Het ongemak van Rem Koolhaas
12-01-2007 / artikelen
12-01-2007 / artikelen
Hoe onvolmaakter en naargeestiger de stad, hoe meer Rem Koolhaas zich er
als een vis in het water voelt. In Amsterdam heeft de architect en
stedenbouwkundige daarom niets te zoeken. Er is een kuisheidsgordel om het
pittoreske centrum getrokken waardoor iedere lust uit de
hoofdstad is verdwenen. Er bestaan in dit gratis openluchtmuseum dan ook weinig
noemenswaardige ontwerpen van zijn naam. Het grootste is
Byzantium, het woon-werkcomplex aan het Vondelpark, maar dat beschouwt hij
zelf als een knieval aan de ontwikkelaar en een smet op zijn blazoen. Het
krijgt een voetnoot in S, M, L, XL, zijn monumentale bijbel uit 1995.
Koolhaas (1944) is vooral gefascineerd door de lelijke, gebombardeerde
metropool. De miljoenenstad die kruipt tussen en onder snelwegen, die
massa's burgers van het platteland moet opvangen, die haar erfgoed opruimt
ten behoeve van megacomplexen. Razendsnel voltrekt die transformatie zich,
met name in China. Niet toevallig bevindt zich daar het brandpunt voor
Koolhaas omdat de nieuwe stad zo ongeveer dagelijks wordt uitgevonden en
gebouwd. Groot is de
drang naar een tabula rasa, een schoon wit vel waarop je helemaal opnieuw
kunt beginnen. Een visionaire uitvinder als Koolhaas moet daarbij zijn - en dat is hij. Ook
al niet toevallig: de architect met een media- en filmverleden, is
uitgekozen om het gigantische hoofdkwartier van de Chinese staatstelevisie
te bouwen dat de Olympische Spelen van 2008 in Peking glans moet verlenen.
De artist's impressions spreken welhaast van een nieuw Babylon, een
mythische poort, licht getordeerd van vorm. Het is de overtreffende trap in
het genre poortgebouwen waarvan de Grande Arche in de Parijse wijk La
Défense de voorlopig laatste was. Dat was een symbolische wenk naar de Arc
de Triomphe, het complex van CCTV, de Chinese staatszender, is een
verwelkoming van de nieuwe tijd. De moderne tijd in China zal vanaf de
opening van dat gebouw pas echt beginnen.
Gewonde steden, daarin slaat Koolhaas zijn slag. Steden met een
geboorteafwijking, zoals Almere, zijn ook een kolfje naar zijn hand. Almere sleurt hij de eenentwintigste eeuw in met een nieuw
centrum. Daar kan straks het winkelend publiek laveren langs popcentrum en
waterplein, in diagonale straten die gewoonlijk zijn gebouwen doorkruisen.
De Nigeriaanse ex-hoofdstad Lagos analyseerde Koolhaas met zijn studenten van
de Harvard University, als hét voorbeeld van de geplaagde metropool. Koolhaas
stelde daarover vast, kort samengevat, dat het geen Afrikaanse stad was die
'op weg is naar een moderne stad op een geldige Afrikaanse manier, maar een
stad in de voorhoede van de globaliserende moderniteit.' Geen
stedenbouwkundig plan kwam te pas aan deze 'nachtmerrie-achtige chaos',
desondanks functioneert zij. Wat Koolhaas boeit aan Lagos is de
junkspace, de verloren ruimte tussen architectuur en stedenbouw - ook dat is
een thema dat hij op verschillende plaatsen in de wereld heeft bestudeerd.
Junkspace symboliseert de wanhoop van metropolen die proberen modern te
bouwen maar niet modern zijn.
Zijn reddingswerk voor het verpauperde Noord-Franse Lille betekende begin jaren
negentig zijn doorbraak als kosmopolitisch architect, een XL-project zoals het in zijn latere boek zou voorkomen. Lille, voorspelde hij, moest het middelpunt
zijn van een nieuw Europa op een kruispunt van hogesnelheidslijnen. Een plek
waar Europeanen een concert van Frank Sinatra zouden kunnen bijwonen, waar
ze hun bestemming gingen kiezen: Parijs? Londen? Berlijn? Amsterdam? Euralille is geen stad in de strikte betekenis van het woord. Het is een
kunstmatig ontmoetingspunt dat enigszins losstaat van het oude centrum. Dat
verkeerde in 1990 nog in verval, maar is door het succes van het
nabijgelegen Euralille uit zijn lethargie gehaald. Lille is dit jaar, 2004,
de culturele hoofdstad van Europa. Dat moet iedereen verbazen die getuige
was van de staat waarin het zich tien jaar geleden nog bevond.
De meest traumatische stad op het Europese continent is ongetwijfeld
Berlijn. Platgeslagen in de laatste dagen van de oorlog en daarna
gevierendeeld en door midden gesneden: als er een stad is waar Koolhaas zijn
vleugels moest uitslaan, was het Berlijn wel. Toch raakte hij daar na de val
van de Muur zo gedesillusioneerd over de reconstructie van de Potsdamer
Platz dat het tot een hoogoplopend conflict met het stadsbestuur leidde. Met
termen als banaal, dilettantisch en burgerlijk veegde hij de plannen van
tafel. De smaak van de Berlijner zou weerspiegeld moeten worden in het
nieuwe hart, vond het stadsbestuur, niet de smaak van de elite. Koolhaas
heeft, helaas, gelijk gekregen. De Potsdamer Platz is een zeldzame etalage
van grootkapitaal geworden. De architectuur is van een gladgestreken
esthetiek die Koolhaas een gruwel moet zijn.Het was daarom een verrassing dat hij alsnog in Berlijn ging bouwen, ver van
de Potsdamer Platz, in het oude regeringscentrum van de voormalige DDR aan
de oevers van de Spree. Koolhaas kreeg een ereprijs: de Nederlandse
ambassade. Het belang van deze opdracht moet niet worden gebagatelliseerd.
Van de Nederlandse gebouwen in het buitenland is de Berlijnse residentie met
Washington de belangrijkste diplomatieke vertegenwoordiging, omdat Duitsland
onze belangrijkste handelspartner is. Bovendien zou het als een belediging
zijn opgevat als Nederland zich er met een 'jantje-van-leiden' zou hebben
afgemaakt. Ook andere Europese landen hebben zich uitgesloofd. De ambassades
van Oostenrijk en Frankrijk bijvoorbeeld zijn gebouwd door 'sterren' als
Hans Hollein en Jean Nouvel.Toch verbleken die sterren bij de ambassade van Office for Metropolitan
Architecture (OMA). Begrippen als transparant en open zijn allemaal van
toepassing maar schieten te kort. De kubus (27 x 27 x 27 meter) luidt een
nieuw hoofdstuk in de architectuur in, te vergelijken met markeerpunten uit
het oeuvre van Le Corbusier. De belangrijkste trouvaille is het parcours dat
als een wervelkolom door het gebouw loopt, volledig uitgevoerd in geborsteld
aluminium. Niet de kolommen lijken zoals gebruikelijk de constructie te
dragen, maar deze 'promenade architecturale'. Het leverde Koolhaas afgelopen
jaar de architectuurprijs van de stad Berlijn op én een dozijn lovende
kritieken, wat de gedachte voedt dat het vertrouwen weer is hersteld. Met
deze ambassade is Berlijn de eenentwintigste eeuw binnengestapt,
complimenteerde de pers. Over details heeft Koolhaas in het verleden wel eens snerende uitspraken
gedaan ('geen geld, geen detail'), in Berlijn wemelt het ervan. Hij had nu duidelijk veel budgettaire armslag en kon
over bekwame vaklieden beschikken. Behalve de handgrepen zijn het dikke
deuren die wegvallen in de wand of openschuiven na een druk op de knop - een
James Bond-decor is er niets bij - en de groene glazen vloer waarop je even
buiten het gebouw boven de straat loopt. Dan zijn er nog de onverwacht
opduikende panoramavensters waarin Berlijn zich met de Fernsehturm en de
Spree laat bewonderen. Lopen wordt zo een avontuurlijke beklimming. Aldo van Eyck zei ooit: het huis is een kleine stad. Voorgangers van hem
streefden ernaar van stoel naar stad te ontwerpen. Welnu, de ambassade van
Koolhaas ís een miniatuurstad. Het oplopende parcours is
een voortzetting van de straat - de opmaat naar het aluminium traject is een
geteerde hellingbaan - met kantoren aan weerszijden. Koolhaas lapte op een
pikante manier ook nog eens de Berlijnse bouwtraditie aan zijn laars die min
of meer voorschrijft dat gebouwen rondom een binnenhof zijn gevormd. Dat
geeft de stad zo'n gesloten aanzien. In plaats daarvan liet hij ruimte open
tussen de ambassade zelf en de dienstwoning erachter, die overigens met
bruggen is verbonden met het hoofdgebouw. Het moet als een hint opgevat
worden hoe de stad opener en lichter kan. De vorm van de kubus wordt versterkt zodra je hem manipuleert. Happen eruit,
uitsteeksels of uitsneden - ze komen in Berlijn allemaal voor. De skybox bij
de kamer van de ambassadeur is van die ingrepen de meest in het oog
springende, een puist voor lunches en vergaderingen. Het verhaal gaat dat er een veel
ondeugender ontwerp op tafel lag, een fallus van de kunstenaar Joep van
Lieshout met wie Koolhaas nauw samenwerkt. Er was opluchting toen die 'om
technische redenen' moest sneuvelen. De skybox duikt al eerder op in een van de vroegste werken van OMA, zoals
in de uitbreiding van de koepelgevangenis van Arnhem uit 1978. Dat kan
geconstateerd worden op de expositie Start in het NAi is
geopend. Het hele archief van OMA uit de periode 1978-1994 is als een open
depot in de Grote Zaal opgesteld en opvraagbaar. Het hoort tot de tien grootste
architectuurarchieven van Nederland. Die puist was er dus al. Het idee
hierachter was dat gedetineerden hun bezoek búíten en toch
binnen de muren van de gevangenis moesten kunnen ontvangen.Dat lijkt een geste van een humaan architect - maar Koolhaas lijkt eerder
gedreven te worden door ontwikkelingen in de wereldeconomie dan door laagbijdegrondse functionaliteit. De mens moet zich maar aanpassen aan zijn gebouwen. Het is een grote haat-liefdeverhouding.
Bezwaren tegen de slechte akoestiek in de ambassade wuift hij daarom weg, furieus
wordt hij over de klachten van de almaar lekkende daken in de Rotterdamse
Kunsthal. Sterren zijn niet makkelijk, anders zouden ze geen sterren zijn
geworden. Het is een veel gehoorde theorie die voor Koolhaas zeker opgaat.
Vragen pareert hij met dodelijke tegenvragen. Een verslaggever van het
Algemeen Dagblad die het in Berlijn waagde iets te vragen over het gebrek
aan comfort in de woningen achter de ambtswoning van de ambassadeur, beet
hij terug met: 'Voor welke krant schrijft u eigenlijk?' Vervolgens
antwoordde hij niets meer.
Weglopen of wegblijven is ook een truc die hij graag toepast. Zoals er een lijn zit in zijn gedrag - inconsequentie kun je hem niet
verwijten - zo loopt er een verrassend rechte lijn tussen dat vroege
gevangenisontwerp naar de ambassade. Nu het oeuvre van OMA/Koolhaas bij
elkaar is gezet, de oogst van zesentwintig jaar, wordt het handschrift pas
duidelijk - de lijn kent als ijkpunten de S, de M, de L en de XL uit het
gelijknamige boek. Kubus, ellips, kegel, driehoek en rechthoek zijn daarbij
de constanten, waarop eindeloos wordt gevarieerd. Koolhaas breekt ze in het
hart open, laat ze kantelen of kerft er hellingbanen in. Het sterkst blijkt
dat uit zijn ontwerp voor de Rotterdamse Kunsthal, geopend in 1992, dat als
een mijlpaal in zijn carrière kan worden beschouwd. De maquette laat een
volmaakt vierkant zien, dat doorsneden is met diagonalen: een is de passage annex toegang, de andere de wigvormige daktuin, tevens scheiding tussen de expositieruimten. Koolhaas zelf noemt het een van zijn sterkste gebouwen,
omdat rauwe materialen op een complexe manier aan elkaar geklonken zijn.
'Bovendien volg je door het hele gebouw heen een parcours dat het idee van
verschillende verdiepingen doorbreekt,' zei hij in 1999 in
NRC Handelsblad. De promenade in de ambassade is dus niet nieuw, maar een
logisch vervolg op de Kunsthal. Koolhaas vindt zichzelf telkens opnieuw uit.Het openbreken van de geometrische vorm, met skyboxen, overhangende serres en
hellingbanen, heeft veel jonge talenten die bij OMA werkten, op een idee
gebracht. De Villa VPRO of het Minnaert-gebouw hadden vermoedelijk nooit
zonder OMA kunnen ontstaan. De wortels van die architecten liggen dan ook
bij het bureau van Koolhaas. Winnie Maas (MVRDV, Villa VPRO) en Willem Jan
Neutelings (Minnaert) liepen zich daar warm. Neutelings voorzag in de jaren
tachtig de ontwerpen van OMA zelfs van stripachtige tekeningen die het
modernisme van toen een ironische ondertoon gaven. In een fase eerder
verbeeldde Koolhaas' echtgenote Madelon Vriesendorp de fantasieën van de
architect, onder meer opgenomen in zijn standaardwerk uit 1978 Delirious New
York. Die surrealistisch getinte aquarellen getuigden van een stedelijk utopia, dat critici tot het verwijt bracht dat OMA een papieren architectuur bedreef. In werkelijkheid was dat toen nog zo. Pas met de coup die het Danstheater vanuit Scheveningen naar Den Haag bracht en ook nog in een gedwongen huwelijk met de Anton Philipszaal, raakte OMA dat vooroordeel kwijt. Inmiddels verspreidt OMA zich mondiaal, als een goedaardige ziekte. Twintig jaar oud zijn de schetsen van dat Danstheater nu, vrolijke El
Lissitzky'-achtige composities die ver af staan van de huidige praktijk. Een
van zijn allereerste scheppingen, de plectrumvormige luifel van de bushalte
in Rotterdam, zal verdwijnen als het Centraal Station
van Rotterdam verandert in een groot vervoersknooppunt. OMA was
kandidaat voor dit project maar kreeg de opdracht niet. Er is voor Koolhaas
echter een aardig alternatief: ook Den Haag CS krijgt een nieuw uiterlijk.
Daarvoor heeft Koolhaas een fantasievol sculpturaal gebouw op poten
geschetst dat zich over het stationscomplex heen vlijt. Het zou Den Haag
twintig jaar na het Danstheater opnieuw een bijzondere OMA-creatie kunnen
opleveren. Maar er is voor Koolhaas meer dan architectuur. Zoals hij in het recent
verschenen boek Content schrijft: 'Architectuur is een verwarrende
mengelmoes van oude kennis en hedendaagse praktijk, een onhandige manier om
naar de wereld te kijken en een inadequaat medium om er aan te werken.' In
1996 deed hij 'zijn' OMA over aan bouwkundig bedrijf De Weijer om zich
letterlijk creatief vrij te kopen. Sindsdien verricht hij het ontwerpen van
gebouwen als een aangetrokken consultant en rest hem meer tijd voor
analyses. Minstens zo belangrijk voor hem is het initiatief dat hij kort
daarop begon, AMO, het spiegelbeeld van OMA. AMO is het platform voor
onderzoeksprojecten naar maatschappelijke verschijnselen zoals winkelen,
bevolkingsconcentraties in de regio Hongkong of de mogelijkheid van een
Schiphol in zee. De denkbeelden van AMO overstijgen architectuur en
stedenbouw, want Koolhaas betrekt er mode, fotografie, beeldende kunst en
grafische vormgeving bij.
Is de toren voor de Chinese staatstelevisie strikt genomen nog 'traditionele'
architectuur, met de analyse van het modemerk Prada begeeft Koolhaas zich op
het interessante snijvlak tussen 'branding' en 'statistische gegevens'. Het
verzamelen van die data is een van de pijlers in het onderzoek van AMO omdat
het bureau het ontwerpproces stuurt. Bij Koolhaas zou je kunnen zeggen:
zonder data geen ontwerp (of een variëteit aan ontwerpen). In opdracht van Miucca Prada verrichtte hij een onderzoek naar het
verschijnsel mode, winkelketens en identiteit. Voor Koolhaas is het even
belangwekkend om zich te verdiepen in de paskamer als het materiaal voor de
gevel, of de uitstalling van kledingstukken en accessoires. In New York heeft dat geresulteerd in een winkel met een brede, luie trap
waarop de producten zich voordoen als museale objecten. Dat is de
geraffineerde uitkomst van zijn analyses: ze weerspiegelen een tijdgeest
waarin niemand meer zeker is wat museaal en wat commercieel is. Wat publiek
domein is of het verlengstuk daarvan. Dat is weer te zien bij het
Prada-epicentrum dat je kunt opvatten als een catwalk die doorloopt vanaf de
straat voorbij de pui. Ook dat parcours is weer een variant op het traject
door de ambassade of de trap annex auditorium in de Kunsthal. Dat is het
paradoxale van een architect die de toekomst omarmt. Hij laat je lopen en
laat de lift links liggen. Tenslotte Koolhaas zelf. Op de eerste pagina's van S, M, L, XL staat een
diagram met de namen van de vele OMA-medewerkers en de projecten waaraan het
bureau heeft meegewerkt. Na de verschijning van dat boek in 1995 kan dat
diagram vermoedelijk een zelfstandig boek beslaan, zo wijd heeft dat werk
zich vertakt over de wereld. Alleen al in dit jaar, wanneer Koolhaas zestig
jaar wordt, komen er weer twee ijkpunten in het oeuvre bij, de Casa di
Musica in Porto en de bibliotheek van Seattle. Voor Porto analyseerde
Koolhaas het zintuig luisteren, in Seattle maakte hij een studie naar lezen
en digitale informatieverwerking. De lijst medewerkers lijkt bij elk project
eindeloos. Ook 'het boekwerk Berlijn' wordt afgesloten met de credits van
een omvangrijk team. Het wettigt de vraag waar Koolhaas zelf is, wat zijn
betekenis en inbreng zijn? Getuigenissen van zijn medewerkers reppen
van een onvermoeibaar discours, waarin niet het geven van antwoorden voorop
staat, maar het stellen van vragen. Soms irriterende tegenvragen. Want
Koolhaas zweert bij ongemak en spanning, omdat dat klimaat volgens
hem het beste resultaat oplevert. Het is de confrontatie met de lelijkheid
die hem uitdaagt, bruut tegenover verfijnd. Ook daarvan is de Nederlandse
ambassade een toonbeeld. Boven de mooie schone betonnen wanden plaatst hij
roosters in het plafond waarachter de sprinklerinstallaties en tl-bakken in
het zicht blijven.Als iets het handschrift van Koolhaas kenmerkt, is het die wrijving waardoor
leken zich soms ergeren aan zijn gebouwen, en deskundigen juist opgetogen
raken.