•  
    • Het statement van Koolhaas aan de Spree
    • De nieuwe ambassade in Berlijn

    Hoe onvolmaakter en naargeestiger de stad, hoe meer Rem Koolhaas zich er
    als een vis in het water voelt. In Amsterdam heeft de architect en
    stedenbouwkundige daarom niets te zoeken. Er is een kuisheidsgordel om het
    pittoreske centrum getrokken waardoor iedere lust uit de
    hoofdstad is verdwenen. Er bestaan in dit gratis openluchtmuseum dan ook weinig
    noemenswaardige ontwerpen van zijn naam. Het grootste is
    Byzantium, het woon-werkcomplex aan het Vondelpark, maar dat beschouwt hij
    zelf als een knieval aan de ontwikkelaar en een smet op zijn blazoen. Het
    krijgt een voetnoot in S, M, L, XL, zijn monumentale bijbel uit 1995.
    Koolhaas (1944) is vooral gefascineerd door de lelijke, gebombardeerde
    metropool. De miljoenenstad die kruipt tussen en onder snelwegen, die
    massa's burgers van het platteland moet opvangen, die haar erfgoed opruimt
    ten behoeve van megacomplexen. Razendsnel voltrekt die transformatie zich,
    met name in China. Niet toevallig bevindt zich daar het brandpunt voor
    Koolhaas omdat de nieuwe stad zo ongeveer dagelijks wordt uitgevonden en
    gebouwd. Groot is de
    drang naar een tabula rasa, een schoon wit vel waarop je helemaal opnieuw
    kunt beginnen. Een visionaire uitvinder als Koolhaas moet daarbij zijn - en dat is hij. Ook
    al niet toevallig: de architect met een media- en filmverleden, is
    uitgekozen om het gigantische hoofdkwartier van de Chinese staatstelevisie
    te bouwen dat de Olympische Spelen van 2008 in Peking glans moet verlenen.
    De artist's impressions spreken welhaast van een nieuw Babylon, een
    mythische poort, licht getordeerd van vorm. Het is de overtreffende trap in
    het genre poortgebouwen waarvan de Grande Arche in de Parijse wijk La
    Défense de voorlopig laatste was. Dat was een symbolische wenk naar de Arc
    de Triomphe, het complex van CCTV, de Chinese staatszender, is een
    verwelkoming van de nieuwe tijd. De moderne tijd in China zal vanaf de
    opening van dat gebouw pas echt beginnen.
    Gewonde steden, daarin slaat Koolhaas zijn slag. Steden met een
    geboorteafwijking, zoals Almere, zijn ook een kolfje naar zijn hand. Almere sleurt hij de eenentwintigste eeuw in met een nieuw
    centrum. Daar kan straks het winkelend publiek laveren langs popcentrum en
    waterplein, in diagonale straten die gewoonlijk zijn gebouwen doorkruisen.
    De Nigeriaanse ex-hoofdstad Lagos analyseerde Koolhaas met zijn studenten van
    de Harvard University, als hét voorbeeld van de geplaagde metropool. Koolhaas
    stelde daarover vast, kort samengevat, dat het geen Afrikaanse stad was die
    'op weg is naar een moderne stad op een geldige Afrikaanse manier, maar een
    stad in de voorhoede van de globaliserende moderniteit.' Geen
    stedenbouwkundig plan kwam te pas aan deze 'nachtmerrie-achtige chaos',
    desondanks functioneert zij. Wat Koolhaas boeit aan Lagos is de
    junkspace, de verloren ruimte tussen architectuur en stedenbouw - ook dat is
    een thema dat hij op verschillende plaatsen in de wereld heeft bestudeerd.
    Junkspace symboliseert de wanhoop van metropolen die proberen modern te
    bouwen maar niet modern zijn.
    Zijn ‘reddingswerk’ voor het verpauperde Noord-Franse Lille betekende begin jaren
    negentig zijn doorbraak als kosmopolitisch architect, een XL-project zoals het in zijn latere boek zou voorkomen. Lille, voorspelde hij, moest het middelpunt
    zijn van een nieuw Europa op een kruispunt van hogesnelheidslijnen. Een plek
    waar Europeanen een concert van Frank Sinatra zouden kunnen bijwonen, waar
    ze hun bestemming gingen kiezen: Parijs? Londen? Berlijn? Amsterdam? Euralille is geen stad in de strikte betekenis van het woord. Het is een
    kunstmatig ontmoetingspunt dat enigszins losstaat van het oude centrum. Dat
    verkeerde in 1990 nog in verval, maar is door het succes van het
    nabijgelegen Euralille uit zijn lethargie gehaald. Lille is dit jaar, 2004,
    de culturele hoofdstad van Europa. Dat moet iedereen verbazen die getuige
    was van de staat waarin het zich tien jaar geleden nog bevond.
    De meest traumatische stad op het Europese continent is ongetwijfeld
    Berlijn. Platgeslagen in de laatste dagen van de oorlog en daarna
    gevierendeeld en door midden gesneden: als er een stad is waar Koolhaas zijn
    vleugels moest uitslaan, was het Berlijn wel. Toch raakte hij daar na de val
    van de Muur zo gedesillusioneerd over de reconstructie van de Potsdamer
    Platz dat het tot een hoogoplopend conflict met het stadsbestuur leidde. Met
    termen als banaal, dilettantisch en burgerlijk veegde hij de plannen van
    tafel. De smaak van de Berlijner zou weerspiegeld moeten worden in het
    nieuwe hart, vond het stadsbestuur, niet de smaak van de elite. Koolhaas
    heeft, helaas, gelijk gekregen. De Potsdamer Platz is een zeldzame etalage
    van grootkapitaal geworden. De architectuur is van een gladgestreken
    esthetiek die Koolhaas een gruwel moet zijn.Het was daarom een verrassing dat hij alsnog in Berlijn ging bouwen, ver van
    de Potsdamer Platz, in het oude regeringscentrum van de voormalige DDR aan
    de oevers van de Spree. Koolhaas kreeg een ereprijs: de Nederlandse
    ambassade. Het belang van deze opdracht moet niet worden gebagatelliseerd.
    Van de Nederlandse gebouwen in het buitenland is de Berlijnse residentie met
    Washington de belangrijkste diplomatieke vertegenwoordiging, omdat Duitsland
    onze belangrijkste handelspartner is. Bovendien zou het als een belediging
    zijn opgevat als Nederland zich er met een 'jantje-van-leiden' zou hebben
    afgemaakt. Ook andere Europese landen hebben zich uitgesloofd. De ambassades
    van Oostenrijk en Frankrijk bijvoorbeeld zijn gebouwd door 'sterren' als
    Hans Hollein en Jean Nouvel.Toch verbleken die sterren bij de ambassade van Office for Metropolitan
    Architecture (OMA). Begrippen als transparant en open zijn allemaal van
    toepassing maar schieten te kort. De kubus (27 x 27 x 27 meter) luidt een
    nieuw hoofdstuk in de architectuur in, te vergelijken met markeerpunten uit
    het oeuvre van Le Corbusier. De belangrijkste trouvaille is het parcours dat
    als een wervelkolom door het gebouw loopt, volledig uitgevoerd in geborsteld
    aluminium. Niet de kolommen lijken zoals gebruikelijk de constructie te
    dragen, maar deze 'promenade architecturale'. Het leverde Koolhaas afgelopen
    jaar de architectuurprijs van de stad Berlijn op én een dozijn lovende
    kritieken, wat de gedachte voedt dat het vertrouwen weer is hersteld. Met
    deze ambassade is Berlijn de eenentwintigste eeuw binnengestapt,
    complimenteerde de pers. Over details heeft Koolhaas in het verleden wel eens snerende uitspraken
    gedaan ('geen geld, geen detail'), in Berlijn wemelt het ervan. Hij had nu duidelijk veel budgettaire armslag en kon
    over bekwame vaklieden beschikken. Behalve de handgrepen zijn het dikke
    deuren die wegvallen in de wand of openschuiven na een druk op de knop - een
    James Bond-decor is er niets bij - en de groene glazen vloer waarop je even
    buiten het gebouw boven de straat loopt. Dan zijn er nog de onverwacht
    opduikende panoramavensters waarin Berlijn zich met de Fernsehturm en de
    Spree laat bewonderen. Lopen wordt zo een avontuurlijke beklimming. Aldo van Eyck zei ooit: het huis is een kleine stad. Voorgangers van hem
    streefden ernaar van stoel naar stad te ontwerpen. Welnu, de ambassade van
    Koolhaas ís een miniatuurstad. Het oplopende parcours is
    een voortzetting van de straat - de opmaat naar het aluminium traject is een
    geteerde hellingbaan - met kantoren aan weerszijden. Koolhaas lapte op een
    pikante manier ook nog eens de Berlijnse bouwtraditie aan zijn laars die min
    of meer voorschrijft dat gebouwen rondom een binnenhof zijn gevormd. Dat
    geeft de stad zo'n gesloten aanzien. In plaats daarvan liet hij ruimte open
    tussen de ambassade zelf en de dienstwoning erachter, die overigens met
    bruggen is verbonden met het hoofdgebouw. Het moet als een hint opgevat
    worden hoe de stad opener en lichter kan. De vorm van de kubus wordt versterkt zodra je hem manipuleert. Happen eruit,
    uitsteeksels of uitsneden - ze komen in Berlijn allemaal voor. De skybox bij
    de kamer van de ambassadeur is van die ingrepen de meest in het oog
    springende, ‘een puist’ voor lunches en vergaderingen. Het verhaal gaat dat er een veel
    ondeugender ontwerp op tafel lag, een fallus van de kunstenaar Joep van
    Lieshout met wie Koolhaas nauw samenwerkt. Er was opluchting toen die 'om
    technische redenen' moest sneuvelen. De skybox duikt al eerder op in een van de vroegste werken van OMA, zoals
    in de uitbreiding van de koepelgevangenis van Arnhem uit 1978. Dat kan
    geconstateerd worden op de expositie Start in het NAi is
    geopend. Het hele archief van OMA uit de periode 1978-1994 is als een open
    depot in de Grote Zaal opgesteld en opvraagbaar. Het hoort tot de tien grootste
    architectuurarchieven van Nederland. Die puist was er dus al. Het idee
    hierachter was dat gedetineerden hun bezoek búíten en toch
    binnen de muren van de gevangenis moesten kunnen ontvangen.Dat lijkt een geste van een humaan architect - maar Koolhaas lijkt eerder
    gedreven te worden door ontwikkelingen in de wereldeconomie dan door laagbijdegrondse functionaliteit. De mens moet zich maar aanpassen aan zijn gebouwen. Het is een grote haat-liefdeverhouding.
    Bezwaren tegen de slechte akoestiek in de ambassade wuift hij daarom weg, furieus
    wordt hij over de klachten van de almaar lekkende daken in de Rotterdamse
    Kunsthal. Sterren zijn niet makkelijk, anders zouden ze geen sterren zijn
    geworden. Het is een veel gehoorde theorie die voor Koolhaas zeker opgaat.
    Vragen pareert hij met dodelijke tegenvragen. Een verslaggever van het
    Algemeen Dagblad die het in Berlijn waagde iets te vragen over het gebrek
    aan comfort in de woningen achter de ambtswoning van de ambassadeur, beet
    hij terug met: 'Voor welke krant schrijft u eigenlijk?' Vervolgens
    antwoordde hij niets meer.
    Weglopen of wegblijven is ook een truc die hij graag toepast. Zoals er een lijn zit in zijn gedrag - inconsequentie kun je hem niet
    verwijten - zo loopt er een verrassend rechte lijn tussen dat vroege
    gevangenisontwerp naar de ambassade. Nu het oeuvre van OMA/Koolhaas bij
    elkaar is gezet, de oogst van zesentwintig jaar, wordt het handschrift pas
    duidelijk - de lijn kent als ijkpunten de S, de M, de L en de XL uit het
    gelijknamige boek. Kubus, ellips, kegel, driehoek en rechthoek zijn daarbij
    de constanten, waarop eindeloos wordt gevarieerd. Koolhaas breekt ze in het
    hart open, laat ze kantelen of kerft er hellingbanen in. Het sterkst blijkt
    dat uit zijn ontwerp voor de Rotterdamse Kunsthal, geopend in 1992, dat als
    een mijlpaal in zijn carrière kan worden beschouwd. De maquette laat een
    volmaakt vierkant zien, dat doorsneden is met diagonalen: een is de passage annex toegang, de andere de wigvormige daktuin, tevens scheiding tussen de expositieruimten. Koolhaas zelf noemt het een van zijn sterkste gebouwen,
    omdat rauwe materialen op een complexe manier aan elkaar geklonken zijn.
    'Bovendien volg je door het hele gebouw heen een parcours dat het idee van
    verschillende verdiepingen doorbreekt,' zei hij in 1999 in
    NRC Handelsblad. De promenade in de ambassade is dus niet nieuw, maar een
    logisch vervolg op de Kunsthal. Koolhaas vindt zichzelf telkens opnieuw uit.Het openbreken van de geometrische vorm, met skyboxen, overhangende serres en
    hellingbanen, heeft veel jonge talenten die bij OMA werkten, op een idee
    gebracht. De Villa VPRO of het Minnaert-gebouw hadden vermoedelijk nooit
    zonder OMA kunnen ontstaan. De wortels van die architecten liggen dan ook
    bij het bureau van Koolhaas. Winnie Maas (MVRDV, Villa VPRO) en Willem Jan
    Neutelings (Minnaert) liepen zich daar warm. Neutelings voorzag in de jaren
    tachtig de ontwerpen van OMA zelfs van stripachtige tekeningen die het
    modernisme van toen een ironische ondertoon gaven. In een fase eerder
    verbeeldde Koolhaas' echtgenote Madelon Vriesendorp de fantasieën van de
    architect, onder meer opgenomen in zijn standaardwerk uit 1978 Delirious New
    York. Die surrealistisch getinte aquarellen getuigden van een stedelijk utopia, dat critici tot het verwijt bracht dat OMA een ‘papieren architectuur’ bedreef. In werkelijkheid was dat toen nog zo. Pas met de coup die het Danstheater vanuit Scheveningen naar Den Haag bracht en ook nog in een gedwongen huwelijk met de Anton Philipszaal, raakte OMA dat vooroordeel kwijt. Inmiddels verspreidt OMA zich mondiaal, als een goedaardige ziekte. Twintig jaar oud zijn de schetsen van dat Danstheater nu, vrolijke El
    Lissitzky'-achtige composities die ver af staan van de huidige praktijk. Een
    van zijn allereerste scheppingen, de plectrumvormige luifel van de bushalte
    in Rotterdam, zal verdwijnen als het Centraal Station
    van Rotterdam verandert in een groot vervoersknooppunt. OMA was
    kandidaat voor dit project maar kreeg de opdracht niet. Er is voor Koolhaas
    echter een aardig alternatief: ook Den Haag CS krijgt een nieuw uiterlijk.
    Daarvoor heeft Koolhaas een fantasievol sculpturaal gebouw op poten
    geschetst dat zich over het stationscomplex heen vlijt. Het zou Den Haag
    twintig jaar na het Danstheater opnieuw een bijzondere OMA-creatie kunnen
    opleveren. Maar er is voor Koolhaas meer dan architectuur. Zoals hij in het recent
    verschenen boek Content schrijft: 'Architectuur is een verwarrende
    mengelmoes van oude kennis en hedendaagse praktijk, een onhandige manier om
    naar de wereld te kijken en een inadequaat medium om er aan te werken.' In
    1996 deed hij 'zijn' OMA over aan bouwkundig bedrijf De Weijer om zich
    letterlijk creatief vrij te kopen. Sindsdien verricht hij het ontwerpen van
    gebouwen als een aangetrokken consultant en rest hem meer tijd voor
    analyses. Minstens zo belangrijk voor hem is het initiatief dat hij kort
    daarop begon, AMO, het spiegelbeeld van OMA. AMO is het platform voor
    onderzoeksprojecten naar maatschappelijke verschijnselen zoals winkelen,
    bevolkingsconcentraties in de regio Hongkong of de mogelijkheid van een
    Schiphol in zee. De denkbeelden van AMO overstijgen architectuur en
    stedenbouw, want Koolhaas betrekt er mode, fotografie, beeldende kunst en
    grafische vormgeving bij.
    Is de toren voor de Chinese staatstelevisie strikt genomen nog 'traditionele'
    architectuur, met de analyse van het modemerk Prada begeeft Koolhaas zich op
    het interessante snijvlak tussen 'branding' en 'statistische gegevens'. Het
    verzamelen van die data is een van de pijlers in het onderzoek van AMO omdat
    het bureau het ontwerpproces stuurt. Bij Koolhaas zou je kunnen zeggen:
    zonder data geen ontwerp (of een variëteit aan ontwerpen). In opdracht van Miucca Prada verrichtte hij een onderzoek naar het
    verschijnsel mode, winkelketens en identiteit. Voor Koolhaas is het even
    belangwekkend om zich te verdiepen in de paskamer als het materiaal voor de
    gevel, of de uitstalling van kledingstukken en accessoires. In New York heeft dat geresulteerd in een winkel met een brede, luie trap
    waarop de producten zich voordoen als museale objecten. Dat is de
    geraffineerde uitkomst van zijn analyses: ze weerspiegelen een tijdgeest
    waarin niemand meer zeker is wat museaal en wat commercieel is. Wat publiek
    domein is of het verlengstuk daarvan. Dat is weer te zien bij het
    Prada-epicentrum dat je kunt opvatten als een catwalk die doorloopt vanaf de
    straat voorbij de pui. Ook dat parcours is weer een variant op het traject
    door de ambassade of de trap annex auditorium in de Kunsthal. Dat is het
    paradoxale van een architect die de toekomst omarmt. Hij laat je lopen en
    laat de lift links liggen. Tenslotte Koolhaas zelf. Op de eerste pagina's van S, M, L, XL staat een
    diagram met de namen van de vele OMA-medewerkers en de projecten waaraan het
    bureau heeft meegewerkt. Na de verschijning van dat boek in 1995 kan dat
    diagram vermoedelijk een zelfstandig boek beslaan, zo wijd heeft dat werk
    zich vertakt over de wereld. Alleen al in dit jaar, wanneer Koolhaas zestig
    jaar wordt, komen er weer twee ijkpunten in het oeuvre bij, de Casa di
    Musica in Porto en de bibliotheek van Seattle. Voor Porto analyseerde
    Koolhaas het zintuig luisteren, in Seattle maakte hij een studie naar lezen
    en digitale informatieverwerking. De lijst medewerkers lijkt bij elk project
    eindeloos. Ook 'het boekwerk Berlijn' wordt afgesloten met de credits van
    een omvangrijk team. Het wettigt de vraag waar Koolhaas zelf is, wat zijn
    betekenis en inbreng zijn? Getuigenissen van zijn medewerkers reppen
    van een onvermoeibaar discours, waarin niet het geven van antwoorden voorop
    staat, maar het stellen van vragen. Soms irriterende tegenvragen. Want
    Koolhaas zweert bij ongemak en spanning, omdat dat klimaat volgens
    hem het beste resultaat oplevert. Het is de confrontatie met de lelijkheid
    die hem uitdaagt, bruut tegenover verfijnd. Ook daarvan is de Nederlandse
    ambassade een toonbeeld. Boven de mooie schone betonnen wanden plaatst hij
    roosters in het plafond waarachter de sprinklerinstallaties en tl-bakken in
    het zicht blijven.Als iets het handschrift van Koolhaas kenmerkt, is het die wrijving waardoor
    leken zich soms ergeren aan zijn gebouwen, en deskundigen juist opgetogen
    raken.