• Het nieuwe Damrak en Rokin van Amsterdam

    Hoe gaat de openbare ruimte eruit zien?

    16-01-2007 / lezingen, debatten en jurering

  •  
    • Nieuwe verlichting op de gracht: sfeervol maar onveilig
    • De Nieuwmarkt: de hekken zijn gelukkig weg
    • Speicherstadt Hamburg, zo kunnen kades en straten ook.

    Misschien is het het grootste geheim van Amsterdam, dat ik nu ga verklappen, maar de bijnaam voor het Damrak is de Rode Loper naar de stad.
    Rode Loper. Wat betekent dat? Dat is, begreep ik, onlangs weer eens bij het bezoek van president Poetin aan Amsterdam, het stuk tapijt dat voor het huis van de burgemeester wordt uitgerold en om de minuut door trouwe lakeien van herfstbladeren wordt ontdaan.
    Ooit een stadswacht met een bladzuiger op het Damrak gezien? Nou dan.
    Trouwens; de kleur rood. Ja, toen de bijenkorfvormige tegels er net lagen, waren ze rood, maar nog geen jaar later was het pigment door al die schoenzolen zo weggetrapt dat ik er niet direct een kleur bij zou kunnen bedenken. De bestrating is bovendien zo regelmatig vervangen dat het eerder een lappendeken dan een rode loper is geworden.
    Een Rode Loper is een stuk tapijt dat je uitrolt voor je chique gasten. Je wilt imponeren, misschien zelfs wel bluffen. Alles is mooier dan het lijkt. We zullen het met elkaar eens zijn dat dat voor het Damrak niet opgaat. Een Antwerpse Keyserlei of een Berlijnse Kurfurstendamm is die 500 meter niet. Dat komt natuurlijk door de neringdoenden die er zo ongeveer de goedkoopste en lawaaierigste gevelborden hebben uitgestald – maar dat is een zaak voor de wethouder gevelreclame, stadsdeel binnenstad. We beperken ons tot de stoep, het meubilair en de verlichting.
    De verkommerde indruk wordt veroorzaakt door dat versleten tapijt en de opdringerige lantaarnpalen en prullenbakken. Ze worden – en dat is het heuglijkste nieuws dat ik u vanavond al vast kan brengen – afgevoerd naar het Museum van de Mislukte Vormgeving. Daar zullen ze in het gezelschap zijn van de hekken van de Nieuwmarkt, die op dit moment worden afgevoerd. Ik pleit ervoor dat van alle stukken straatmeubilair een exemplaar bewaard blijft. Opdat we in lengte van dagen kunnen aanschouwen wat het postmodernisme voor Amsterdam heeft opgeleverd.

    Hoe komt het dat Amsterdam het aflegt tegen andere Nederlandse steden, ik noem Groningen. Enschede en ’s-Hertogenbosch. Velen zullen zeggen: daarmee mag je Amsterdam niet vergelijken. Dat heeft een internationale status. Op een willekeurige dag schijnen er 20 duizend mensen over het Damrak te lopen, heb ik me wel eens laten vertellen, een aantal dat het Enschedese van Heekplein hooguit in een kwartaal haalt.
    Dat neemt niet weg dat ik wel eens bevangen wordt door enige afgunst als ik door Hamburg, Kopenhagen of Antwerpen loop. De royale pleinen met de luxueuze banken van hout of roestvrij staal, de aangename bestrating die er nooit pokdalig uitziet of de lantarenpalen die als schijnwerper of als schemerlamp fungeren. Zet daar eens de versleten rode loper, de schots en scheve Amsterdammertjes en de gebutste lantarenpalen tegenover – evenals de altijd uitpuilende prullenbakken.
    Ik kan maar drie verklaringen vinden voor dit tafereel: ten eerste: er is kwalitatief te weinig geinvesteerd in de openbare ruimte. Ten tweede: de nutsbedrijven verzieken met opzet het werk van de ontwerpers en stratenmakers door de stoep open te hakken zodra die net keurig is geplaveid. Ten derde: Amsterdam krijgt van alle grote steden het meest hufterige publiek op visite voor wie je niet eens een rode loper wil uitrollen. Laten we het op het laatste houden, dan hoeven we de schuld niet bij ons zelf te zoeken.

    Wat kunnen we ervan leren? Door toch te kijken hoe andere steden het doen of gedaan hebben, zoals Hamburg; Speicherstadt, te vergelijken met ons Entrepotgebied: opmerkelijk zijn de niveauverschillen in dat gebied, loopbruggen over de straten heen en de inrichting van de kades. Of Kopenhagen met heel terughoudende vormgeving, en eenheid in materialen en meubilair.
    Of neem ’s-Hertogenbosch: een interessante afwisseling tussen openbaar en prive-gebied in het paleiskwartier en een menging van groen en steen.
    Zet daar de Dam eens tegenover waar de kermis telkens zoveel schade achterlaat dat je de vraag moet stellen of je daar wel kermis moet houden. De Portugese keitjes zijn kennelijk niet opgewassen tegen de vetten en smeerolie die de attracties achterlaten.

    Toch is dit geen klaagverhaal over Amsterdam. Er is namelijk ook veel goed werk verricht sinds pakweg 1990. Een van de opvallendste verbeteringen is het nieuwe grachtenprofiel waardoor we verlost zijn van de grauwe betonklinkers en de scheve paaltjes. Op het stukje Herengracht bij het NIOD is er onlangs een nieuwe semihistorische lantarenpaal geintroduceerd die een helder licht werpt op de straat, waarvan automobilisten en voetgangers profiteren.
    Dat is een grote stap vooruit.Juist die verlichting op de gracht is een van de zorgenkindjes van de stad. De verlichting staat langs de gracht en niet langs de gevels; het gevolg is dat je op sommige plaatsen langs donkere gevels moet schuifelen. Geen wonder dat met name toeristen dan maar de rijweg nemen, om het zekere voor het onzekere te kiezen. Als ik zakkenroller was zou ik the dark side of the street kiezen. Niemand die je ziet.

    Verbeterd zijn ook sommige pleinen zoals de Westermarkt en eigenlijk ook de Dam, zeker als het gaat om verlichting en de aanlichting van de beelden, en het rustige meubilair. Prijzenswaardig is dat er een lantarenpaal is gevonden die nou eens niet uitnodigt tot alternatieve fietsenstalling. Daar staan dan minder geslaagde voorbeelden tegenover. Hebt U wel eens een poging gedaan per fiets vanaf de Spuistraat de richting van het Spui te kiezen? Daar is een verkeerspleintje geschapen dat je met gemak het ingewikkeldste van Nederland zou kunnen noemen. Trams, taxi’s, fietsers en voetgangers houden elkaar in gijzeling: wie neemt of krijgt voorrang?
    Dat is een zaak voor verkeerskundigen en niet voor ontwerpers. Maar ik neem toch aan dat een ontwerper een situatie moet bedenken waar de gebruikers van de openbare ruimte hun voordeel mee kunnen doen. Het zou mooi zijn als een plein als het Spui er alleen zou zijn voor flaneerders en wandelaars, maar zo zit het toevallig niet in elkaar; er moeten ook nog trams en auto’s langs.
    In deze gecompliceerdheid verschilt Amsterdam inderdaad van Groningen of Enschede.

    Terwijl de aanleg van de Noord-Zuidlijn in volle gang is en Damrak, Rokin en Vijzelgracht niet eens de kans krijgen het predikaat Rode Loper te dragen, wordt duidelijk wat het actuele vraagstuk van de openbare ruimte is. De vormgeving daarvan heeft in alle opzichten een tijdelijk karakter. We moeten laveren langs rood-wit gekleure Lego-stenen of langs vervaarlijke grijs-betonnen buffers, zijn veroordeeld tot fantasieroutes en dito oversteekplaatsen terwijl het plaveisel nog mottiger is dan anders. Hebt U de laatste tijd wel eens de Leeuwarderweg in Amsterdam-Noord bereden? Het Verkeerspark in Assen is er niets bij.
    Daar ligt dus een taak voor ontwerpers. Het zou voor een dynamische stad als Amsterdam een uitdaging moeten zijn over een openbare ruimte te beschikken die flexibel is, zich kan aanpassen aan het wisselend gebruik – en dan heb ik het niet alleen over de tijdelijke overlast van de metro-aanleg. Immers, tijdelijk was ook de profilering en aankleding van Damrak en Nieuwmarkt. Het is na vijftien jaar al afgeschreven.

    Wat valt er te zeggen over de nieuwe vormgeving van het Centraal Station tot aan de Weteringschans, het parcours dat deels de loop van de Amstel volgt en tussen Munt en Pijp bestaat uit een verkeersas. Dat zijn, zoals de ontwerpers terecht hebben ingezien, geheel verschillende sferen. Over het Rokin loop je, over de Vijzelgracht rijd je. Dus is het eerste stuk rood en bestaat het patroon op straat uit een visgraatmotief van een gemeleerde steen. Het mag geen tomatensoep worden, heb ik me laten vertellen. Het tweede stuk is grijs van tint, dat aansluit bij het natuursteen van de bordessen van grachtenhuizen en en de trottoirbanden.
    Het woord gezellig wordt volgens mij nooit gebezigd bij de openbare ruimte, wel zoiets als ‘aangenaam verblijven’ of ‘een huiskamer van de stad’, maar het lijkt er verdacht veel op dat Damrak, Beursplein, Rokin en Turfmarkt iets gezelligs krijgen terwijl de Vijzelgracht er eerder iets afstandelijks en gedistingeerder gaat uitzien. Ik zie iepen terugkeren langs de Turfmarkt en op het Rokin, ik zie bedriegertjes als fonteinen op die plek en ik zie een subtiele vertekening in het plaveisel die aangeeft waar de tram rijdt, waar de auto’s en waar de fietsers. Hoe graag iedereen dat wil, een vernieuwde gracht zit er niet in, zelfs geen betonnen waterbak, want daarvoor moet er al te veel in de grond gestopt worden, zoals een station en een dubbele parkeerlaag. Dat had de gemeente eerder moeten bedenken, en daarvoor waren bovendien nog eens extra miljoenen nodig geweest.
    Het wordt prachtig, maar een rode loper wordt het niet. En dat is maar goed ook. Dat zou te pretentieus zijn, iets dat niet goed past bii het ‘doe maar gewoon dan doe je al goed genoeg-mentaliteit van Amsterdam. Dus geen chique quasi-historische lantarens op het Damrak maar een hanglamp aan een snoer boven de rails. Is dat niet wat schraal? Ik heb me laten overtuigen dat er niet veel alternatieven zijn. Zodra de trambaan wordt omzoomd met een rij lantarenpalen, verdwijnt het uitzicht vanuit de stad op het Centraal Station. Dit is dus een dilemma waar een ontwerper mee moet worstelen: wat is belangrijker, de loop op het zicht?
    En dan is er nog een ander strijdpunt, die tussen de droom en de daad. Artist impressions zijn altijd reuze goed in staat een ideaalbeeld te schetsen, het visgraatmotief op het trottoir dat er frietzakvrij bijligt, het keurige gedrag van fietsers en auto’s, de straten zonder Easy Jet-hooligans. In alle tekeningen voor de openbare ruimte heb ik nog geen rustplaats voor de fiets gezien – en toch is dat het Amsterdams grootste kopzorg. Onlangs nog eens een poging gedaan het Muntplein te betreden op weg naar de Kalverstraat, nr. 21 op de wereldranglijst van de duurste winkelstraten? Het moet U alleen zijn gelukt met blauwe plekken en vloekende mede-consumenten.
    Nee, Amsterdam is geen Hamburg of Barcelona, geen Enschede of ’s-Hertogenbosch. Het is geen openluchtmuseum zoals Praag, het kan niet eens de chique meneer spelen als Parijs door een rode loper uit te leggen. Misschien is een catwalk al ambitieus genoeg.