• Pieken en dalen in Almere

    Studie naar hoogbouw en mobiliteit in de jongste stad van Nederland

    12-02-2007 / documenten

  •  

    Pieken en dalen:
    Hoog en mobiel in Almere

    De bewoners van de Fantasie in Almere hebben een voordeel en een probleem. Het terrein is in de loop der jaren helemaal door groen overwoekerd, terwijl desondanks het uitzicht op het Weerwater gehandhaafd is gebleven. Een fraaiere idylle kun je het niet bedenken. Het probleem is hoe het architectonisch experiment vanaf de A6 te bereiken. De TomTom biedt geen uitkomst, die raakt zelfs geheel in verwarring als je die kant uit wil. Keer om, bestemming bereikt, dat zijn de boodschappen waarmee de automobilist het bos in wordt gestuurd. De bewoners zelf zijn uiteraard de beste raadgevers. ‘Zet de auto maar op de parkeerplaats voorbij de McDonalds en wandel van daaruit over de Limburgsebrug naar de Fantasie.’
    Omdat het aantal bewoners in de Fantasie overzichtelijk is, maakt die moeilijke bereikbaarheid weinig uit. Daar valt mee te leven. Ingewikkelder is het om uit Almere-Haven te ontsnappen. Wie vanuit het haventje terug wil naar de A6, heeft de kans in een duizelingwekkend doolhof verzeild te raken, op wegen die almaar veranderen in woonerven, doodlopende kades of die plotsklaps ophouden. Het kan zelfs voorkomen dat je ten einde raad maar een fietspad neemt, hopende dat je niet stuit op een (te laag) tunneltje.
    Mobiliteit, met andere woorden, is een dagelijks terugkerend vraagstuk in Almere dat min of meer voortvloeit uit de polynucleaire structuur van de stad. Elke kern heeft zijn eigen betekenis en zijn eigen ontsluiting, zodat het een hele klus wordt om vanuit Almere-Stad rechtstreeks te rijden naar Almere-Buiten. Zo’n directe verbinding ontbreekt eveneens tussen Stad en Haven. Fietsers nemen hun eigen route, de busbaan kent een status aparte, de automobilisten worden gedwongen rondjes te rijden, met als ongewenste situatie dat de A6 voor een deel tevens dienst doet als rondweg – terwijl het een doorgaande route moet zijn. Dan is er niet in de laatste plaats de belangrijkste afslag, tevens aanvoerroute naar het centrum. Die hebben stedenbouwkundigen, onder wie de stadsbouwmeester Francine Houben, al gebrandmerkt als een entree via de achterdeur, gesteld dat de automobilisten vanaf de Hollandse Brug komen aanrijden. Het nieuwe, hoge centrum van Almere lonkt, maar niet als een Lorelei. Er moeten nog vele kilometers worden afgelegd om dat doel te bereiken.

    Dolende chauffeurs
    Na 30 jaar is het zaak de verkeersstructuur van Almere opnieuw onder de loep te nemen, zeker nu de ambitie leeft om uit te groeien tot de vijfde stad van Nederland. Dezelfde dagelijkse realiteit laat een verstopte A6 richting Amsterdam zien, maar ook dolende chauffeurs op de Hoge Ring die zich moeilijk kunnen oriënteren. Het overzichtelijke polderlandschap heeft plaatsgemaakt voor een gulzige natuur die het zicht op de stad wegneemt. En als er plotseling op de A6 wel zicht is, is er te veel afleiding: het onaffe kasteel Almere dat ineens aan de rechterkant opdoemt, de skyline ter linkerzijde die door zijn spectaculaire veranderingen de aandacht opeist. Het zijn de groeipijnen van een volwassen wordende stad, die zich doen voelen. Met als intrigerende gedachte in het achterhoofd dat Almere, anders dan veel oudere steden, is gepland voor auto-, fiets- en langzaam verkeer.
    Toch wringt het. Van A naar B rijden is niet altijd de logische route – er is begin jaren tachtig gekozen voor een systeem waarbij de verkeersveiligheid voorop stond. Die is gegarandeerd. Maar is het stelsel ook begrijpelijk en hanteerbaar? Niet als bedacht wordt, dat het autoverkeer in dertig jaar tijd veel meer is toegenomen dan was gedacht en misschien nog wel meer doordat elke kern zijn eigen stedenbouwkundige opzet heeft gekregen: Almere is een staalkaart van stromingen in de Nederlandse planologie waaraan het verkeer ondergeschikt is gemaakt. De busbaan fungeert daarbij regelmatig als een spoorbaan die wijken in tweeën snijdt, waardoor chauffeurs soms enorme slingers moeten maken om ‘de overkant’ te kunnen bereiken.

    Waar ben ik?
    Is er een uitweg voor de weg? In de studies naar een bevredigende verkeersafwikkeling heeft stadsbouwmeester Francine Houben een aantal voorstellen in gedachten, die Almere beter zou moeten ontsluiten. Het langzaam verkeer is daarvan voorlopig uitgesloten, het busverkeer lijkt een item voor nader onderzoek – de voorlopige conclusie luidt dat het busbanenstelsel wel werkt maar dat het tracé vooral langs achterkanten loopt en dus allesbehalve model kan zijn voor mobiliteitsesthetiek. De busbaan, zoals die nu fungeert, laat Almere niet op zijn fraaist zien en werkt evenmin mee aan inzicht in de stadsstructuur. Regelmatig ontstaat het gevoel ‘waar ben ik?’
    Cruciaal in de mobiliteitsesthetiek volgens Houben is de functie die de Hoge Ring en de A6 nu innemen in de Almeerse structuur. De Hoge Ring verheft zich op sommige plekken zodat de automobilist even overzicht heeft om dan vervolgens weer omlaag te duiken en zijn weg te vervolgen tussen geluidswallen en bosschages. Rijdend over de ringweg van Almere zijn er een paar uitzichtpunten die dan ook helpen bij de oriëntatie. Dat is het panorama over de vlakte waar Almere Poort moet gaan verrijzen, en verder over de Noorderplassen, het Weerwater, het sportpark aan de noordwestkant van Stad en de rand van Almere-Buiten met de Rooie Donders als landmark. Het rondje Almere, zou je kunnen concluderen, lijdt aan een zekere halfslachtigheid, omdat het een strikte rondweg noch een duidelijke ontsluitingsweg is, soms open, dan weer gesloten. Een van de voorstellen luidt: groen kappen, om op deze manier de automobilist meer helderheid te verschaffen.

    Scenario’s
    Maar het belangrijkste plan is om de Hoge Ring en de A6 een eigen identiteit te geven. Daarvoor liggen de volgende scenario’s op tafel:
    1. Als Bosweg – de Hoge Ring is ingebed in een groenstructuur, die hier en daar wordt onderbroken. Op strategische plaatsen, de toegangswegen naar bepaalde wijken, geven markante gebouwen of objecten aan waar de verkeersgebruiker zich bevindt. Dat kunnen torens zijn, maar ook opmerkelijke sculpturen.
    2. Als Parkweg – de A6 tussen Poort en Buiten wordt opgevat als een Amerikaans getinte parklane omzoomd door parken waartoe de aanzet al is gegeven (zoals bij het Kromslootpark en het Kasteelpark). Het Weerwater wordt als blauw element onder de A6 doorgetrokken, verliest een van zijn eilanden – dat is het moment dat de parkweg even ‘openscheurt’.
    3. Als Steenweg – de Hoge Ring wordt analoog aan de Belgische aanvoerwegen naar stedelijke centra opgevat als een aaneenschakeling van voorzieningen, verdeeld in een take away-strip, een tune-up strip (elektronica, communicatie), een boerderette-strook, autoshowrooms, meubelshowrooms en alles wat niet op zijn plaats is in het stadshart. De Steenweg is een voor Nederland onbekend fenomeen: het is de koppeling tussen een snelweg en een provinciale weg die het verkeer beter sorteert dan in de bestaande toegangswegen.
    4. Als Boulevard – de A6 verandert in een boulevard met een parallelweg voor langzaam verkeer gemarkeerd door publieksvoorziengen, van een casino tot een dierentuin, van een beursgebouw tot een ecoviaduct. De Boulevard is een weg van twee snelheden, een voor het bestemmingsverkeer met meer afslagen, de ander voor het doorgaande verkeer.

    Radialen
    In aansluiting op de vervolmaking van het verkeerswegennet rond Almere stelt de stadsbouwmeester voor het systeem van radialen uit te voeren tussen Almere en de kust. De kuststrook is het grootste geheim van Almere omdat er geen visuele connectie bestaat. Niettemin is het mogelijk om de resterende groenstroken om te toveren tot avenues, geïnspireerd op de Diagonal in Barcelona of het stervormige stratenpatroon van Karlsruhe. Zo kunnen er royale avenues aangelegd worden tussen Almere-Stad en de Muiderhoek in het toekomstige stadsdeel Pampus, maar ook tussen Almere-Buiten en het Oostvaardersdiep. Op deze radialen is de kust al voel- en zichtbaar, te vergelijken met de Scheveningseweg in Den Haag waar aan het eind de vlag van het Kurhaus wappert.
    Twee andere radialen moeten het stadscentrum directer verbinden met de andere kernen. Tussen Almere-Stad en Buiten lijkt een rechtstreekse lijn op de kaart niet onoverkomelijk: er zullen hooguit enkele sportvelden verplaatst moeten worden, hoewel herverdeling van sportvelden vroeg of laat toch nodig is, onder meer door de ontwikkeling van Almere-Hout. Ook de verbinding tussen Stad en Haven verdient verbetering – Haven is net als de kuststrook een verborgen element in de stedenbouwkundige structuur. Tussen ‘het Oog’ en Almere-Haven lijkt er een rechtstreekse toegangsweg geen belemmering, problematischer wordt het om die door te trekken naar Almere-Stad, omdat die daar doodloopt op het westelijk deel van de vernieuwde binnenstad. In een eerdere visie heeft OMA voorgesteld een nieuwe, bredere toegangsweg langs de oever van het Weerwater aan te leggen.
    Met de profilering van het wegenverkeersnet hangt de esthetiek nauw samen. Er kan nog zo veel karakter of identiteit worden gegeven aan de Ring, als die aan weerszijden wordt overwoekerd door anonieme ‘dozen’, is het saldo nul. Dan rijd je nog door een omsloten landschap. Om die reden is al in een eerder stadium vastgesteld dat de ‘ribbeltjesdoos’ bij de entree van de polder geen pas geeft, zeker niet omdat zowel bij de A6 als A27 de polder zich ontvouwt aan de automobilist als hij de brug afrijdt. Met name bij dit soort panorama’s komt het erop aan een zo zorgvuldig mogelijke architectuur te bedrijven waar het accent ligt op de wanden en het dak – de eerste aanblik is immers een dakenlandschap. Hoe cruciaal het vrijhouden van de wegen is, is te zien in Almere-Buiten waar een strook is vrijgehouden tussen de A6 en de woonwijk met zijn woontorens. Daar ademt de stad, daar is de ruimte niet dichtgemetseld.

    Bakens
    De mobiliteit en de functie van hoogbouw zijn sterk aan elkaar verbonden. Torens zijn immers de bakens waarop de verkeersgebruiker zich kan richten. Hoe sterk dat effect werkt, bewijzen de Rooie Donders en de woontoren Panoramique aan de rand van Almere-Buiten. Komend vanuit het noorden weet je dat Almere begint, vanuit het zuiden zijn ze het het sein dat de polder er aankomt.
    In de analyse van de bestaande hoogbouw luidt de conclusie dat torens in Almere als incident zijn neergezet, in ieder geval zonder een duidelijk vooropgezet plan. Panoramique bijvoorbeeld was gepland aan de westkant van Almere-Buiten met uitzicht op het Markermeer maar werd na protest van omwonenden richting de A6 verplaatst. Het kasteel was een particulier initiatief op die plek, zonder dat de gemeente zich daar sterk mee heeft bemoeid. En zo is er een reeks torens ontstaan die tamelijk inconsequent in het landschap staan, Sirene (Almere-Haven), Silverline en de Rabotoren in Stad en het eerder genoemde Panoramique en Kasteel Almere.
    Net als bij de mobiliteitsesthetiek wordt het tijd voor een coherente visie op hoogbouw in de stad. Daarbij kunnen twee uiteenlopende modellen als voorbeeld dienen: Rotterdam en Amsterdam. In Rotterdam concentreert de hoogbouw zich in het centrum, tussen Weena en Maas, en laten de torens zich beschouwen als een bos. Kijkend over de Kralingseplas ontvouwen zich zo de Dutch Mountains aan de horizon. Amsterdam is door zijn historische binnenstad met torens uitgeweken naar de periferie: hoogbouw fungeert er als een eigentijdse stadspoort. De torens staan bij de Zuidas, bij Sloterdijk, aan het IJ, bij het Amstelstation en in de toekomst ook bij het Buikslotermeerplein. Ze worden gecombineerd met een openbaar vervoerknooppunt.
    Voor Almere ligt een hybride model in het verschiet, iets tussen de Dutch Mountains en de stadspoorten in. Hoogbouw staat gelijk met een oriëntatiepunt en zal zich manifesteren in twee centra, Stad en Poort, maar ook bij een paar toegangswegen: de kruising van de A6 en de A27, het toekomstige Almere-Pampus en de entree van Flevoland bij Poort. Een congestie van torens wordt met name verwacht in het nieuwe stadshart, waar Silverline en de Rabotoren langzamerhand gezelschap krijgen van andere hoogbouw. Dit past bij een stedelijke omgeving en dichtheid. Onduidelijk is vooralsnog wat het karakter van de hoogbouw in Almere-Poort zal zijn omdat een concurrentie tussen twee betrekkelijk nabijgelegen centra als onwenselijk wordt beschouwd. Ze zouden eerder complementair aan elkaar moeten zijn.
    Waarom zou Almere eigenlijk woon- of kantoortorens nodig hebben, is een vraag die aan alles voorafgaat? Daar zijn twee antwoorden op. In een platte stad die Almere is – een brij van lage huizen – zijn juist de uitschieters die de stad op sommige plekken een gezicht geven. Ze kunnen dienst doen als accentueringen bij verkeersknooppunten, bij afslagen en bij stationsgebieden. Hoe essentieel een verticaal accent is, bewijst de Sirene aan het Gooimeer in Almere-Haven. Haven ligt betrekkelijk onzichtbaar in het groen verstopt, waaruit juist de Sirene opspringt. Bedoeld als vuurtoren, maar met het effect van een kerktoren. Er is ook een psychologisch argument ten gunste van hoogbouw: die toont een zeker zelfbewustzijn aan, dat de stad ook echt stad is geworden en niet langer een verzameling suburbia. Hoogbouw staat gelijk met allure, met volwassenwording, met een metropolitain karakter. Dat kan weer invloed hebben op de economische aantrekkingskracht. In zo’n stad wil je je bedrijf vestigen.
    Hoe is hoogbouw te definiëren? Of liever gezegd: wanneer is er sprake van hoogbouw? Bij 35, 65, 95 of pas bij 115 meter? Omdat de natuur zo dominant is geworden in de polder, wordt de grens van een volwassen boom aangehouden: dat wil zeggen dat een gebouw vanaf 35 meter hoogte zich mag rekenen tot de categorie hoogbouw. Zo vallen er verschillende composities te maken, van een gelijk volume dat zich vanaf het maaiveld verheft tot een piramidale vorm, die naar het midden toe de hoogte in schiet. De piramidevorm begint zich al te manifesteren in het nieuwe stadshart.

    Conclusie
    In de visie van de stadsbouwmeester zouden de kernen van het toekomstige Almere zich moeten manifesteren met Dutch Mountains, waardoor ze in het vlakke landschap herkenbaar zijn, Pampus, Poort, Stad, Haven en Buiten. Er moet een consequente koers worden gevaren die afwijkt van het huidige beleid dat op toeval lijkt te berusten. Tussen dat eindeloze laagland worden de pieken op een logische en directe manier met elkaar verbonden, rekening houdend doorgaand of bestemmingsverkeer. De A6 als halve ringweg past in zo’n model niet langer. Op strategische plekken wijkt het groen en komt Almere in zicht – niet verstopt, raadselachtig of onverzichtelijk zoals nu het geval is, maar als een zelfbewuste metropool. Een plek waar je zou willen zijn en naar toe willen gaan, in plaats van een stad die je vooral doet zuchten. Hoe kom ik er en hoe kom ik er ook weer vandaan? Want dat is de dubbele boodschap die een stad moet uitstralen, zowel voor bezoekers als voor zijn inwoners.