• Kunnen vrouwen bouwen?

    (Ja dus, want het aantal vrouwelijke studenten aan de TU Delft ligt al boven de 50 procent)

    22-05-2007 / artikelen

  •  
    • Nieuw Vennep; Maartje Lammers
    • Huizen in Vijfhuizen van Marlies Rohmer

    De eerste opdracht die Vera Yanovshtchinsky kreeg dankte ze aan het feit dat ze vrouw was. ‘Ik mocht een woningbouwplan in Den Haag maken omdat de wethouder besliste dat vrouwen een kans moesten krijgen. Voor die tijd, twintig jaar geleden, vond ik dat niet zo verkeerd. Ik begon nog maar net. Opdrachtgevers kwamen niet eens op het idee om een vrouw in te schakelen.’ Maar eigenlijk interesseerde haar het man-vrouw-gegeven niet eens. ‘Dat je in die hoedanigheid benaderd werd! Ik vond het moreel verwerpelijk!’
    Voor Maartje Lammers was Francine Houben, architecte bij Mecanoo, een rolemodel. ‘Weinig vrouwen hadden zich in de bouw vastgebeten, behalve zij. Alleen stelde het me weer teleur dat ze er niet van hield om met een helm op en laarzen aan op de bouw te klossen. In die zin zijn er weinig vrouwelijke rolmodellen. En ik wilde juist na twee jaar Koolhaas en zeven jaar Van Egeraat bouwen. Concepten bedenken is hartstikke leuk maar als het op papier blijft, is het alleen geschikt voor de boekenkast. Ik moest en zou de bouw in.’
    Marlies Rohmer dan. Kreeg telefoontjes in de trant van ‘is uw man thuis?’ ‘Die dacht dat ie per abuis een huisadres had gebeld, in plaats van een professioneel bureau.’ In de begintijd ontving ze van de besmuikt lachende bouwvakkers een plat pakketje. ‘Daarin zat dan een pornokalender. Die heb ik gewoon boven mijn bureau opgehangen. Dat hadden ze niet gedacht, zeiden ze toen we een open dag op het bureau hielden.’
    Drie vrouwen in de architectuur die zich niet laten voorstaan op hun vrouwzijn maar op hun capaciteiten. Drie vrouwen die de afgelopen jaren zijn doorgebroken met krachtige projecten (het woord ‘hard’ wordt van tafel geveegd). Ze komen op een vrijdagmiddag bijeen op het kantoor van Marlies Rohmer op het KNSM-eiland in Amsterdam om te spreken over kansen en uitdagingen, over hun helden en opdrachtgevers, en de terreur van beeldkwaliteitsplannen. Verkeert de architectuur misschien in een crisis? Ze merken er zelf alle drie althans weinig van. Vrijheid genoeg. Marlies Rohmer ontwierp een schoolgebouw in Wateringseveld (Den Haag) en een bijzonder woonblok in de Gewild Wonen-wijk van Almere, Maartje Lammers zette drie jaar geleden haar 24h Architecture op nadat ze eerder bij het bureau van Erick van Egeraat onder meer de ING Bank in Boedapest en het popcentrum De Mezz in Breda had ontworpen. Vera Yanovshtchinsky tenslotte herstelde een stuk van de Haagse binnenstad door een parkeergarage in een woon-winkelcomplex te wikkelen. Steeds vaker vallen hun namen in vaktijdschriften, dringen beelden van hun werk door in overzichten. Ze zijn epigonen van een generatie die in de jaren tachtig in Delft afstudeerde en nu aan het oogsten is geslagen. Wegbereiders ook. Op het ogenblik is meer de helft van de studenten aan het oude TU-mannenbolwerk vrouw. De meesten vinden hun weg binnen gemeentelijke apparaten of in maatschappen met cryptische namen, waardoor ze misschien niet zo opvallen. Dat is anders met de drie die ik spreek: ze leiden alle drie hun eigen bureau, van wie twee met 25 man in dienst.
    Zelf studeerden ze bij Rem Koolhaas, Jaap Bakema en Aldo van Eyck. Voor Vera Yanovshtchinksy, vijf jaar ouder dan de andere twee, was Van Eyck de leermeester. ‘Ik heb altijd een grote afstand tot hem gehouden, terwijl anderen adept van hem waren. Zijn benadering als professor vond ik heel plezierig, zijn verhalen ook, zeg maar zijn emotionele kwaliteit. Bracht je verrassende inzichten bij over een plan. Als persoon vond ik hem inspirerend, zijn gebouwen spreken me daarentegen niet zo aan.’ Koolhaas is voor Lammers en Rohmer hors concours. Rohmer: ‘Hij introduceerde een totaal nieuwe richting en gedachtegoed in de architectuur. Stak met kop en schouders boven de anderen uit. De Kunsthal vond ik een enorm fenomeen, nog steeds als ik er doorheen loop.’ Voor Lammers waren zijn schetsen voor het Circustheater, het latere Danstheater in Den Haag, doorslaggevend. Als dat architectuur is, wil ik het vak gaan beoefenen, besloot ze. Na haar studie liep ze twee jaar stage bij OMA (het bureau van Koolhaas). Het was de tijd van de eerste grote projecten, zoals de Seaterminal in Zeebrugge en de Mediatheek in Karlsruhe. Ook de Kunsthal. ‘De uitvoering daarvan was een regelrecht drama. Waarbij Rem altijd riep I’m not interested in detail, terwijl dat natuurlijk wel zo was. Details kun je ook in je voordeel gebruiken.’
    Deze leermeesters afzweren is pas mogelijk als je je zelf zo volgroeid bent, dat je je sterk genoeg voelt om je eigen richting te kiezen. Hoewel Lammers volhoudt: ‘Ik heb Koolhaas geenszins afgezworen, want hij vernieuwt zich zo knap, dat je hem wil blijven volgen. Maar ik wilde een stuk van het vak leren kennen waarin hij pretendeerde geen interesse te hebben, het bouwen.’
    Voordat Yanovshtchinksy aanschuift aan tafel, bespreken we jeugddromen en -ambities. Wat ze eigenlijk wilden worden? In koor zeggen Lammers en Rohmer: diergeneeskunde. Dat lag voor de hand als je in beide gevallen uit een artsennest komt. Maar Lammers haakte af toen ze een van haar ouders in de weekeinddienst moest bijstaan bij het hechten van wonden. ‘Al dat bloed….’ Yanovshtchinsky verwoordt daarna, onkundig van de andere antwoorden, haar jeugdwens. Chrirurg. ‘Dat heeft te maken met het feit dat er voor bêtameisjes weinig andere mogelijkheden waren. Die stroomden vanzelf door naar geneeskunde. Bij huisdieren had ik als enige beeld een aap die over de vla in de koelkast kon lopen. Ik moet dat in een Doris Day-film gezien hebben.’ Het waren de maquettes in de blokkenhal van de TU die Rohmer in de richting van architectuur duwden, nadat ze drie keer voor diergeneeskunde was uitgeloot. ‘Een groot speelparadijs.’ Lammers: ‘Ja, dat speelparadijs was wel leuk, maar het had ook een hoog kleuterschoolgehalte dat me irriteerde. Ik twijfelde toen of ik niet alsnog medicijnen moest doen.’ Yanovshtchinksy woonde voor haar studie aan de TU in Israel, waar ze opgroeide in een landschap met witte dorpen die de heuvels bedekten, totdat de revolutiebouw losbarstte om de stroom immigranten op te vangen. Tussen die verkeerd gebouwde flats en het strand bij Jaffa zag ze de mediterrane villa’s uit het begin van de eeuw. ‘Het ene kon niet, het andere juist wel. Die huizen waren voor mij een openbaring. Goed ten opzichte van de zon gelegen, want koel, met geweldig dikke muren en mooi in het landschap ingebed. Met ommuurde tuinen ter bescherming.’ Dat opende haar ogen voor de architectuur.
    Alle drie gaven ze zich er van tevoren geen rekenschap van dat het vak je leven zou opslokken. Yanovshtchinsky had nog bedacht dat ze geen chirurg wilde worden omdat je dan de kans liep ’s nachts uit bed gebeld te worden. Niet dat het haar als architect overkomt, maar de werkweken zijn wel degelijk lang en onvoorspelbaar. Veertig uur? Ze moet lachen. ‘Je weet niet waar je het over hebt. Dan ben ik met vakantie!’ Lammers: ‘Ik heb een dochter van 8 die deels bij mij en deels bij haar vader is. Als ze niet bij mij is, bestaat de 40-urige werkweek niet. Is ze er wel, dan wel. Daar leer je mee leven.’ Als er een reden is dat vrouwen de bouw afwijzen of hun carrière op een laag pitje zetten, is het vanwege die druk. Met een gezin valt het bijna niet te combineren.
    Bestaat er zoiets als vrouwelijke architectuur? Nee, besluiten ze, hoewel Rohmer vindt dat vrouwen anders communiceren dan mannen, zich persoonlijker opstellen. ‘Ik heb nog eens nagevraagd op het bureau hoe men tegen mij aankijkt en dan antwoorden ze: je communiceert als een man. Ik dacht nog dat ik in de persoon achter de collega en opdrachtgever geïnteresseerd was en minder formeel zou overkomen, maar dat schijnt een misverstand te zijn.’ Vrouwelijke architectuur, beslissen we, is een non-item. Wat niet wil zeggen dat je je als architect onderscheidt. Yanovshtchinsky: ‘Gebouwen van Marlies herken ik onmiddellijk aan de manier waarop ze materialen toepast, de aandacht voor het detail of de oplossing die ze gekozen heeft. Maar wat nou mijn eigen handschrift is? Dat verschilt per opdracht en per plaats.’
    In een breed veld van getalenteerde architecten moet je een eigen identiteit zoeken. Rohmer doet dat, zegt ze, door de laatste tijd alles over jongerencultuur te verzamelen ten behoeve van de scholen die ze bouwt. ‘Neem het verschijnsel dikke kinderen. Of de angst van ouders om hun kinderen het verkeer in te laten gaan. Kinderen mogen niet meer vallen, krijgen angst om te bewegen. In de VS worden ze in zonwerende pakken op een schoolreisje gestuurd. Ik wil laten zien dat klimmen en bewegen leuk is en verwerk dat in een sporttoren met klimwand in het hart van de school.’ Vera zoekt op haar manier het unieke in elke opgave. In Ijburg verschijnt van haar een blok woningen met een strenge voorzijde aan de Ijburglaan en een meer informele achterkant die grenst aan een ecologische zone. Het zijn de mooiste buitenruimtes die ze ooit heeft bedacht, vindt ze, met dakterrassen van vijf bij vijf. Omdat de opgave in de richting ging van een beetje apenrots, moest het helemaal apenrots worden. ‘Een behoorlijke rots. Zoiets daagt me uit.’
    De krachtige architectuur van Vera en Marlies verschilt van de meer vloeiende, organische vormen waar Maartje Lammers op uitkomt. Golvende betonnen panelen als gevel voor een blok jongerenwoningen in Nieuw-Vennep. ‘Ik ben op zoek naar iets anders, naar aaibare architectuur. Mooi oud worden is ook een issue dat me boeit, net zoals verfijning en detaillering. Men denkt dat je daarin vanwege het budget niet meer slaagt, maar als je nieuwe productiemethoden inzet voor oude materialen, kan het wel degelijk. Ik wilde in die nieuwbouwwijk in Nieuw-Vennep een mooi, duurzaam ensemble. In wezen zijn het hondenhokken van 60 vierkante meter, het gevolg van ons sociaal woningbouwprogramma. Als je dan zo’n ordinair materiaal als beton combineert met een kleur en je laat de op de computer berekende mallen uit een blok mdf fresen, dan krijg je iets onderscheidends wat niet eens duurder hoeft te zijn dan een plat betonnen paneel. Ik beleef de lol van de aannemers die eerst twijfelden en nu reuze trots zijn op dit project, en op het jonge stel dat blij is als het voor het eerst de sleutel in het slot steekt.’ En dan dat ‘hok’ bekleedt met Ikea-laminaat en vult met begonia’s.
    Nu ze hun vruchten plukken van grote (woningbouw)projecten, komt de herinnering aan de eerste opdracht weer op. De spreekwoordelijke dakkapel voor Rohmer. ‘Ik begon op mijn 28e en keek in de gele gids onder de P van projectontwikkeling waardoor ik bij de ABNAMRO uitkwam. Voor hen mocht ik als freelancer kantoren in het buitenland maken.’ Toen Yanovshtchinsky onmiddellijk 74 woningen in de stadsvernieuwing kon ontwerpen, merkte dat ze daar niet op berekend was. ‘We deelden een kantoor met anderen en ontdekten dat we geen behoorlijke koffiekopjes hadden om de opdrachtgever te ontvangen. Hebben nog gauw een vergaderzaal opgekalefaterd. Volgens mij heb ik nog nooit zo gebluft.’ Lammers ook. ‘Als dertigjarige moest ik de ING-vestiging in Boedapest realiseren, een karwei van bloed, zweet en tranen in een apenland. Daar blufte ik zo, want die aannemers zagen je al aankomen als beginneling.’ Vera: ‘Mijn Nederlands was in het begin niet geweldig. Ik las in het reglement punt A en Ad. En vroeg: wie is Ad? Daarna behandelde ik de meest elementaire dingen met een stalen gezicht.’
    Inmiddels hebben ze die aanloopperikelen overwonnen, bouwen ze in binnensteden en Vinex-locaties, waar ze te maken krijgen met een onstilbare behoefte aan nostalgische architectuur waarvan de stedenbouwkundige Rob Krier zo ongeveer het symbool is. Is het vak in een crisis terechtgekomen? Rohmer: ‘Nou, je krijgt rare vragen. Zo werden we onlangs gevraagd om gevels te plakken tegen een stedenbouwkundig concept. Dat vind ik echt nieuw. We informeerden nog bij de opdrachtgever of we een nieuw concept mochten bedenken en of het goed was dat in te zenden, maar hij zei gedecideerd: daarmee diskwalificeer je je zelf. We hebben het toch gedaan en de selectie gehaald, een bewijs dat je inmiddels voldoende kracht en vrijheid hebt opgebouwd om je zo te presenteren.’ Dat gevels plakken kent Yanovshtchinsky ook, net zoals het voorschrift om in een bepaalde stijl te bouwen of met een specifiek beeld aan te komen. Ze verkeerde eens in het gezelschap van vijf verschillende architecten met hun tegengestelde opvattingen. ‘Wat moet je dan? Weten jullie niet wat jullie willen, vraag ik dan? Want je kunt niet in vijf verschillende stijlen bouwen.’ Met Krier heeft ze via een Europese aanbesteding te maken, waardoor ze in de nieuwe wijk van Leidsche Rijn, Vleuterweide, een complex woningen toebedeeld heeft gekregen. Het eerste onderhoud was prettig, een open en erudiet man, maar voor het volgende houdt ze haar hart vast. Dat zal vast niet zo ontspannen verlopen als het eerste gesprek. Op haar bureau ontstond de discussie of je als architect wel moet meewerken aan Brandevoort, de wijk van Krier bij Helmond waar een Brabants dorp is gekopieerd. ‘Iedereen roept nee, omdat het leugenachtig is. Achter de gekopieerde facades zit immers een standaard plattegrond met vastgestelde plafondhoogte.’ Lammers: ‘Ik denk dat het mogelijk moet zijn zo’n wijk op een eigentijdse manier vorm te geven. Als dat zou kunnen, zou ik meedoen. Niet letterlijk kopiëren maar wel interpreteren.’
    De retrotrend beheerst ontegenzeggelijk de bouw, constateren ze. Het aantal stedenbouwkundige plannen dat Rohmer in bezit heeft, waarvan de beelden al vastliggen en waar een architect alleen nog een gevel voor hoeft te bedenken, zijn ontelbaar. ‘Dan denk je, het is er toch al? Moeten we het nog een keer overdoen?’
    Hoe zijn de ambities nu afgesteld, twintig jaar na dakkapel en sociale woningbouw? ‘Ik ben toe aan een nieuwe sprong’, besluit Rohmer. ‘Ik ben jaloers op de Amerikaanse mentaliteit die ervan uitgaat dat je het kunt als je denkt dat je het kunt. Wat typerend is voor vrouwen, is dat ze oplopen tegen dat glazen plafond. Daar zou ik graag doorheen willen schieten en een museum, bank, rechtbank of station willen bouwen. Moet je nagaan: doen we mee aan een tender, vragen ze een politieverklaring van goed gedrag en een bewijs van de omzet van de afgelopen jaren.’ ‘Bij sommige opdrachten denk ik: die schud ik uit mijn mouw’, zegt Yanovshtchinsky. ‘Ik wil steeds opnieuw uitgedaagd worden. Iets nieuws en fris, dat kan ook de tiende of honderdste woningbouwopgave zijn. Maar via de Europese aanbesteding komen toch plotseling grote projecten op ons af, zoals een sportcentrum in de Bijlmer.’
    Rohmer verbaast zich erover dat mannen die grote klussen wel in de wacht slepen, zoals Meyer en Van Schooten die na het ING House nu belast zijn met Rotterdam Centraal en de herontwikkeling van Babylon in Den Haag. Hoe doen ze dat toch? Onderonsjes met de ING-directie, manoeuvres in het old boy’s network? ‘Om me zelf scherp te houden, heb ik besloten meer nevenfuncties te doen, zitting nemen in welstandscommissie of supervisor in de westelijke tuinsteden. Ik ben niet zo iemand die recepties afgaat en daar de directeur van ING aan zijn jas trekt.’
    Yanovshtchinsky nuchter: ‘Ik heb nog nooit een opdracht via het borrelcircuit gekregen.’
    Dus zal het op eigen kracht en met eigen talent verder moeten.