gemeentegrens liggen. Geen goed idee, vonden wij, want we hadden daardoor geen zicht meer op de groepen. Er was ook een isolement ontstaan waarin burgers, maar ook politie het terrein niet meer opdurfden. We hebben toen bepaald dat de woonwagencentra zich in de wijken van de gemeente moesten bevinden en niet te groot mochten zijn.’
    Twintig jaar verder weten we wat de ‘emancipatie’ van de woonwagenbewoner betekent. Elke nieuwe wijk kent zijn rand of strook met pronkstukken, die nog niet zo lang geleden waren verbannen naar de rand van vuilnisbelten of naast viaducten. De woonwagen is deel van de samenleving geworden en daar hoort bij dat er wiet wordt geteeld en belasting wordt ontdoken (anders zwaait er een honkbalknuppel). Hilarisch was het relaas, afgelopen winter, van een echtpaar dat zich verzette tegen de verhuizing van hun wagen van Brabant naar de Veluwe. Het argument luidde dat je nu eenmaal graag tussen je eigen mensen en familie wil blijven. En wij burgers maar denken, dat er nog een tikje nomadisch bloed door de aderen van een woonwagenbewoner stroomde.
    Nee dus, ook in dat opzicht zijn het ‘gewone burgers’ geworden. En dat is te verklaren ook. Mijn secretaresse die zojuist een nieuwe flat in de Haagse wijk Mariahoeve had betrokken, met uitzicht op een van die kleine centra, berichtte enigszins jaloers dat haar overburen onder die witte villa een zwembad hadden aangelegd. De opbrengst van de hennepteelt moet ergens in gestoken worden – en logisch dat er dan niet veel te rijden valt.
    Over het uitzicht van de gesettelde burger op de ‘mobiele’ villaparken, heb ik me wel eens zorgen gemaakt. Is de smaaktolerantie daar tegen bestand? Sinds afgelopen winter weten we het antwoord: ja. Heb je even voor mij wordt overal gedraaid, met of zonder wielen. En Frans Bauer heeft zo zijn heipalen kunnen bekostigen. Hij was de crossover tussen cataloguswoning en woonwagen.